'Ik heb dat toch wel heel erg nodig, een beetje extra aandacht'

Met Pim Fortuyn had het Rotterdamse gemeenteraadslid Marco Pastors (44) een betere band dan met zijn eigen vader. Maar niet alleen daarom ziet hij het als zijn opdracht in diens voetsporen te treden....

Hij is net terug uit Provesano, waar Pim Fortuyn alweer acht jaar in de Italiaanse aarde ligt. Altijd ziet Marco Pastors nieuwe cadeautjes, briefjes, bloemen en frutseltjes van Nederlanders op het graf, zorgvuldig verpakt in plastic. Terwijl sommigen in de top van de maatschappij liefst nooit meer aan hem denken – ‘Dat weet ik zeker’ – blijven de mensen komen, ‘voor Pim’.

Ja, dat doet hem goed.

Marco Pastors, in maart opnieuw lijsttrekker voor Leefbaar Rotterdam, zoals Pim Fortuyn dat in 2002 was: ‘Ik ben ervan overtuigd dat deze periode de geschiedenis zal ingaan als het tijdperk Fortuyn en niet als het tijdperk Balkenende.’ Achteloos: ‘Die man is meer een pauzenummer. Wachten tot het voorbij is en de storing is opgelost.’

Aan het einde van het gesprek loopt Pastors mee naar beneden over de marmeren vloeren de met rood velours beklede trap af. ‘Pim’, zegt hij. Nog veel Pim zit er in het huis dat Pastors in 1998 overnam van zijn leermeester, die zelf verhuisde naar zijn Palazzo di Pietro. Pastors laat een wandschildering zien, een verlicht vlak met blauw, rood en gelig groen. ‘Je mag hier overheen schilderen’, zei Fortuyn,’maar alleen met verf die er later weer af kan.’ Hoefde niet, antwoordde Pastors, die schildering stelde toch niks concreets voor. ‘Nou, dat is niet zo’, legde Fortuyn hem uit. ‘Die blauwe figuur is een spreker, dat ben ik, het geel is een menigte en die rode bliksemschicht geeft aan dat er iets groots gebeurt.’

Pastors wijst naar de linkerhoek, onder in het vlak. De handtekening van de schilder, met de datum waarop Fortuyn dit zelfportret liet maken: 1990. ‘Ongelooflijk.’

Hij heeft u erg gevormd. ‘Ja. Dat kwam ook doordat er nog veel te vormen was. En hij zag dat ik ergens naar op zoek was.’ Nadenkend: ‘Ik kon goed leren. Als kind dacht ik al: als je zo bijzonder goed kunt leren, moet je later ook iets bijzonders gaan doen.’

Wat stelde u zich voor bij bijzonder? ‘Dat was de grote vraag. Dokter, architect, niet één vak trok me. Ik had me nog nooit ergens écht druk over gemaakt. Laat ik maar bedrijfseconomie gaan doen, besloot ik, dan kan ik later nog alle kanten op. Ik wist wel dat ik geen vak wilde doen waarbij ik een van de tienduizend was met hetzelfde vak.’ Verlegen glimlach: ‘Ik dacht: het zou toch zonde zijn als ik werd zoals alle anderen.’

En toen ontmoette u Pim Fortuyn, die graag de vaderrol op zich nam. ‘Het bijzondere dat ik bij mezelf nog niet had gevonden, zag hij wel. Een soort openheid, open staan voor nieuwe dingen. Hij zag mij als een zoon. Ik kreeg een keer een mooi boekje van hem, over grootvaders, vaders, zonen. Daar krabbelde hij dat in.’

Terwijl u met uw eigen vader een moeizame verhouding hebt. Terughoudend: ‘Ja.’

Pim Fortuyn opende de wereld voor u, de verlegen jongen. ‘Het is erg prettig dat ik niet meer zo verlegen ben. Dat heb ik ook aan hem te danken. Ik loop nooit meer een receptie binnen terwijl ik denk: Jezus, niemand die ik ken. Ik stap tegenwoordig vrolijk binnen. Altijd komt er wel iemand op me af.

‘Pim zei dingen waarvan ik dacht: dat kun je niet zeggen, dat gaat fout, dat lukt toch niet. Maar hij deed het wel. En er gebeurde wat.’

En degene die de wereld voor u opende werd vermoord. ‘Het is bijna, hoe zeg je dat, mythisch.’

Hoe bedoelt u? ‘Ik dacht, toen hij me vroeg als wethouder voor Leefbaar Rotterdam: ik ga hem helpen. Kan hij mooi op tafel staan en alles uitleggen en ga ik hard achter hem aan het werk. En in één keer is daar het noodlot en is hij weg. Je kijkt voor je en er staat niemand meer. Dat is raar, hoor: je wilt iets bijzonders gaan doen met je leven en de man voor wie je het doet, met wie je het doet, wordt doodgeschoten. Ik kon niet zeggen: ‘Dat was het, nu ga ik ander werk zoeken.’ Dat was onbestaanbaar.’

Het is uw opdracht het werk van Pim Fortuyn af te maken? ‘Dat is mijn opdracht, ja. Bij mij gaat het ook helemaal vanzelf. Meer dan bij de andere prominente leden van Leefbaar Rotterdam – die zien dat ook. Zij hebben voor mij een stapje opzij gedaan.’

Hij woont met zijn vriendin Ingeborg in een buurt die oud-minister Ella Vogelaar tot ‘prachtwijk’ bestempelde, de achterstandswijk Hillesluis, in Rotterdam-Zuid. Hartje multiculturele samenleving. Zijn herenhuis staat in een rijtje andere koophuizen; een eiland, omringd door sociale woningbouw. ‘Tegen iedereen die beweert dat het wel losloopt in zo’n buurt zou ik willen zeggen: kom hier eens op zaterdag boodschappen doen en stel je voor dat dit jouw wijk is, waar jij met je kinderen woont.’

Heeft u contact met allochtonen in de buurt? ‘Nauwelijks. Met een paar Marokkaanse en Turkse winkeliers. Die stemmen ook op Leefbaar Rotterdam. Zij hebben ook allemaal last van gastjes die met hele stapels geld binnenkomen en dan nog menen dat ze spullen in hun zakken moeten steken.

‘Al die onzin die wordt beweerd door die wijkgeleerden. Over het kleurrijke leven in zo’n wijk en exotische winkeltjes: bullshit. Die mensen leiden een sober bestaan. Ze eten zo goedkoop mogelijk: allemaal blikken prut en zakken rijst. Voor die ingewikkelde kruiden en vruchtjes moet je naar het centrum.

Van voorjaar 2002 tot eind 2005 maakte Pastors zich als Rotterdams wethouder sterk voor een strenger vestigingsbeleid, voor de bouw van huizen voor de middengroepen, voor herstel van het sociale evenwicht in een stad waar 47 procent van de bewoners in een probleemgebied woont.

‘De beste wethouder van volkshuisvesting van na de oorlog’ noemde de Rotterdamse CDA’er Leonard Geluk hem. Pastors onomwonden uitlatingen over moslims en de islam werden minder gewaardeerd. Nadat hij had gezegd dat moslims hun religie vaak gebruiken als reden voor hun (wan)gedrag, kon hij vertrekken. Sinds 2006 zit Leefbaar Rotterdam met veertien zetels in de oppositie. Raadslid Pastors hoopt vurig opnieuw wethouder te worden, komend jaar. Van financiën en integratie, ditmaal.

U wordt vaak op een lijn gesteld met Geert Wilders. ‘Pim zat ook in die hoek, hè; het is met hem begonnen. En Leefbaar Rotterdam is natuurlijk de partij van Pim. Wij praten hardop over de problemen met immigratie en integratie. Zodra je erover begint komen tegenstanders niet met argumenten, waarom het goed is dat allochtonen zich in onze maatschappij onvoldoende ontwikkelen. Ze zeggen: ‘Aha, ze hebben een hekel aan buitenlanders.’’

Het is nogal wat, als je een racist wordt genoemd. ‘Het is onterecht en onder de gordel, dus het raakt me. Maar het wordt ook steeds minder erg.’

Want het begrip is aan inflatie onderhevig? ‘Ja. Als het dertig jaar geleden tegen me was gezegd, had ik gedacht: wat overkomt me nu? Maar tegenwoordig Ik zat een keer in een debat over de toetreding van Turkije tot de EU, op de Erasmus Universiteit. In de zaal zaten veel Turkse studenten. Mijn verhaal kwam wel aan, in die zaal. PvdA’er Frans Timmermans was er ook bij, nu staatssecretaris, nota bene. ‘Meneer Pastors kan het u wel allemaal zo vertellen’, zat hij zo met zijn vinger naar me te wijzen, ‘maar u moet zich niet voor de gek laten houden, hoor. Hij is gewoon tegen buitenlanders.’ Toen begonnen zelfs Turkse studenten boe te roepen.’

Wat is het verschil tussen u en Wilders? ‘Ik ben minder meedogenloos. Hij gaat maar door. Richting moslims, richting andere onderwerpen. Nou ja, vooral richting moslims. We zijn sowieso verschillende typen mens. Als het effe kan, zeg ik: ‘Prima, gaan we zo doen.’ Wilders zegt, als het effe kan: ‘Knettergek.’ Hij zoekt naar verschillen, ik naar overeenkomsten. Wilders is veel meer politicus dan ik.’

Hij is altijd rationeel geweest, zegt Pastors, analytisch van aard. Als kind al. Toen het begon te wringen tussen zijn vader, adjunct-directeur bij een bank, en zijn moeder, een huisvrouw, trok hij zich terug. ‘Ik vond het niet iets om veel energie in te steken. Het moet andersom zijn. Ouders moeten energie steken in hun kinderen.’

Zo redeneer je niet als kind. ‘Toch: ik kon dat zo analyseren.’ Dan: ‘Ik benader mijn gevoelens met mijn hersens. Ik vind het zo’n opluchting om te achterhalen waar het precies vandaan komt als ik ergens van baal. Dan kan ik denken: ik zit wel met die opmerking van die man, maar dat kan hij nooit zo hebben bedoeld. Dan bel ik, luister ik, en is het over. Eerst moet ik in mijn hoofd de boel weer op een rijtje hebben; dan voel ik me prettig. Ik hak iets in mootjes. Daarom ben ik als adviseur en bestuurder ook goed op mijn plek.’

U noemde tijdens het raadsdebat over de strandrel bij Hoek van Holland Aboutaleb de ‘eerste moslimburgemeester van Europa’. Dat kwam toch niet erg rationeel over. ‘Aboutaleb luisterde niet. Hij bleef maar volhouden: ik heb gelijk, ik heb niks fout gedaan. Met dat bord voor zijn kop. Ik dacht: hoe kan ik de aandacht krijgen van die eigenwijs, die meent te moeten doen of er niks aan de hand is, terwijl de hele wereld over hem heen valt? Als je de eerste moslimburgemeester van een grote stad in Europa bent en je wordt binnen negen maanden afgezet, doe je de integratie geen groot plezier. Het stomme is: terwijl hij daarvoor niet te raken was, vatte hij deze opmerking heel persoonlijk op. Hij ging er meteen bij liggen, een enorme schwalbe. Aansteller. Maar er zat bij mij wel een gedachte achter. Al was het er niet een die ik aan alle kanten met mezelf had overlegd.’

Om zijn aandacht te trekken had u ook kunnen zeggen: ‘U bent idioot bezig’, in plaats van het woord moslimburgemeester te gebruiken. ‘Maar ik zie hem als moslimburgemeester. Ik kan daar niks aan doen. Ik kan wel zeggen: ‘Het is een man en hij is geboren in Marokko en hij heeft een tijdje in Amsterdam gewoond’, maar zo kijk ik er niet tegenaan. Dat is misschien mijn afwijking.’

Dat debat over de hooligans op het strandfeest had niks te maken met de islam of moslims. ‘Maar wel met de persoon Aboutaleb. Dat hij moslim is, is het meest bijzondere aan hem, althans voor mij. Er hangt veel van hem af.’

Achteraf erkende u ook dat uw formulering niet gelukkig was. ‘Mijn opmerking gaf veel mensen de gelegenheid de aandacht af te leiden. Terwijl het natuurlijk draaide om de politie, die zichzelf in zo’n benarde positie had gebracht dat agenten moesten gaan schieten.

‘Mijn plusje voor Aboutaleb is dat hij rechtlijnig is. En dat hij in de islamitische gemeenschap het geluid kan laten horen dat ik ook wil laten horen. Alleen kunnen ze over hem niet zeggen dat hij een hekel heeft aan buitenlanders. Het zou fantastisch zijn als hij zijn eigen opvattingen kan overdragen op de meeste bewoners van Rotterdam. Dat is: hard werken, je best doen en anderen de ruimte geven.’

Deed het u wat, toen CDA-collega Geluk zei dat u de beste wethouder van volkshuisvesting van na de oorlog was? ‘Nee. Dat zei hij op de dag dat hij een mes in mijn rug stak. Hij steunde de motie waardoor ik uit het college werd gegooid. Hij gaf dat compliment op het moment dat hij mijn houding ten opzichte van allochtonen in twijfel trok. Terwijl hij al anderhalf jaar naast me in het college zat en wel beter wist. Het CDA zat met vier zeteltjes in de raad. Maatje pink. Maar hij ging mij de maat nemen. Dan ken je je plek niet. Elke terrorist kan een aanslag plegen. Laf. In de normale wereld doen mensen zoiets niet.’

Zegt de man van het in mootjes hakken en rationaliseren en daarna zand erover. Hij lacht: ‘Dit is rationaliseren. Ik vind dat ik nog steeds reden heb om daarover heel boos te zijn.’

Maar zo wordt politiek bedreven. Bent u wel politicus genoeg? ‘Nee. En daar hoop ik ver mee te komen. Ik vind dat hele Ajax-Feyenoordgedoe primitief, in de politiek.’

U zegt dingen als: ‘Zo moeilijk is het niet, om je vrouw niet te slaan.’ Dat klinkt ook nogal primitief. ‘Ik vraag me af wat daar primitief aan is. Ik wil alleen maar zeggen: wat is er nou moeilijk aan integreren? Je leert de taal. Is dat zo wonderlijk, als je verhuist naar een ander land? En het is fijn dat je wordt geholpen aan een huis en een uitkering, maar dat je aan het werk gaat ligt toch voor de hand.’

Wat vond u van de kopvoddentax, die Wilders voorstelde? ‘Een vreselijk woord. Een zot idee. Hij maakt het zijn tegenstanders veel te gemakkelijk.’

Zou u met hem kunnen samenwerken? ‘Ik denk dat het lastig is. Maar iemand moet het doen. Als hij straks veel zetels haalt en er moet geregeerd worden, mag je hopen dat hij goeie ministers kan vinden.’

Zou u ja zeggen tegen Wilders, als hij u benaderde voor een kabinet? ‘Niet als ik dan wethouder van Rotterdam ben. Anders wel, mits ik in zo’n kabinet mezelf kan zijn. Ik ben niet bang dat hij me onder de voet loopt. Maar hij vindt het natuurlijk wel prettig als er gladjes naar hem wordt geluisterd. Dat kan ik niet garanderen.’

Dan: ‘Als Wilders mislukt, staat er weer een ander op. Wilders is het probleem niet. Die samenleving gaat wel door; de onvrede komt ergens vandaan. Ik heb geen zin hem te diskwalificeren op die ene opmerking, eens in de twee maanden. Hij heeft blijkbaar van die momenten, dat hij wat moet roepen over op de knieschijven schieten en de familie van criminelen het land uitzetten. Ik zou het anders doen, maar hij kreeg negen zetels en ik nul. Dus tja.’

Dat was toen u met EénNL in 2006 vergeefs meedeed aan de landelijke verkiezingen. Een pijnlijke periode. ‘Ja.’

U ging voor twintig zetels, zei u toen. Een aanval van megalomanie? ‘Nee, hoor. Als Wilders niet zo goed campagne had gevoerd en Rita Verdonk niet had meegedaan voor de VVD, waren die zetels bij ons terechtgekomen.’

Daarna heeft u zeventig sollicitatiegesprekken gehad om weer aan een baan te komen, uiteindelijk als organisatieadviseur. ‘Dat was wel frustrerend. Ik solliciteerde bij de bovenlaag van de maatschappij. Dat zijn zogenaamd moderne mensen, maar ze hebben rare, bekrompen opvattingen: dat de traditionele partijen het prima doen en dat het met de integratie ook best goed gaat. Dus die zeiden niet: ‘Kom erbij, daar worden we juist wijzer van.’

‘Daarvoor werd ik geaccepteerd door de elite omdat ik wethouder was, en omdat ik in de praktijk meestal bleek mee te vallen ook. Even heb ik toen gedacht dat ze me echt mochten. Maar op het moment dat ik ze nodig had waren ze er niet.’

Denkt u echt dat het er vooral mee te maken had dat u van nieuw rechts bent? Een ex-wethouder krijgt tegenwoordig niet meer automatisch een mooie baan. ‘Dat de meeste wethouders niet aan een baan komen, begrijp ik wel. Maar ik was toch niet zomaar een wethouder?’

Arrogant – zo wordt u ook nog weleens getypeerd. ‘Ik heb een hekel aan valse bescheidenheid.’ Later: ‘Toen Pim hier nog woonde had hij een beeldhouwer op bezoek. Die vertelde over een beeld dat hij ging neerzetten, in Amsterdam. Pim bedacht hoe de sokkel eruit moest zien. ‘Wat een goed idee’, zei de beeldhouwer. En Pim zei: ‘Daar zit ik vól mee!’ Ik dacht: wat leuk, dat ik hier bij mag zijn.’

Waarom is het contact met uw eigen vader zo slecht? ‘Dat komt doordat het een ouderwetse, naar binnen gekeerde man is. Hij werkte hard om voor zijn gezin te zorgen, maar stak weinig tijd in mijn zusje en mij en in mijn moeder.’

Mijn vader was ook veel aan het werk. ‘Misschien ben ik er ook wel te hard in geweest. Maar ik vind het je plicht – misschien ben ik een calvinist, wat dat betreft – dat je wat van het leven moet maken. En dat doe je samen met je vrouw en kinderen.’

Er was weinig warmte. Aarzelend: ‘Ja. Ja. En ik heb dat toch wel heel erg nodig, een beetje extra aandacht.’

Ja? ‘Zeker. Dat is iets in me, ja. Nog steeds.’

Misschien juist omdat u het hebt gemist. ‘Dat zou kunnen.’

En die aandacht kreeg u wel van Fortuyn? ‘Ja.’

U heeft geen kinderen. Bewust? ‘Het zal ongetwijfeld met mijn eigen jeugd te maken hebben. Mijn vrienden kregen kinderen en ik zat er ontspannen op te wachten: waarom komt dat gevoel bij mij nou een keer? Maar het kwam niet. Ik heb nooit het idee gehad: kinderen, dat zou nou heel leuk zijn.’

Zou u weer contact met uw vader willen hebben? ‘Dat is het proces waarin we zitten. En dat gaat héél langzaam. Maar er loopt wel iets.’

Volgens uw moeder verwijt u hem dat hij de boedelscheiding niet goed afwikkelde toen ze scheidden. ‘Dat zijn dingen die je gewoon moet oplossen. Als je dat niet wilt, kom je er nooit uit. Als je het wel wilt, ben je het zo eens. Het duurde te lang.’

U verliet uw vorige vriendin voor uw persvoorlichtster. Dat nam u zichzelf kwalijk – in hoge mate. Maar je kunt toch verliefd worden op een ander? ‘In mijn wereldbeeld moet je zoiets openlijk bespreken. Dat heb ik niet gedaan. Daar krijg je een schuldgevoel van, hè, als je niet naar je eigen standaarden kunt leven. Dat is met zware geloven precies hetzelfde. Terwijl: die schuldgevoelens veroorzaken weer ontsnappingsgedrag, en dat is dus niet goed.’ Zacht: ‘Dus, eh’

Eigenlijk bent u in uw soort ook een gelovige – u heeft een heel strak wereldbeeld. Verraste lach. ‘Echt. Precies. Een zwartekousenatheïst. Je kunt ook zwaar modern zijn, om het zo maar te zeggen.’

Herkent u eigenschappen van uzelf in uw vader? ‘Het eigenwijze, dat heb ik ook. Maar dan in een zwakkere vorm. En het harde werken. Het idee dat je er wat van moet maken. Alleen: ik doe het met grotere dingen.’

Ineens: ‘Ik merk nu dat ik dingen kan die ik daarvoor nooit heb gekund. Ik ga naar een gemeenteraadsvergadering en weet van tevoren dat ik daar voorstellen ga doen die de krant zullen halen, en ik lig er niet eens van wakker. Dat is toch onvoorstelbaar. En er zitten er 45 in de raad; die kunnen dat niet allemaal, hoor.’

Doet u nu het bijzondere wat u vroeger altijd wilde gaan doen? ‘Ik denk het wel.’ Zachter: ‘Tenzij er nog wat na komt.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden