'Ik heb een afkeer van Engelse literatuur'

Hij begon zijn schrijversbestaan in 1992 met Pitch Forever (Voetbalkoorts), het verhaal van zijn eigen voetbalgekte. Sindsdien maakte Nick Hornby een duidelijke ontwikkeling door met romans over liefdesrelaties en ouderschap....

Nick Hornby (46) is een lucky bastard. Hij combineert het beste van twee werelden. Hij behoort tot de populairste auteurs van zijn generatie en is, mede dankzij de verfilming van alledrie zijn romans, rijk geworden van de pen. De literaire kritiek neemt hem serieus, in de regel krijgt hij positieve recensies. Wanneer dat een keer niet het geval is, lijken al snel andere dan literaire motieven, zoals jaloezie, in het geding te zijn.

Het succes heeft Hornby tot een drukbezet man gemaakt. Maar vorige week was hij zowaar een halve dag in Nederland. De voorlaatste keer was voor Engelands grootste Dennis Bergkamp-fan alweer negen jaar geleden. Hij had toen welgeteld één boek op zijn naam staan: Pitch Fever (1992, Voetbalkoorts), het verhaal van zijn eigen voetbalgekte.

'Ik ben er altijd van uitgegaan dat ik ooit een boek zou schrijven, zoals ik ook altijd heb geweten dat ik een keer zou stoppen met roken', vertelt Hornby, terwijl hij de as van zijn derde Silk Cut tikt. Met een lichte grijns vervolgt hij: 'Maar op de een of andere manier kwam het er niet van. Toen ineens, op een nacht, kreeg ik zo'n briljant idee, dat ik van opwinding niet kon slapen. Min of meer van de ene dag op de andere gaf ik mijn baan als leraar eraan en ging schrijven. Dat project leidde vervolgens tot niets, maar ik was in elk geval begonnen. Ik hield mijzelf in leven met bijles geven en het corrigeren van drukproeven; als leraar was ik toch al een laag inkomen gewend.'

Omdat hij bij zijn pogingen om proza te schrijven merkte dat hij telkens verviel in de droge essaystijl die hij tijdens zijn studie Engels aan de universiteit had aangeleerd, probeerde Hornby zich toe te leggen op het vervaardigen van televisiescripts. Daar kwam uiteindelijk weinig van terecht, niet in de laatste plaats doordat hij geen idee had waaraan een televisiescript eigenlijk diende te voldoen. Maar het leerde hem wel afstand te nemen van zijn academische schrijfstijl: 'Ik denk dat ik er een tijdje voor nodig had om me te realiseren dat ik best mocht schrijven over alledaagse zaken als voetbal en muziek. Toen ik het idee kreeg voor Pitch Fever, was dat ontzettend bevrijdend.'

In Hornby's werk valt een duidelijke ontwikkeling te signaleren. Pitch Fever, een non-fictieboek, ging over een man die volwassen leert te worden, High Fidelity (1995, High fidelity) over een man en zijn liefdesrelaties, en About a Boy (1998, Een jongen) over een man, zijn liefdesrelaties en de verantwoordelijkheden van het ouderschap.

In How to Be Good? komen al die elementen terug, maar wordt daarnaast een veel breder moreel probleem aangesneden, terwijl Hornby bovendien heeft gekozen voor een vrouwelijke hoofdpersoon.

Hornby: 'Het was voor mij een logisch proces. Elk boek was als een volgende halte aan de spoorlijn. Ze hebben stuk voor stuk rechtstreeks te maken met de stadia die mijn eigen leven doorloopt. Anders dan Pitch Fever zijn mijn romans overigens niet autobiografisch, maar ze handelen wel over onderwerpen die mij de jaren die aan het schrijven ervan voorafgingen, bezighielden. Natuurlijk, al mijn boeken zijn gesitueerd in Noord-Londen, waar ik woon. Maar dat is omdat me dat handig uitkomt. Mijn boeken zouden in elke grote West-Europese of Noord-Amerikaanse stad kunnen spelen. Het is gewoon een kwestie van andere straatnamen, maar waarom zou ik dat doen? Ik zou het geforceerd vinden.'

Hornby is, kortom, een auteur die zijn materiaal letterlijk en figuurlijk in zijn onmiddellijke omgeving aantreft. Zijn meest recente roman, How to Be Good? (2001, Hoe word je een goed mens?), is voor een deel uitzondering op die regel. Dit boek schreef hij niet alleen om inzichten te verwerken, maar ook om inzicht te verwerven. De directe aanleiding, zal Hornby pas tegen het einde van het gesprek vertellen, was de opvoeding van zijn inmiddels tienjarige zoontje Danny, die autistisch is. Danny woont drie dagen per week bij Hornby en vier dagen bij zijn moeder (het paar is gescheiden). Hij zit op een speciale school, TreeHouse, die kan bestaan dankzij donaties, met Hornby zelf als belangrijkste donateur.

'Dankzij mijn boek- en filminkomsten ben ik in staat behoorlijke schenkingen te doen', vertelt hij. 'Dat heeft mij toen aan het denken gezet: wat kun je als welgestelde westerling redelijkerwijs doen om het leven voor minder bedeelden beter te maken? Wat zijn je morele verplichtingen op dat gebied, met name voor iemand als ik, die meer verdient dan hij kan uitgeven? How to Be Good? is een poging op die vraag een antwoord te geven. Hoe ver moet je gaan? Daarnaast is het boek een poging de vele moeilijke en soms ook naargeestige ervaringen te verwerken, die het vader-zijn van een autistisch kind met zich meebrengt. Ja, Danny heeft de aard van mijn schrijverschap veranderd, zoals hij mijn leven heeft veranderd. Ik zou vandaag de dag geen Pitch Fever meer kunnen schrijven.'

Hornby omschrijft zijn werk als social comedy: boeken waarin zowel plaats is voor verdriet als voor humor. Hoewel de Britse letteren op dat gebied een traditie hebben, blijkt het toch telkens een zekere moed te vergen om je op dat genre te werpen. Want hoe meer humor, hoe kleiner de kans dat je als schrijver serieus wordt genomen. Hornby: 'Toen ik begon te schrijven, was ik te naïef om het me te realiseren, maar achteraf gezien heb ik ontzettend geluk gehad dat mijn boeken überhaupt door de kranten werden opgemerkt. Nu weet ik dat een boek zonder grappen veel meer kans maakt te worden gerecenseerd en voorgedragen voor een literaire prijs.'

Over literaire prijzen gesproken: op dat gebied is Hornby nog niet buitengewoon rijk bedeeld. Wordt zijn werk daarvoor wellicht toch een slag te luchthartig gevonden? De schrijver twijfelt. 'Het zou kunnen, maar in 2001 belandde ik zomaar op de longlist voor de Booker Prize met How to Be Good?. Een van mijn grote supporters was toen Philip Hensher, zelf toch een zeer serieus literator. Hij wilde mij op de shortlist hebben, maar een feministisch jurylid, wier naam ik niet zal onthullen, dreigde in dat geval op te stappen, dus ging het feest niet door (het jurylid in kwestie was schrijfster Michèle Roberts, hb). Achteraf vind ik dat wel een goede zaak. Er zijn auteurs die de publiciteit veel beter kunnen gebruiken.'

Door de jaren heen heeft Hornby zijn fascinatie voor Amerika, en zijn voorkeur voor de Nieuwe Wereld boven het Oude Engeland, nooit onder stoelen of banken gestoken. In zijn zojuist verschenen bundel 'muziekopstellen' 31 Songs (Atlas; euro 15,-) - die is bedoeld om geld bijeen te brengen voor TreeHouse en een alfabetiseringsprogramma van Hornby's vriend, de Amerikaanse schrijver Dave Eggers - beschrijft hij zijn afkeer van het gedemoraliseerde, door stakingen geteisterde Engeland van medio jaren zeventig.

Een citaat: 'Ik was zestien en woonde in een land dat, als ik er nu op terugkijk, eerder leek te streven naar de sfeer en de voorzieningen van het communistische Polen dan naar die van New York. Een reeks van stakingen had tot een reeks van stroomstoringen geleid, wat inhield dat de avonden regelmatig met het eten van boterhammen en lezen bij kaarslicht werden doorgebracht. Ons eten stond erom bekend dat het vreselijk was (zelfs ons junkfood was inferieur junkfood), en er was nergens iets te bekennen wat later openbleef dan elf uur 's avonds. Winkels waren op zondag gesloten. Het duurde een halfjaar tot een jaar voordat Amerikaanse films kruipend hun weg naar Britse bioscopen wisten te vinden, en we hadden zelf geen echte filmindustrie. We hadden een driedaagse werkweek. De oorlog lag al dertig jaar achter ons, maar er leek geen enkele reden te zijn waarom we niet toch gewoon de nacht in metrostations konden doorbrengen - dan zouden we in elk geval iets hebben gehad om naar uit te kijken.'

Hornby: 'In mijn jeugd leken de beste dingen altijd uit Amerika te komen, of het nu om speelgoed of televisieprogramma's ging. Amerika leek een echte sciencefiction-wereld, een land van overvloed. Later is daar voor mij vooral de Amerikaanse literatuur bij gekomen. Van het grootste deel van wat er in Engeland aan literatuur wordt geproduceerd, heb ik een grondige afkeer. Met de hedendaagse Amerikaanse schrijvers voel ik veel meer verwantschap. Zij hebben het vermogen om eenvoudig te schrijven, zijn niet bang voor grappen en proberen niet krampachtig literair te zijn. Anne Tyler is wat dat betreft mijn literaire voorbeeld. Toen ik een boek als Dinner at the Homesick Restaurant las, vielen mij echt de schellen van de ogen. Zo kon literatuur dus ook zijn! Dankzij Tyler heb ik mijn eigen stem kunnen vinden.'

Wat Hornby betreft schort het de Engelse letteren aan ambitie en humor. 'Waar zijn de Engelse equivalenten van The Corrections van Jonathan Franzen en The Amazing Adventures of Kavalier and Clay van Michael Chabon? Dat zijn geweldige boeken! Bij ons is het allemaal veel kleinschaliger, beperkter. Alleen Zadie Smith komt in de buurt. Om de een of andere reden hebben Engelse schrijvers er aardigheid in zichzelf in een getto te plaatsen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden