'Ik heb een andere jongen teruggekregen'

Maandag bespreekt de Tweede kamer de schadeclaims van Libanonveteranen. De Volkskrant sprak drie van hen. 'In Nederland de straat oversteken is gevaarlijker, zei Defensie.'

Selwyn Timisela in zijn tijd bij Post Papa, ofwel 'het einde van de wereld'.

Ruim dertig jaar later echoot de missie nog altijd na, de eerste grootschalige vredesmissie waaraan Nederland deelnam. Van 1979 tot 1985 waren 9.084 Unifillers in opdracht van de Verenigde Naties belast met de opdracht Israëliërs en Palestijnen in Zuid-Libanon uit elkaar te houden en de lokale bevolking te beschermen. Negen militairen uit Nederland kwamen daarbij om.

Veteranen kampen met de gevolgen van de deelname. Enkele honderden van hen stellen Defensie nu aansprakelijk voor de opgelopen psychische schade. Bij een aantal van hen is een posttraumatische stressstoornis vastgesteld. Defensie zou destijds onvoldoende nazorg hebben aangeboden.

Ondanks een in 2012 getroffen ereschuldregeling, lopen er nog altijd procedures van veteranen die zich tekort gedaan voelen. Hun zaken worden nu apart beoordeeld. De Tweede Kamer bespreekt maandag de voortgang rond de toekenning van de schadeclaims.

Hoe heftig was het werk dat ze deden? Wat maakte een militair mee tijdens zijn dienst in Libanon en wat daarna? Drie veteranen vertellen hun verhalen.

Sjaak Duine

'Als pelotonscommandant heb ik in 1977 de ontknoping van de treinkaping bij De Punt meegemaakt. Ik heb toen gezien wat extreme omstandigheden die met veel geweld gepaard gaan, met je kunnen doen. De een raakt in paniek, de ander houdt het hoofd koel. Je kunt zeggen dat ik jeugdig nieuwsgierig was naar zulke situaties. Toen zich de kans voordeed om naar Libanon te gaan, heb ik me meteen aangemeld.

'Voordat ik zelf ging, heb ik nog soldaten opgeleid. Jonge jongens, sommigen waren nog maar 17, dienstplichtigen vooral. Ik moet zeggen: de beroepsmilitairen die gingen, vormden niet altijd het puikje van de krijgsmacht. Er werd alleen gekeken naar wie er beschikbaar was. Ik was stomverbaasd dat ik meteen kapitein en compagniescommandant werd, ik kreeg zomaar 150 man onder me.

VN-missies met Nederland na 1980

MFO 1982-1995 2622 militairen, Sinaï.
UNPROFOR 1992-1995, 9753 militairen, voormalig Joegoslavië.
UNAMIC/UNTAC 1992-1993, 2616 militairen, Cambodja.
IFOR 1995-1996, 5074 militairen, voormalig Joegoslavië.
SFOR 1996-2004, 22660 militairen, voormalig Joegoslavië.
KFOR 1999-2000, 5140 militairen, Kosovo.
UNMEE 2000-2001, 1380 militairen, Ethiopië, Eritrea, Djibouti.
MINUSMA 2013-heden, Mali.

'De aankomst in Beiroet maakte diepe indruk. Je liep tussen kapotgeschoten vliegtuigen en auto's door, overal smeulden vuilnisbelten, het stonk verschrikkelijk. Op weg naar het zuiden werd je aangestaard door grimmige gezichten. Later, toen Defensie moeite had voldoende manschappen te werven, zijn in de werving strand- en surffoto's gebruikt. Dat stond erg ver af van de werkelijkheid.

'We zaten in Ya'tar. Naar het noorden keken we uit op de IJzeren Driehoek, waar Palestijnen zaten en waar de blauwhelmen niet mochten komen. Het was rotsachtig terrein, doorsneden door wadi's, uitgesleten rivierbeddingen. We zagen ook Israël liggen, en de Middellandse Zee.

'Overdag was het vooral waarnemen. Zelf ging ik nogal eens theedrinken in de dorpen waar Libanezen woonden. Ik zocht contact met de clanoudsten: oude, machtige baasjes. Zij wilden me in ruil voor bescherming wel eens wat vertellen over op handen zijnde acties. Het was ook gut feeling. Als het 's middags heel stil was op straat, wist je dat er iets stond te gebeuren.

'Patrouille liepen we vooral 's nachts. We hebben infiltratie pogingen verijdeld en wapens onderschept, vooral pistolen en handgranaten. Ik geloof echt dat we rust hebben gebracht in het gebied. Er is wel een keer een Katjoesja-raket vanuit ons gebied afgevuurd op Israël, maar we konden nu eenmaal niet overal tegelijk zijn. Het gebied was veel te groot.

'Extreme situaties waren er wel, ja. Een schijnexecutie was het heftigste. Bij een roadblock was een Peugeot aangehouden met vier Palestijnen. Iemand van ons zag een touwtje aan de bumper hangen. Toen hij eraan trok, ging onder de auto een klep open en vielen er kalasjnikovs, magazijnen en handgranaten op de grond. Op dat moment zette de leider van de Palestijnen een pistool tegen het hoofd van onze sergeant. Ik werd erbij geroepen. De situatie werd nog explosiever toen er een auto verscheen met Maronieten, christelijke Syriërs. Iedereen was in paniek. Ik kon met de leider van de Palestijnen afspreken dat we met hen terug zouden gaan naar de IJzeren Driehoek. Vanuit het hoofdkwartier kwam het bevel de Palestijnen toch te overmeesteren. Dat heb ik genegeerd - dan zouden er zeker doden en gewonden zijn gevallen. De Palestijn hield onderweg naar de Driehoek steeds een uzi tegen mijn oorlel aan. Vlak bij het gebied, kreeg ik het voor elkaar dat mijn manschappen konden achterblijven, zo hoefde ik tenminste alleen maar op mezelf te letten.

'Na de eerste bocht, buiten het zicht van Unifil, moest ik stoppen en de bosjes in lopen. Drie Palestijnen liepen met me mee. Ik moest halt houden. Alle drie richtten ze hun kalasjnikovs op me. Het gekke was dat ik alleen maar dacht: oké, het is voorbij. Er was vooral leegte. Berusting. Ik snap nu waarom Joden niet wegliepen tijdens massa- executies door de nazi's en dat slachtoffers van IS gewoon blijven zitten totdat de beulen hun werk doen. Maar na nog geen vijf minuten, begonnen de Palestijnen te lachen. Ze gebaarden dat ik naar mijn jeep kon. Ik ben plankgas terug gereden. Achteraf begreep ik het doel van de actie: in de tussentijd was mijn voertuig leeggeroofd, wapens, kaarten, alles was weg.

Gepensioneerd militair Sjaak Duine (62) was in Libanon van september 1980 tot april 1981.

'Afreageren deed ik pas twee dagen later. Twee marechaussees kwamen langs. Waarom ik die order had genegeerd? Waar mijn wapens waren? Ik was pissig, teleurgesteld. Men was kennelijk niet geïnteresseerd in wat ik had meegemaakt. In een kamertje lag een sportpistool, .22, klein kaliber. Wat er stond, heb ik kapotgeschoten. Een vaas, een stoel, een tafel. Er stond een sergeant-majoor bij, die had gezien wat er was gebeurd. Hij moedigde me aan: kijk, Israëliërs! Vuur! Daar, een Palestijn op een ezel! Schieten! Je hebt alleen de ezel geraakt, man. Hoger mikken! Het heeft anderhalf uur geduurd. Mijn soldaten kwamen telkens aanvullende munitie brengen. Daarna was ik het kwijt.

'Ik heb tegenover een Palestijnse jongen gestaan, in het donker op een begraafplaats, ik schat dat hij 13 was, misschien 14. Hij had een bomgordel om. Een patrouille van ons had hem tegengehouden. Ik had geen idee wat ik moest doen. Ik handelde maar zoals ik had gezien in een toen heel populaire politieserie, Hill Street Blues. Ik deed net als de onderhandelaar op tv mijn jasje uit en liet zien dat ik geen wapen had. Ik vroeg ook hoe het met zijn moeder was en of hij broers en zusjes had. Ik zag hoe hij trilde en zweette, hoe hij zijn hand bij de treklont hield, maar ik was niet bezig met mijn leven of dat van hem. Ik was alleen maar bezig een gesprek gaande te houden. Ik had een tolk, die lag achter een grafzerk. Uiteindelijk kwam er iemand van de PLO bij. Op zijn aandringen heeft de jongen het bomvest afgedaan. Nee, ik heb geen idee hoe het met hem is afgelopen.

Kadaverdiscipline

Selwyn Timisela: 'Als ik terugkijk, was ik geen vader. Ik was een leider, een militair op patrouille. Ik eiste kadaverdiscipline. Er mocht niks misgaan. Natuurlijk ging het mis. Ik ben twee keer gescheiden. Mijn oudste zoon is gestorven in een politiecel aan een hartstilstand; hij was die dag, mijn verjaardag, in een psychose beland. Ik voel me er verantwoordelijk voor. Toen ik te horen kreeg dat ik PTSS had, besefte ik dat mijn gedrag ook hem moet hebben beïnvloed.'

'Vredeshandhaving is ter plekke soms oorlogvoeren. Af en toe moet je de regels van de VN aan je laars lappen. Na dat incident bij het roadblock hebben we, heel democratisch, besloten voortaan in strijd met de instructies toch te fouilleren. We mochten wel wapens in beslag nemen, maar de regels, hoe bizar ook, schreven voor dat die teruggingen. We maakten ze wel onklaar: we reden er overheen met onze pantserwagens.

'Wat natuurlijk ook niet mocht: schieten op de Israëliërs. Maar we waren het zo beu. Ze hadden overal lak aan, negeerden wegversperringen of namen ons onder vuur. Het was treiteren. De kogels vlogen telkens enkele meters boven onze hoofden. Dat is niet veel als je vanaf twee of drie kilometer schiet. Ik heb lichtgranaten dichtbij ze laten ontploffen, in de grond. Dat is niet gevaarlijk, maar het geeft een enorme knal. Ik heb gezien hoe ze drie dagen achtereen een vluchtelingenkamp bestookten, als reactie op de Katjoesja-raket. Die had alleen een groentekas beschadigd. Ik begon de PLO beter te snappen.

Sjaak Duine in zijn tijd als kapitein en compagniescommandant van de Unifil.

'De missie is onderschat. Het werd door de achterblijvers, wat gechargeerd, als een vakantie gezien. Lekker weer, beetje wachtlopen, klaar. Een commandant begroette me bij mijn terug keer als volgt: zo smerige cowboy. Nu ben je weer terug in het echte leger. Eén fout en ik schop je eruit. Niemand vroeg hoe het was geweest. Geen evaluatie, niets. Dat gaat nu anders.

'Ik had Libanon toch niet willen missen, ik heb er veel geleerd. Ik heb geen last gehad van mijn ervaringen. Ik ben bijna mijn zoon verloren, mijn vrouw is overleden aan kanker - zoiets hakt er veel meer in. Ik heb nog veel contact met andere veteranen. De aandacht neemt weer toe; velen zijn intussen vijftigers, hun kinderen gaan vragen stellen, er is meer tijd om na te denken. Ik denk dat 2 tot 3 procent echt ernstige moeilijkheden heeft. De gebeurtenissen in Libanon triggerden soms onderhuidse problemen. Ik proef onder veteranen geregeld verbazing over toegekende schadevergoedingen. Ze denken: ik heb hetzelfde meegemaakt als hij. En dan zien ze die ander voorbij rijden op een splinternieuwe Harley-Davidson. Dat steekt soms.'

Paul van der Smitte

'Ik was KVV-er, kortverband-vrijwilliger: dan tekende je een vierjarig contract bij het leger. Toen het verzoek kwam om naar Libanon te gaan, aarzelde ik niet. Ik zocht avontuur en ook het idee dat het een vredesmissie was, sprak me wel aan. Goed doen, dat wilde ik wel.

'Wij kwamen aan in november 1982, niet lang nadat Israël zich niets had aangetrokken van de blauwhelmen en tot Beiroet was opgerukt. We waren de eerste Nederlanders die in Beiroet landden nadat falangisten een bloedbad hadden aangericht onder de Palestijnen in de kampen Sabra en Shatila. Het was nogal sinister. We reden langs de kust naar beneden en overal waar we stopten, kwamen bedelende kinderen op de auto's af. Bij het hoofdkwartier van Unifil in Haris, proefde ik maar weinig frustratie over het optreden van Israël. Die frustratie moet, denk ik, meer hebben gezeten bij de jongens op de posten in het gebied.

'De omstandigheden waren bizar: op vredesmissie in een door Israël bezet land. Veel avontuur was er niet, behalve dat je ver van huis zat. Ik was WZZ-sergeant, welzijnszorg. Ik beheerde een winkeltje met attributen als T-shirts, speldjes, fotocamera's, videobanden en drank, en ik verdeelde de post. Er trad snel een zekere sleur op. Voorraden op peil houden, inkopen doen. Soms maakte ik foto's. Meestal van medaille-uitreikingen, maar ook een keer van een uitvaart op de luchthaven. Dat was heel indruk wekkend: die eenzame kist, al die vlaggen van de bataljons en dan The Last Post. 's Avonds verzorgde ik vaak uitzendingen van Radio Dutchbat met boodschappen van familieleden aan de manschappen in het veld. Eens per maand ging ik met een voertuig vol spullen uit de winkel de posten langs. Dat betekende wat afleiding.

'We konden verder niet zoveel doen. Er was een medische hulppost, we deden wat reparatieklussen aan wegen. Het kwam erop neer dat je nauwelijks meer deed dan aanwezig zijn.

'Het stoort me nu wel dat er zoveel aandacht is voor de PTSS'ers. Begrijp me goed, ik wil niks afdoen aan wat ze is overkomen. Maar het is nu alsof iedereen die in Libanon is geweest PTSS heeft opgelopen. Dat is dus niet zo. Ik loop elk jaar met een groep veteranen de Vierdaagse, daar zitten ook PTSS'ers tussen. Kameraden onder elkaar. Maar PTSS is een lastig onderwerp. Wie twijfels uit, kan snel van alles over zich heen krijgen. Ik vermoed dat er veteranen zijn die nu doen alsof ze het hebben en een claim indienen. De beoordeling laat ik graag aan de specialisten over. De echte PTSS'ers gun ik genoegdoening. Behalve een mooie levenservaring heb ik er niets aan overgehouden, dat is me meer waard dan welk bedrag dan ook.'

Paul van der Smitte als welzijnszorgsergeant bij het hoofdkwartier in Haris.

Selwyn Timisela

'Ik was als dienstplichtige gelegerd in Zuidlaren, toen de vraag kwam of we naar Libanon wilden. Het was eigenlijk geen vraag, het was vanzelfsprekend dat we gingen. De Alfa-compagnie was toen al een hechte club. Er zaten veel Groningers en Friezen bij. Ze keken even raar op toen er een Molukker binnenkwam - de kaping bij De Punt was niet zo lang geleden. Maar met wat humor en branie redde ik me wel. Ik luisterde ook naar mijn ouders, die vonden dat ik moest gaan. Je moet trouw zijn, loyaal. Over de risico's kwamen we weinig te weten. Hier de straat oversteken is gevaarlijker, zei Defensie.

'Na aankomst reden we in Franse voertuigen langs Palestijnse vluchtelingenkampen. We werden onthaald met een regen van stenen: welkom in Libanon. Bij aankomst op post 7.20, Post Papa, hoorden we dat de christelijke militie van Haddad, die de steun had van Israël, al had gedreigd met een mortieraanval. Onze kapitein reageerde meteen met gespierde taal: dat we dubbel zo hard zouden terugslaan. Dit was niet zomaar een eenheid.

'Post Papa was een van de gevaarlijkste plekken in Zuid-Libanon. Het einde van de wereld, was de bijnaam. Alles en iedereen schoot op elkaar. Palestijnen, de club van Haddad, Israëliërs, Hezbollah. We schoten zelf ook terug. Officieel mocht dat pas als de kogels minder dan een meter van je insloegen. Ik zei: als je het alleen maar hóórt, mag je je gang gaan. Wat het zo zwaar maakte, was dat je constant gespannen was. Je hersenen blijven maar doormalen. Je vertrouwde de boel al niet als er twee mannen Arabisch met elkaar spraken. Ik was plaatsvervangend commandant en als we de bergen ingingen liep ik altijd achteraan. Dat was, zoals wij het noemden, het bange mannetje. Je was een makkelijk doelwit, je had geen rugdekking.

'Vlak voordat we naar Nederland terugkeerden, kwam het bericht dat me echt brak. Philip de Koning was gesneuveld, hij was met een drietonner op een mijn gereden. Hij was 21 en had een relatie met mijn zus, we zouden samen reizen. Ik zie nog die vlaggen halfstok, op alle posten.

'Thuis merkte ik eerst aan kleine dingen dat ik niet meer de oude was. Ik voer uit tegen een voetganger die het rode licht negeerde. Ik gooide een steeksleutel naar een collega op de drukkerij waar ik werkte. Hij produceerde een drumroffeltje met twee andere steeksleutels, ik dacht dat er een mitrailleur afging.

'Ik kreeg intussen een gezin, met vier kinderen; de eerste overleed kort na zijn geboorte. Als ik nu terugkijk, was ik geen vader. Ik was een leider, een militair op patrouille. Ik eiste kadaverdiscipline. Er mocht niks misgaan, ik was alleen maar aan het anticiperen. Natuurlijk ging het mis. Ik ben twee keer gescheiden. Mijn oudste zoon is gestorven in een politiecel aan een hartstilstand; hij was die dag, mijn verjaardag, in een psychose beland. Ik voel me er verantwoordelijk voor. Toen ik te horen kreeg dat ik PTSS had, besefte ik dat mijn gedrag ook hem moet hebben beïnvloed. Mijn andere kinderen hebben me lang ontlopen.

Selwyn Timisela (57), opgeleid als graficus, arbeidsongeschikt. In Libanon van juni tot november 1979.

'Ik begon na terugkeer met tussenpozen te snoepen, op zoek naar rust in mijn hoofd. Coke, heroïne. Ik deed gekke dingen, man. Ik ben langs de flat waar mijn ex woonde aan de buitenkant omhoog geklommen, tien verdiepingen, om de deur in te trappen. Ik hoorde mijn moeder een keer tegen een vriendin zeggen: ik heb een andere jongen teruggekregen. Ik heb onbedaarlijk gejankt. Ik was vroeger altijd vrolijk, ik was degene die grappen maakte. Nu zeiden ze: je hebt geen uitdrukking meer in je gezicht. Je mimiek is weg.

'Ik heb een traject langs verschillende verslavingsklinieken achter de rug. Er is vastgesteld dat ik ook ADHD heb, dat is een funeste combinatie. Ik ben er nog niet vanaf: ik ben doodmoe, mijn spieren, mijn botten, alles doet pijn.

'Nu zeg ik zonder scrupules: waar ik recht op heb, kom ik halen en ook waar ik geen recht op heb. Defensie heeft nooit achterstallig onderhoud gepleegd. Ik ben ter compensatie wel 25 procent invalide verklaard, maar dat staat in geen verhouding tot wat ik heb misgelopen. Nu melden veteranen met een baan, een gezin en een koopwoning zich voor een schadevergoeding. Dan denk ik al snel: jij mankeert niets.

'Ik vertel nu op scholen en in kerken over mijn ervaringen. Ik zeg je: ik zou zo weer gaan. VN-vredesmachten kregen in 1988 niet voor niets de Nobelprijs voor de Vrede. Uit handen van premier Balkenende ontving ik het draaginsigne voor Veteranen. Ik zie nog de dankbare gezichtjes van de Libanese kinderen voor me. Daar heb ik het voor gedaan.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden