Interview

'Ik heb mezelf een opdracht gegeven: blijven vertellen tot ik niet meer kan'

Vanuit Westerbork vertrokken zeventig jaar geleden de eerste treinen naar vernietigingskamp Sobibor. Jules Schelvis vertelde in maart 2013 aan de Volkskrant hoe hij zich na de oorlog herpakte.

Jules Schelvis in 2013. Beeld Daniel Cohen

'Op donderdag 3 juni bereikten we de Poolse grens. We reden in de richting van Auschwitz, maar de trein ging voorbij Czestochowa oostwaarts. Ik zei tegen mijn vrouw: bereid je maar op het ergste voor, veel goeds zullen ze niet in de zin hebben. Ze lachte flauwtjes en zei: 'Weet je dat je een baard hebt? Je lijkt wel een rabbi.' Een dag later, op 4 juni 1943, kwamen Jules Schelvis (92) en zijn vrouw Rachel aan in vernietigingskamp Sobibor.

De tekst is een fragment uit de aantekeningen die Jules Schelvis direct maakte na zijn bevrijding uit een werkkamp vlakbij Stuttgart. Schelvis lag toen in een door Fransen geconfisqueerd hospitaal in Zuid-Duitsland, herstellende van vlektyfus. Hij schreef het verslag bewust niet op blanco papier, maar op ziekenhuisformulieren met namen van patiënten en de data waarop ze aankwamen en werden ontslagen. 'Zodat men niet zou kunnen zeggen: dat heb je veel later, na de oorlog verzonnen. Of: je herinnering was niet meer zo goed. Nee, ik kan met de originele formulieren laten zien dat ik mijn verhaal, vanaf de arrestatie in 1943 tot aan de bevrijding, meteen heb opgeschreven. Ik wist dat ik een verhaal had dat de moeite waard was om ooit te vertellen.'

Oprichter Stichting Sobibor Jules Schelvis overleden

Jules Schelvis, oprichter van de Stichting Sobibor, is zondagavond op 95-jarige leeftijd overleden in zijn woonplaats Amstelveen. Dat maakte de Stichting Sobibor, die de herinnering aan het vernietigingskamp levend wil houden, maandag bekend. Lees het nieuwsbericht hier.

Beeld Daniel Cohen

Eenderde vergast

In maart 2013 was het precies zeventig jaar geleden dat de eerste Joden met treinen vanuit Westerbork naar Sobibor werden gedeporteerd. Ongeveer eenderde van de in de Tweede Wereldoorlog vermoorde joden uit Nederland is in dat kamp vergast. Jules Schelvis zat met zijn 22-jarige vrouw en haar familie op zo'n trein. Bij aankomst werd hij van zijn vrouw gescheiden. 'Ik kon Chel niet meer kussen of 'tot straks' toeroepen. Omkijken mocht niet. Voor je uit kijken en Maul halten, luidde het bevel.'

Schelvis overleefde als enige van zijn transport de oorlog. Na zijn pensioen begon hij erover te schrijven en nu is hij dé Sobiborkenner. Slechts drie uur was Schelvis in Sobibor en zal er, naar eigen zeggen, over blijven vertellen zolang het kan. Aan deze openheid ging ruim dertig jaar zwijgen vooraf. Hij stopte zijn herinneringen weg. Er moest een nieuw leven worden opgebouwd. Over het leven ná de oorlog spreekt hij in die periode bijna nooit. 'Maar dat verhaal is minstens zo interessant', vindt Schelvis.

Op 30 juni 1945 kwam Schelvis terug in Amsterdam. Officieel was hij geen Nederlander meer, hij was in 1943 in Westerbork uitgeschreven. Hij liftte mee met een vrachtwagen en werd afgezet op het Koningsplein. Drukkerij Lindenbaum, waar Schelvis zijn vak als drukker had geleerd en in februari 1941 als Jood was ontslagen, was toevallig dichtbij. Daar dan maar heen. Hij meldde zich bij de bedrijfsleider. 'Wat kom jij hier doen?', was de vraag. 'Hij vond het maar lastig dat ik opdook, omdat hij, zei hij, al ander personeel had aangenomen. Ik was dus overbodig en kon weer gaan. Heel hufterig.'

Jules Schelvis gefotografeerd op dinsdag 26 februari 2013 bij hem thuis in Amstelveen. Beeld Daniel Cohen

'Mijn god, ik geloof dat Jules is teruggekomen'

Schelvis liep door naar de Nieuwe Prinsengracht waar een oom en tante van zijn vermoordde vrouw woonden. Tante Annie was van oorsprong een 'Rijksduitse' vrouw en was getrouwd met een broer van Schelvis' schoonmoeder. Omdat het een gemengd huwelijk was, waren hij en zijn zoon niet gedeporteerd. 'Met knikkende knieën trok ik aan de bel. Er werd opengedaan en ik hoorde tante Annie roepen: 'Wie is daar?' Ik probeerde met een zo normaal mogelijke stem te antwoorden: 'Ik ben het.' Ik hoorde haar tegen haar man zeggen: Mijn god, ik geloof dat Jules is teruggekomen. 'Ik werd liefderijk ontvangen. Voorlopig had ik een plek om te wonen.'

De volgende dag liet hij zich inschrijven in het bevolkingsregister - 'Ik was weer een Nederlander' - en de dagen daarna probeerde hij zich de gewoonten van een normaal gezin eigen te maken. Zo waren de rituelen met toiletpapier even wennen nadat hij bijna twee jaar gewend was geweest om door modder ploeteren om bij een 'abort' te komen. 'Een abort, nou ja, daar kun je je alles bij voorstellen, behalve een toilet.'

Na een tijdje durfde Schelvis de stad in te gaan. Hij wilde het vrije Amsterdam verkennen en kijken hoe de stad uit de oorlog was gekomen. Op de Magere Brug over de Amstel stond hij even stil en zag in gedachten Rachel voor zich, zoals zij daar in 1942 had gestaan, met op haar jas een gele ster. Hij liep door. 'Er waren nog maar weinig mensen die ik kende. Als ik al iemand ontmoette, ging het gesprek over de Hongerwinter. Die had zo'n grote stempel op de mensen gedrukt. Ik zei dan maar niets over de honger in de kampen. Ze hadden duidelijk hun eigen sores.'

Heimelijk verliefd

De Grafische Bond kon Schelvis vertellen dat zijn oude baas hem onterecht de deur had gewezen. Tijdens de oorlog was er in Engeland, door de regering in ballingschap, een wet ingesteld die bepaalde dat mensen die in kampen waren geweest of waren ondergedoken, hun baan moesten terugkrijgen. 'Met die wet op papier ben ik teruggegaan naar Lindenbaum. Ze moesten me toen wel aannemen. Ook heb ik gezegd: 'Ik heb nog vakantiedagen te goed'.'

Een baan, een huis: het 'normale leven' kreeg langzaam weer vorm. Schelvis meldde zich aan bij de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC), de socialistische jeugdbeweging waar hij voor de oorlog al lid van was. 'Na enige tijd belde een jonge vrouw aan op het adres van tante Annie. Zij kwam de contributie voor de AJC innen. Ik liep de trap af en gaf haar aan de buitendeur tijdens een kort gesprekje het geld. De volgende weken kwam ze trouw weer terug. Tot tante Annie vroeg waarom ik dat meisje steeds maar beneden aan de deur liet staan. Ja, waarom eigenlijk? Ze had natuurlijk gelijk. Vanaf dat moment kon ik wat uitvoeriger in de huiskamer met haar spreken. Ik vond haar al direct een aardige, bescheiden, open en eerlijke jonge vrouw, maar niet in de laatste plaats vond ik haar aantrekkelijk. Toen wilde ik ook weten hoe ze heette. 'Wel', zei ze, 'Ik ben Jo Meijer'. In de loop van de weken werd ik heimelijk verliefd op haar.'

'Allemaal voor me gehouden'

Jo (1917 - 2001) werd Jules' tweede vrouw en ze kregen twee kinderen. Ze werkte als secretaresse op het hoofdkantoor van het AJC, op de Keizersgracht. Schelvis had snel na hun ontmoeting een bijzonder verzoek aan haar. Of zij zijn aantekeningen, direct na de bevrijding opgetekend in het Duitse ziekenhuis, wilde uittypen. Zonder een woord over de oorlog te wisselen, wist zij zo precies wat hij had meegemaakt.

'Ze kende mij wat dat betreft beter dan mijn kinderen. Als die iets wilden weten over mijn leven in de oorlog, gingen ze naar hun moeder. Ze wilden mij niet met mijn verleden belasten. En ik wilde hen ook weer niet belasten met mijn sores. Meer dan dertig jaar heb ik er niet over gesproken. Ik heb het allemaal voor mij gehouden. Dat nemen ze mij af en toe nog kwalijk.'

Schelvis was drukker van beroep, maar hij had meer in zijn ransel vond hij. En dat bleek ook. Hij kreeg een baan bij de Arbeiderspers en werkte zich op van drukker naar hoofd algemene zaken en personeelszaken bij Het Vrije Volk. 'Ik heb nooit naar een nieuwe functie gesolliciteerd. Het is vanzelf zo gelopen.'

Jules Schelvis met zijn vrouw Jo. Beeld Daniel Cohen

Het einde van het zwijgen

In 1970 kwam Rien Robijns, journalist bij Het Vrije Volk, naar Schelvis toe. 'Ik hoor dat je in een kamp hebt gezeten', zei Robijns. 'En ze zeggen ook dat je een Jood bent. Mag ik een interview met je hebben?' Schelvis: 'En toen dacht ik: ik geloof dat nu het moment is gekomen dat ik van me moet laten horen.' Het interview was het einde van zijn zwijgen.

Schelvis vertelde aan Robijns dat hij na de oorlog veel literatuur over concentratiekampen was gaan lezen. Hij kon die drang niet verklaren. Misschien deed hij het om iets van zichzelf terug te vinden. Misschien om de afstand die hij zichzelf had opgelegd, bewust wat kleiner te maken. Ook maakte hij 'bedevaarten' naar plaatsen waar kampen hadden gestaan. In het interview vertelde hij ook dat tot vijftien jaar na de bevrijding de herinnering aan de kampen hem vaak te veel werd. 's Nachts werd hij vaak gillend wakker. 'In je dromen zat je midden in die hel en werd je weer weggesleept, getrapt, geslagen en vernederd.'

Na zijn pensioen kwam er het boek, Binnen de poorten (1982). De aantekeningen in het hospitaal, uitgetypt door zijn vrouw, waren daarvoor de basis. Een interview, een boek: hij had het daarbij kunnen laten. Zijn verhaal was immers verteld. Maar hij ging door. Hij reisde heel Europa af voor onderzoek, schreef hét standaardwerk over Sobibor, ontving een eredoctoraat, richtte Stichting Sobibor op en geeft gastcolleges en lezingen. In 2011 was hij getuige en Nebenkläger (mede-aanklager) in de rechtszaak tegen de van oorlogsmisdaden verdachte John Demjanjuk. De Oekraïner die in Sobibor bewaker is geweest. 'Het behoort tot mijn werk. Ik heb mezelf een opdracht gegeven: blijven vertellen tot ik niet meer kan.'

Ook al praat Schelvis inmiddels langer over de oorlog dan dat hij erover heeft gezwegen, zijn zelfopgelegde opdracht blijft hem zwaar vallen. 'Als ik vertel, ben ik de enige in de zaal die het verhaal zin voor zin voor zich ziet. Ik zie steeds alles weer gebeuren. Soms dan... het gebeurt op momenten waarop ik het zelf niet verwacht. Dan stop ik even met praten. Slik. En praat weer verder.'

Beeld Daniel Cohen
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden