‘Ik heb moeten leren met één been op het gebaande pad te blijven'

Meteen na zijn eindexamen werd hij wereldberoemd met zijn verbrande meubels. En nog steeds zijn zijn ontwerpen verre van ‘ramstrak’....

Een bleke jongen met blauwe schipperstrui en ongekamde haren. Net terug van de designbeurs in Miami, waar ze hem tot Designer of the Year bombardeerden, waar John McEnroe een klok van hem kocht en waar dag en nacht een limousine met chauffeur voor hem klaarstond, voorzien van een koelkastje om de bubbels op temperatuur te houden. Vandaag is Maarten Baas te vinden in de tot werkplaats omgebouwde koeienstal. Hij zoekt de warmte van de keuken en sopt een theebuiltje in twee gehavende bekers. Als hij erbij wil gaan zitten, protesteert de schoonmaker: er moet eerst gepoetst worden. Met tegenzin verlaat Baas de keuken.

Ik dacht dat jij hier de baas was? ‘Ja, dat dacht ik ook.’

Met zijn veelal kinderlijke en knullig aandoende ontwerpen is Baas een van de grote internationale designsuccessen van het moment. Bovendien is hij dé exponent van een nieuwe generatie designers die zijn brood verdient met de verkoop van meubels aan musea, verzamelaars en beroemdheden. Terwijl de meeste ontwerpers juist dromen van een groot publiek. ‘Daar zie ik echt het nut niet van in’, zegt Baas.

Zijn afstudeerproject aan de Design Academy Eindhoven in 2002 was meteen zijn grote doorbraak. Smoke heette de serie tweedehands meubels die Baas marineerde in benzine, zwart blakerde met een gasbrander en keurig afwerkte met een doorzichtige laag epoxyhars. In de werkplaats staan drie barokke, dikbuikige Smoke-kastjes. De structuur van de meubels lijkt op die van een houtblok dat al een tijdje in de open haard ligt te branden, alsof het elk moment in duizenden stukjes uit elkaar kan vallen.

Eigenlijk best mooi. ‘Ja, hállo!’ Zijn rustige stem vliegt even uit de bocht. ‘Ik vind het oprecht mooi wat ik maak. Als het verbranden lelijke meubels zou opleveren, zou ik er direct mee zijn gestopt. Ik ben wel degelijk op zoek naar schoonheid. Maar de meeste designmeubels zijn mij te macho. Het is allemaal symmetrisch, glad, sterk en glimmend. Perfectie noemen ze dat, liefst met de computer ontworpen. Als je dat beeld nastreeft gaat automatisch elk nieuw ontwerp ook in die richting.’

Wat is jouw definitie van schoonheid? ‘Schoonheid is waar alles getolereerd wordt, waar alles een beetje samenkomt. Daarom is de natuur mooi. Daar is niets recht of symmetrisch. Onze definitie van perfectie maakt dingen zo kwetsbaar. Eén kras op een dure auto en het ziet er niet meer uit. Je kunt nog zo’n mooie Lamborghini hebben – ik ben net in Miami geweest – maar zodra er een kras op zit, durf je er niet meer mee over de boulevard te rijden. Vergelijk dat eens met de natuur. Die ís gewoon. Zelfs een weggegooid colablikje wordt in de natuur opgenomen. Het gaat een beetje roesten en er groeit iets half overheen. In de natuur kan alles.’

Hij groeide op in dorpen als Hemmen in de Betuwe en Burgh-Haamstede in Zeeland. Zijn moeder was onderwijzeres. Zijn vader dominee. Liever zegt Maarten Baas dat zijn vader filosoof was. ‘Dat dekt de lading beter. Mijn vader was geen conservatieve man in een zwart pak die de mensen voorschreef waarin ze precies moesten geloven. Hij wilde iedereen helpen zijn eigen waarheid te ontwikkelen, niets dwingend opleggen. Ook niet aan zijn vier kinderen. Wij waren volstrekt vrij om ons eigen pad te vinden.’

Domineeskinderen moeten wel het goede voorbeeld geven. ‘Als domineesgezin sta je natuurlijk te kijk. Mijn oudere broer en ik hadden lang haar, in een staart. Dat was al iets in zo’n durp met tweehonderd inwoners. Mijn broer reed in oude auto’s rond en als ik drumde, deed mijn vader vaak mee op de piano. Mijn vader had allesbehalve zin zich aan te passen aan hoe het hoorde, zeg maar. En wij hoefden dat ook niet.’

Gingen de domineeskinderen wel naar de kerk?

‘Het was elke zondagochtend touwtrekken tussen Villa Achterwerk op tv en de kerk. Meestal werd het de kerk. Mijn moeder had er iets meer moeite mee dan mijn vader als het domineesgezin niet in de kerk kwam. Toen ik 13 was scheidden mijn ouders en was het afgelopen met mijn kerkbezoek. Ik heb die scheiding niet als dramatisch beleefd, maar de reactie van zo’n dorp is best heftig. Dan merk je wat voor bovenmensenlijke eigenschappen aan een dominee worden toegeschreven. Anderen mochten zwak zijn, ruzie maken. Hij niet.’

Een dominee moet perfect zijn? ‘In de ogen van veel mensen in zo’n dorp wel, ja.’

Perfectie. Het is een thema dat vaak terugkeert in gesprekken met Maarten Baas. Zijn ontwerpen vallen juist op doordat ze ze allesbehalve perfect zijn – in de traditionele zin van het woord. De handgekleide tafels en stoelen uit de Clay-serie hebben de charme van de kandelaartjes die kinderen op school maken voor moederdag. De kasten uit de Sculpt-serie lijken op het meubilair van de Flintstones. Glazen kroonluchters vervormt Baas door ze laten laten smelten.

‘Ik vind een kastje echt gaver als het zo’n wiebelig, klunzig ding is. Ik vind het interessant om te werken met een open vizier. Telkens terrein te betreden waar ik nog niet ben geweest. Waar überhaupt nog niemand is geweest.’

Het Rijksmuseum, het Stedelijk Museum en het Groninger Museum hebben werk van hem gekocht. Hij exposeerde solo bij Moss in New York, de invloedrijkste designgalerie ter wereld. Verzamelaars in de Verenigde Staten hebben er tonnen voor over om hun huiskamer te laten restylen door ‘the Dutch Wunderkind’, zoals een Britse krant hem omschreef.

Waarom werk je voor de happy few? ‘Massaproductie trekt me niet. Voor musea en verzamelaars kun je dingen maken waarover je wat langer kunt nadenken. En dat happy few valt wel mee. In musea is mijn werk voor iedereen te zien.’

Je wilt zo min mogelijk concessies doen? ‘Je moet altijd concessies doen. Maar om het betaalbaar te maken moet je vaak het materiaal aanpassen of het concept. En dat doe ik niet graag. Dan heb ik liever dat het erg duur wordt. Dat moet dan maar, helaas. En het staat me ook een beetje tegen om elk jaar weer een nieuwe collectie uit te poepen. Steeds maar hot, trendy en hip te moeten wezen. Vandaag staan alle hotels vol met dit. En morgen weer met dat. Als ontwerper doe je daar natuurlijk altijd een beetje aan mee, maar als je voor verzamelaars werkt kun je het accent verleggen. De mensen die mijn werk kopen zijn een soort soulmates. Ze herkennen de humor in mijn werk. Er zit een soort lichtheid in – zonder oppervlakkig te worden. Hoewel die verzamelaarswereld ook minder leuke kantjes heeft.’

Zoals? ‘Het is uiteindelijk pure business. Soms willen die miljonairs alleen je spullen kopen vanuit een zakelijk idee, als investering. Het is ook decadent. Feestjes waar iedereen met zijn privéjet naartoe komt vliegen terwijl het thema green design is. Wat nou green design? Me reet. Dat soort dingetjes trek ik niet zo goed. Maar het is wel gaaf als een toonaangevende verzamelaar als Adam Lindemann spullen van je koopt en ze ook echt begrijpt. Of je carte blanche geeft om zijn woonkamer opnieuw in te richten. Hij had van zijn geld ook een patserig zwembad kunnen aanleggen.’

Een zwembad heeft hij natuurlijk al. ‘Maar dan nog. Hij kan ook voor een gelikte ontwerper gaan.’

Ben je een zondagskind? ‘Je bedoelt dat ik veel geluk heb gehad? Ik zit zo in elkaar dat ik de positieve dingen uit mijn leven benadruk. Maar ik kan er ook een ander licht op laten schijnen. Mijn ouders hadden geen warme band en zijn uit elkaar gegaan. Op de Design Academy in Eindhoven kon ik de eerste jaren mijn draai niet vinden. Ik ging veel te ver van het gebaande pad. Terwijl anderen hun werk presenteerden met mooie foto’s en een quasifilosofisch tekstje, gooide ik een keer al mijn ideetjes, schetsjes, foto’s letterlijk op één grote hoop. Niks geen uitleg erbij. Toen zat ik er volledig naast. Ik heb echt moeten leren met één been op het gebaande pad te blijven. Als je een afwijkend ontwerp hebt, moet je niet ook nog eens de presentatie revolutionair anders willen doen. Het was echt niet allemaal leuk en aardig. Dat lijkt maar zo, van een afstandje.

‘Sommigen vinden dat ik pure mazzel had toen mijn afstudeerproject Smoke meteen een hit werd. Maar iedereen die afstudeert aan de academie krijgt dezelfde kansen. Mijn werk werd over de hele wereld opgepikt. Als zo veel verschillende mensen onafhankelijk van elkaar je werk waarderen is dat geen geluk, maar een teken dat je goed werk hebt geleverd. Bovendien ben ik op eigen kracht telkens nieuw werk blijven maken. Dat is geen geluk, ammehoela. Dat is een kwestie van hard en gefocust werken.’

Als tiener sliep Baas in een hangmat. Hij maakte een beweegbaar tafeltje dat hij vanuit zijn hangmat kon bedienen met behulp van een boomstammetje. En op dat boomstammetje timmerde hij weer een plankje. In de tuin leefde hij zich uit op het kippenhok. Zijn fiets kreeg een streeppatroon. En de badkamer verfde hij, met instemming van zijn vader, groen. In zijn omgeving vond iedereen het ‘supergaaf’ wat hij deed. Zelf noemt hij het nu ‘puberaal gepruts’.

Volgens je beste vriend ben je eigenlijk helemaal niet handig. ‘Nee. Vandaar de term gepruts. Ik heb echt twee linkerhanden, absoluut. Ook nu nog. Anderen moeten er een kloppend eindproduct van maken.’

Is het niet moeilijk om toe te geven dat je als ontwerper twee linkerhanden hebt? ‘Het was soms frustrerend, vooral op de academie. Als je ramstrakke, gelikte modelletjes maakte, had je al bijna een voldoende. Dan hoefde het creatief niets voor te stellen. Ik ben te slordig en te chaotisch om strakke modelletjes te maken. Te ongeduldig ook. Ik heb me-teen dat eindplaatje in mijn hoofd en ik kan het niet altijd zelf maken. Met als gevolg dat ik nogal eens onvoldoendes kreeg.

‘Het heeft lang geduurd voordat ik begreep dat ik anders in elkaar zat dan de meeste studenten met wie ik optrok. Dat waren van die lekkere doeners die lekker dingen wilden maken in hun eigen werkplaats. Ik had al geruime tijd zelf een werkplaats toen ik de denkstap maakte dat ik niet zo’n doener ben. Dat ik liever op internet zit te pielen of met klanten zit te praten. Het gedoe eromheen is voor mij leuker dan zelf een object te maken. Daarom werk ik nu samen met Bas den Herder. Door hem hebben mijn ontwerpen een goede afwerkingsgraad. Ik ontwerp een wiebelig, klunzig kastje. Hij zorgt ervoor dat het laatje perfect loopt. Die professionele touch moet het hebben, anders is het amateuristisch.’

In de boekenkast in zijn werkplaats staan designbijbels en kinderboeken: De wereld van Maarten van Mies Bouhuys, Annie M.G. Schmidt, Roald Dahls De Grote Vriendelijke Reus. Verwarming heeft de werkplaats nog niet. Maar wel een urinoir: een opengesperde, roodgestifte mond. Baas heeft zijn eigen wereld gecreëerd in het gehucht Gewande, onder de rook van Den Bosch. Hij pendelt op en neer naar Eindhoven waar hij een appartement heeft. Met eigen meubels, natuurlijk. Maar ook met tweedehands spullen en meubeltjes van IKEA, en een enorme tafel van sloophout van Piet Hein Eek.

In Amsterdam zou hij niet kunnen wonen, zegt hij. ‘Voortdurend zien en gezien worden. Dat is niet mijn ding.’ Groot worden wil hij evenmin. ‘Dan ga je je verantwoordelijk voelen voor je personeel en misschien opdrachten aannemen omdat je mensen anders zonder werk zitten.’

Bij lastige vragen leunt Baas op de twee achterste stoelpoten en maakt hij met zijn handen een paardenstaart van zijn halflange haar terwijl hij bedachtzaam een antwoord formuleert.

Hij wil het niet hebben over de prijskaartjes die er aan zijn stukken hangen, zegt hij aan het begin van het gesprek. ‘Ik vind het zo jammer als het gesprek wordt verengd tot de prijs.’ Maar later begint hij er zelf over en zit hij opeens op het puntje van zijn stoel. ‘Ja, het zijn vaak bedragen waarvoor je ook een auto kunt kopen. Dat klopt, maar met zulke constateringen sla je alles plat. Laat de mensen eens kijken waar zo’n prijs vandaan komt.’

Voor de Grandfather Clock, die het Rijksmuseum onlangs heeft aangekocht, vroeg je 60 duizend euro. Waarop is die prijs gebaseerd? ‘Vaak gaat het om het aantal uren dat erin zit. Inclusief het aantal uren dat je bezig bent met de mislukkingen die aan het geslaagde product vooraf gaan. De Grandfather Clock is uitgebracht in een gelimiteerde editie van drie stuks. Er zijn niet zoveel producten waarvan de totale eindomzet maximaal 180 duizend euro is, terwijl er gigantisch veel werk in zit. Daar begint geen fabrikant aan.’

De Grandfather Clock is een manshoge staande klok. Op de plaats waar normaal gesproken de wijzerplaat zit, heeft deze klok een ronde, glazen plaat. Daarachter zie je een man die met viltstift de wijzers van de klok tekent. Elke minuut veegt hij de grote wijzer uit om hem een klein stukje verder opnieuw te tekenen. Zo tekenen de minuten zich af. Eén keer per uur verplaatst hij ook de kleine wijzer. Tussendoor eet hij een boterham en rookt hij een sigaret. De man zit natuurlijk niet echt in de klok. Het is een twaalf uur durend filmpje dat in de klok is geprojecteerd.

Hoe kom je op het idee van een film als klok? ‘Ik zat een keer op het vliegtuig te wachten en een beetje met mijn laptop te spelen toen ik een clip zag van Bob Dylan met Subterranean Homesick Blues. Dylan heeft een stapel kartonnen bordjes bij zich met woorden erop uit de songtekst. Die bordjes gooit hij snel en ritmisch weg terwijl hij de woorden zingt. Zo kwam ik op het idee om het wegtikken van de tijd te symboliseren in handelingen. Ik werk intuïtief. Er gaan onbewust duizenden, misschien wel miljoenen beelden door een filter in mijn hoofd. Daar blijven er een paar van hangen. En die werk ik uit. Gewoon omdat het goed voelt.’

Je wilt graag ontregelende ontwerpen maken. Wat moet er ontregeld worden? ‘Ik wil graag een beetje aanbeuken tegen al die hokjes en vakjes die iedereen in zijn hoofd heeft. Er zijn nogal wat traditionele ontwerpers die mij aanvallen omdat ik volgens hen in de marge zit te fröbelen, omdat het om kleine oplagen gaat. Dat ik de wannabe kunstenaar uithang. Die vreten zich helemaal op omdat ik een beetje zit te kleien voor de kost. Nou, dan heet het geen design. Ook goed. Waarom moeten we alles dichttimmeren met definities? Laten we het open houden. Wat dat betreft heb ik de filosofie van mijn vader gecopypaste. Die wilde ook geen waarheid planten. ’

Je bent al een paar jaar ‘in’. Ben je niet bang dat het straks voorbij is? ‘Ik zou er prima mee kunnen leven. Het kan maar zó. Eigenlijk hou ik daar al vanaf het begin rekening mee. En telkens denk ik: nu kan ik niet bekender worden. Want ik ben niet het type om hip te zijn. Ik ben geen flamboyant, mediageniek figuur als Marcel Wanders. Maar ja. Het gaat telkens een stukje verder.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden