Ik heb kanker, mijn moeder is dood, mijn vader is rijk

Ziekelijke leugenaars zijn vooral op zoek naar aandacht en liegen een interessant bestaan bij elkaar. Als het geweten opspeelt, bedenkt de fantast graag een leugen om ook zichzelf mee voor te liegen....

Leugenaars kun je niet vertrouwen. Ze mailen: ik wil dolgraag mijn verhaal kwijt, want zo gemakkelijk is het niet als je altijd maar moet liegen. Morgen bel ik. Een week later schrijven ze: ik heb het nogal druk gehad. Ik had last van mijn knie. Mijn computer was stuk en we hebben een trommel gemaakt tijdens een creatief weekend. En, na opnieuw een stille week: toevallig stop ik net de nummers in mijn telefoon. Ik kan nu elk moment gaan bellen.
Twee fantasten zijn wel bereid hun ervaringen te delen. Met een eindeloze stroom leugens heeft T. R. al zijn vrienden van zich verwijderd. Tegenwoordig wil nog maar één jongen met hem omgaan: een geïsoleerde depressieveling, die juist herstelt van een zelfmoordpoging. Verderop komt Martin uit Breda aan bod. Zijn verzinsels concentreerden zich rond een aluminium bijzettafeltje, dat helemaal 'giga' zou worden in de meubelmarkt. Tien van zijn beste vrienden sleurde hij mee in een financieel debacle. Martin zegt dat hij een ziekelijke leugenaar is. Maar er is haast niemand die hem gelooft.
En dan is de heer Jan Scheffer er nog, de zenuwarts van het Pieter Baan Centrum in Utrecht. Naar eigen zeggen worden er geen specialisten meer van zijn soort gemaakt: opgeleid in de neurologie en de psychiatrie. Hij weet alles van pseudologia fantastica, de stoornis die mensen laat liegen en in die leugens laat geloven tot de werkelijkheid ze hardhandig de hoek in drijft. Scheffer moet een beetje duidelijkheid verschaffen. Maar hij zegt liever: 'Schrijf toch gewoon over Shakespeare.' Want dat weet bijna niemand: Shakespeare heeft die toneelstukken helemaal niet zelf geschreven; het bestaan van de toneelschrijver Shakespeare is de grootste leugen aller tijden.
Doodsangst
's Ochtends en 's middags observeert Scheffer mensen die een ernstig misdrijf hebben begaan en moet hij beslissen of ze toerekeningsvatbaar zijn. Tijdens de lunchpauze zit hij op een stoel in zijn werkkamer, waarvan de muren zijn volgeplakt met grafiek, olieverfschilderijen en reproducties van beroemde schilderijen; een kopje groentesoep op schoot. Erg gemakkelijk zit hij niet; praten over pseudologia fantastica geeft nu eenmaal aanleiding tot cultuurpessimisme.
'Mensen vertellen verhalen die niet waar zijn om zich beter, mooier, fraaier en rijker voor te doen dan ze zijn', zegt hij, 'of om zekere onaangename kanten van hun persoonlijkheid te verhullen. Dit wordt ziekelijk als mensen hun leugens gaan geloven en de grens met de werkelijkheid wordt aangetast.' Erg onbaatzuchtig is de stoornis dan ook niet; ze neigt wat naar narcisme.
De pseudoloog zegt niet: ik voel me betekenisloos, ik ga maar eens met een therapeut praten en kom tot andere keuzen in het leven. Hij wil sneller resultaat en zegt: ik heb kanker, mijn moeder is dood, mijn vader steenrijk.
De aandacht die dit oplevert, is zo heerlijk dat hij snel een nieuwe leugen bedenkt zodra die minder wordt. Af en toe speelt misschien het geweten even op, maar als je een heel bestaan bij elkaar hebt gelogen, moet zo'n gewetensconflict volgens Scheffer zo ongeveer als doodsangst voelen. Na een half uur bedenkt de leugenaar graag een leugen om zichzelf mee voor te liegen.
Nep en aanstellerij
En ja: daar ligt een beetje een ongezonde cultuur aan ten grondslag. Kinderen wordt niet meer geleerd wat teleurstelling is, hoe het voelt en hoe ze het moeten verdragen. Oude sociale verbanden zijn weggevallen en er zijn een heleboel allochtonen bijgekomen. Nu is de televisie de belangrijkste opvoeder geworden, met zijn povere cultuuroverdracht.
Cijfers bestaan niet, onderzoek ontbreekt, maar dat er steeds meer fantasten komen is duidelijk, en moet wel liggen aan de huidige maatschappij, die is doordrenkt van schijn en theater, nep en aanstellerij. Kijk de ministers bijvoorbeeld maar eens op de televisie. Altijd staan ze te lachen, maar vrolijk zijn ze nooit.
Vlak na de oorlog verzon de econoom Friedrich Weinreb de listen waarmee hij joden van deportatie zou hebben gered. De acteur Jules Croiset zette in 1988 zijn eigen ontvoering in scène uit protest tegen een antisemitisch gewaand toneelstuk van Fassbinder. Willibrord Frequin bedacht een jaar later een televisiereportage over handel in menselijke hoofden. Boudewijn Büch beweerde dat zijn blonde zoontje jong was gestorven en Tara Singh Varma dat ze aan kanker leed. Maar misschien heeft Scheffer wel gelijk dat er steeds meer leugenaars komen - de laatste tijd zijn ze in ieder geval opvallend vaak in het nieuws.
Vorig jaar werd Jason Blair ontslagen bij The New York Times omdat hij reportages schreef over mensen die niet bestaan. Een paar maanden later lukte het hier Rocky T. niet om John de Mol te chanteren. Rocky bleek zich al jaren uit te geven als vertegenwoordiger van winkelketens, bedacht reddingsoperaties voor sportclubs en liet in Weekend optekenen dat hij verkering had met Irene van de Laar. En dan was er nog een kwestietje met de schrijfster Helga Ruebsamen. Haar broer beweerde in juni dat Helga in boek en interviews had gelogen: hun gezin had volgens hem in de oorlog helemaal niet ondergedoken gezeten. Maar Helga Ruebsamen bleef bij haar versie van het verhaal. Ze zei bovendien: 'Ik sta toch niet onder ede?' In Spanje hadden ze ook een fraaie: Enrico Marco, de meest eminente holocaustoverlevende van het land. Niet alleen in een boek, maar ook in honderden tv-optredens, lezingen en interviews sprak hij over het lot van de overlevenden. Samen met de Spaanse premier bezocht hij de zestigste herdenking van de bevrijding van concentratiekamp Mauthausen; de stropdas hoog op de keel. Vlak daarna ontdekte een historicus dat Marco in de oorlog niets bijzonders had meegemaakt. Hij zei: 'Ik bedoelde het niet kwaad.'
Klassiek geval
Minder bekende leugenaars bevinden zich in ieders kennissenkring. De jongen bijvoorbeeld die een bedrijfsruimte huurde, flyers verspreidde en mensen in dienst nam omdat hij door een Amerikaanse frisdrankfabrikant in de arm zou zijn genomen. De vrouw die haar vriend maar zelden kon bezoeken omdat haar moeder op sterven lag. Of de man die een longziekte verzon en een baan als literair consulent bij een bekende uitgeverij, en die dit verhaal nu zenuwachtig op zijn naam controleert.
Als ze het van zichzelf weten, gaan ze 's avonds soms achter de computer zitten. Op internet kunnen ze met elkaar in gesprek. Vinden ze troost bij lotgenoten, die het leven ook niet meer zien zitten, en zoeken ze naar oorzaken. Is er misschien sprake van een onderliggend trauma, vragen ze elkaar. Nu je het zegt, is dan bijvoorbeeld het antwoord, ik zit in een rolstoel en er zit een bacterie op mijn hartklep zodat mijn perspectieven al een tijdje niet rooskleurig zijn. Kijk, daar heb je het al, komt er dan, met knuffelende emoticons. En als dit eenmaal is vastgesteld, wordt er naarstig gezocht naar een goede behandelmethode. De meest voorkomende verkeerde methode is: in therapie voor een verzonnen trauma.
Hier kun je T. R. ook tegenkomen. Volgens Jan Scheffer is T. een klassiek geval, iemand die zijn eenzaamheid met leugens probeert weg te nemen - 'There's only one thing worse than being talked about', citeert hij Oscar Wilde, 'and that's being not talked about.' Op zijn weblog geeft T. advies en informatie aan iedereen die het wil. 'Anoniempje', 'ikje' en 'hulpeloosje' zijn hem daar dankbaar voor.
Oorlogstrauma
Het moet geen pretje zijn om T. R. te zijn. Hij heeft geen vrienden. Zijn familie doet afstandelijk. Omdat zijn huisgenoot in een inrichting is geplaatst en hij in zijn eentje de huur niet kon opbrengen, woont hij tijdelijk in een goedkoop huurhuis in Nagele, een dorp in de buurt van Emmeloord. T. heeft zijn hoofd geschoren, draagt grote, zwarte gympen en een motorcross-shirt om de magere schouders. Slechts af en toe is hij even in de war. 'Ik hoor een koe', zegt hij dan. Maar het is maar even zenuwachtig door de kale kamer drentelen en hij weet weer: oja, ik ben met ringtones in de weer geweest.
De toestand met T. begon toen hij dertien jaar geleden in het leger trad. In Srebrenica moest hij lijdzaam toezien hoe groepen vrouwen werden verkracht, zegt hij. Thuis was er van de ondernemende T. een zwijgzame bankzitter overgebleven, die niets anders deed dan shagjes roken voor de televisie. Zijn allereerste vriendinnetje verbrak na een paar weken de relatie met de woorden: 'Ik houd het niet langer met je uit, zo verschrikkelijk saai als jij bent.' En ja, zegt T., terwijl hij zich over het hoofd wrijft: 'Toen had ik behalve een oorlogstrauma ook het stempeltje saai meegekregen.'
Toch kreeg hij een jaar of twee later opnieuw een meisje zo gek om een avond naast hem op de bank te komen zitten. Heel even ervoer hij toen een 'black-outachtige situatie'. Toen hij daaruit wakker werd, moet hij hebben gezegd: 'Mijn oma is overleden.' Drie dagen verzorgde ze hem. Een heerlijk gevoel gaf dat. Maar T. had er niet op gerekend dat zijn vriendin zijn zus zou condoleren, de leugen uit zou komen en zij hem daarna geen blik meer waardig zou gunnen. Het was een schokkende, maar vooral leerzame ervaring. Voortaan zou hij wel met een slimmere leugen op de proppen komen.
Het waren meestal kleinigheden waarmee hij stiltes begon op te vullen, die hem keuvelend ontsnapten. Een collega was getrouwd en na drie weken alweer gescheiden. De beroemde actrice die was gestorven, kende hij persoonlijk. Hij had zijn rijbewijs gehaald en een auto gekocht. Zijn vader was ziek. Hier en daar vielen wat vrienden weg, soms zelfs bij bosjes tegelijk, maar dat negeerde hij zo veel mogelijk. Echt van de wijs raakte hij pas toen zijn twee belangrijkste leugens uitkwamen.
Zijn laatste baan - kok in Sporthuis Centrum - verloor T. omdat hij zijn afwezigheid had verklaard met het verhaal dat hij een hersenschudding had overgehouden aan een gewelddadige overval bij een pinautomaat. Omdat hij na weken nog geen doktersbriefje kon overhandigen, liet zijn baas bij de bank de beveiligingsbanden afdraaien.
Zijn laatste vriend raakte hij kwijt toen die en zijn moeder eens tegelijk bij hem op visite kwamen en uitkwam dat zijn vader helemaal niet onlangs was verongelukt. Voordat die vriend voorgoed vertrok, zei hij: 'Dat verhaal was nog de enige reden dat ik met je omging.' Vlak daarna beëindigde ook zijn moeder de visite, hoofdschuddend. Ze verhuisde al snel naar Spanje.
Vier jaar zat T. daarna in zijn eentje op een stoel; zelfs in de supermarkt groetten de caissières nauwelijks. Toen ging er een belletje rinkelen. Nu, na twee jaar intensieve therapie waarin hij leerde dat hij best de moeite waard is, gaat het een stuk beter met hem. Soms voelt hij nog een pijnlijke druk op zijn kaken - dan wil er toch weer een leugen naar buiten. Maar tot nu toe weet hij die steeds binnen te houden. Of het moet gelogen zijn dat hij een opleiding tot politieagent volgt. Eigenlijk is T. best een vrolijke vent. Echt veel vrienden heeft hij nog niet. Maar vanmiddag ging alvast één keer de telefoon.
Aandacht
Volgens Jan Scheffer zijn er meerdere soorten leugenaars. Zelf kent hij iemand die zich op straat laat vallen om zich naar huis te laten brengen. Soms verzinnen mensen klachten of doen ze zichzelf wat aan om aandacht van de dokter te krijgen. Soms brengen ze hun kinderen om dezelfde reden letsel toe. Dan heten de aandoeningen respectievelijk syndroom van Münchhausen en Münchhausen by proxy. En dan heb je nog de con man, de confidence man, die vertrouwen wint om mensen op te kunnen lichten. Soms zijn dit ziekelijke leugenaars, soms gewone dieven. Ook bij Martin uit Breda is dit de vraag, al vindt hij zelf van niet.
Oplichter
Martin is een lange, magere man van begin veertig. Hij staat in de achtertuin van een nieuwbouwwoning en wijst naar het zelfontworpen meubelstuk. Het is zo'n 40 centimeter hoog, bestaat uit vier pootjes en heeft twee aluminium dwarsplaatjes.
Martin zegt: 'Je kunt hem ook in een ander formaat krijgen.' En: 'Het is erg handig om bijvoorbeeld een televisietoestel op te zetten.' Martin heeft zichzelf jarenlang voorgehouden dat dit ding groot zou worden in de meubelmarkt. En heeft tien vrienden zo ver gekregen om tegen de 300.000 euro in het project te steken. De helft van die vrienden gelooft dat hij niets kon doen aan het uitblijven van succes, de rest vindt hem een oplichter.
Binnen springen kinderen door de huiskamer en is zijn vrouw bezig met een koffiezetapparaat. Niet alleen een vriend moest vorig jaar zijn huis verkopen, ook Martin en zijn vrouw wonen nu in een goedkoper huis. Toch houden ze de moed er nog wel in. Zo hebben ze zich juist vier dagen weten te ontspannen op een Eigentijds Festival; alles wat met spiritualiteit te maken heeft, was daar met standjes en tentjes vertegenwoordigd. Er bestaat een paragnost die beweert dat een entiteit verantwoordelijk is voor zijn leugens. Maar daarachter wil Martin zich niet verschuilen. Hij is vooral een praktisch mens: tijdens het festival maakte hij een trommel en een speer met de twee rechterhanden die hij van zijn vader heeft geërfd.
De werkelijke reden van zijn gelieg is: hij was een nakomertje in een gezin waar ze vaak een grapje maakten over gaatjes in het condoom. Van die humor kreeg Martin geldingsdrang. Daarom kon hij maar moeilijk accepteren dat er bijna niemand gewekt wilde worden door de wekservice die hij op 25-jarige leeftijd begon. Hij bleef in goeie auto's rijden, computers op zijn kantoor installeren en in de kroeg de grote jongen uithangen.
Met het toenemen van de druk van schuldeisers, gingen er in zijn hoofd steeds meer dingen mis. Als daarin bijvoorbeeld een stemmetje zei: Martin, je wint gewoon de staatsloterij, dan rende hij twee dagen later met een lot in zijn hand naar het huis van zijn zus. Een week was iedereen blij en opgelucht. Daarna kwam uit hoe Martin er financieel voorstond, werd de boel vooral praktisch opgelost en ging hij tien jaar lang niet meer in de fout.
Schulden
Tot dus het verrijdbare meubel, het pronkstuk van zijn meubelmakerij. In Keulen stond het ding prominent op een beurs. Een vertegenwoordiger wist zeker dat het ontwerp het zou gaan maken. Het wachten was alleen nog op een distributeur die het op de markt wilde brengen. Maar die distributeur liet niets van zich horen en Martins bedrijfje kwam al een tijdlang 3000 euro per maand tekort. Hij zegt: 'Toen is de bijzettafel in mijn hoofd een eigen leven gaan leiden.'
Hij maakte indrukwekkende berekeningen, die op vrienden en hemzelf heel echt overkwamen. Met het geld dat hij van ze kreeg, betaalde hij zijn openstaande rekeningen en loste hij wat schulden af. Heel af en toe kwam hij even stevig met zijn geweten in conflict. Maar vlak daarna zei hij tegen zichzelf: 'Geen zorgen, de doorbraak is nu echt ophanden.'
Jarenlang wist Martin iedereen van zich af te liegen. Daarna wilden vrienden hun geld terug. Een van die vrienden zei: 'Morgenvroeg kom ik langs en gaan we samen naar jouw bank.' Die dag reed Martin in zijn bestelbusje 'doelloos en verdoofd' door het land.
Thuis werd het steeds drukker. Vrienden zeiden tegen elkaar: 'Hé, krijg jij ook nog zoveel geld van hem?' En toen hij thuiskwam de volgende morgen, en hij de boekhouding op de tafel bekeek, drong pas tot hem door wat hij had aangericht.
Reclassering
Dezer dagen hebben veel mensen een hekel aan Martin en zijn vrouw. Eerst hadden de tien vrienden een groep gevormd en samen een aflossingsregeling getroffen. Maar een halfjaar geleden zag eentje hun zoon in mooie kleren op een nieuw skateboard. Toen hebben er zich vijf van de groep afgesplitst en samen aangifte van oplichting gedaan. In januari zat Martin anderhalve week in de cel. Dat moet zo afschuwelijk zijn geweest, dat hij nu met zekerheid kan zeggen: 'Dit laat ik nooit meer gebeuren.' Nu moet Martin nog tegen de 160.000 euro terugbetalen. Gelukkig verwacht hij met zijn nieuwe baan als meubelmaker een ton per jaar te verdienen, en moet de schuld in een jaar of zes wel zijn ingelost.
Het moeilijkste aan zijn situatie is: hoe moet hij anderen overtuigen dat hij ook slachtoffer is; eentje van zelfgemaakte schijnwereld? Hij kan zeggen: ik heb mijn vrienden niet gemaakt met het plan ze op te lichten. En hij kan zeggen: ik loog in die tijd over alles; welk onderwerp ook ter sprake kwam, ik kon altijd verzonnen details te berde brengen. Maar dit kunnen evengoed leugens zijn.
De hoop is dan ook gevestigd op het psychologisch rapport dat de reclassering heeft gelast. Als de psycholoog daarin zet dat hij lijdt aan pseudologia fantastica, heeft Martin tenminste iets concreets in handen. En zal het met de straf misschien ook wel mee gaan vallen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden