Ik hak hun kop er af De jaren maken Louise Bourgeois niet milder

Ze was al zeventig toen ze haar eerste grote solo-expositie in New York kreeg. Op haar tachtigste was ze een internationale beroemdheid, vereerd door vrouwen die het 'feminiene' in haar werk herkenden....

LOUISE BOURGEOIS, bijna negentig, is een fragiele oude vrouw, maar ook een furieuze kol, die er niet over piekert haar slapeloosheid met pillen te bestrijden. Ze waakt over haar verleden. De tijd is aan haar. Bourgeois houdt er een strikte overlevingsstrategie op na. 'Discipline is het voorrecht van de kunstenaar. Kunst waarborgt de geestelijke gezondheid.' Deze verslaving is haar redmiddel, een overwinning op de vergankelijkheid, en eerder nog op de wrede wendingen van het lot.

Elke dag en elke nacht opnieuw wordt de kunstenares belaagd door onverwerkte emoties. Maar ze weigert er zich bij te neer te leggen en slaat terug. Koortsachtig schrijft en tekent ze de minuten weg . 'Het onderbewuste is mijn vriend. Op het onderbewuste kan ik vertrouwen.' Op papier weet Bourgeois het kalm te verwoorden, in alle redelijkheid, maar intussen wakkert de overdosis aan herinneringen haar woede aan.

In haar sculpturen, tekeningen en geschriften neemt ze wraak op haar demonen, op de vrees voor het leven en de angsten die haar verlamden toen ze nog een kind was - dochter van een vader die naar een zoon verlangde. Bourgeois hult zich in het web van misverstanden tussen familieleden, vrienden en minnaars.

Het sluit zich rond de keel van haar intimi en haar eigen tweede ik, die ze portretteert als poppen, gemaakt van opgestopte kledingstukken met vastgenaaide mouwen en dichtgesnoerde halsjes. Deze armzalige figuren bengelen in het luchtledige, opgehangen aan metalen rekken, als vogelverschrikkers. Het publiek zwermt er nu omheen, op het overzicht van Bourgeois' nieuwste werk in de Serpentine Gallery in Londen, waar de kunstenares met een stel ongebruikte garenklossen suggereert dat ze nog meer prooien op het oog heeft: de bezoekers.

Bourgeois is met naald en draad net zo behendig als haar moeder, die tapijten restaureerde. Alleen de toewijding waarmee deze moeder de sleetse weefsels herstelde, 'geduldig, nijver en slim als een spin', staat haaks op het temperament van haar dochter. Die roept de schikgodinnen aan: 'Als de draad breekt, is het spel over en uit.' En die schenkt haar machtige vriendinnen fijn gereedschap voor het ontwarren van hardnekkige knopen: secuur getekende schaartjes met vlijmende messen. 'Ik moet mezelf verdedigen.' Misschien heeft de tijd haar wijzer gemaakt; milder in geen geval.

Bourgeois is hoogbejaard nog steeds een sensuele feeks, die zich stampvoetend opwindt over het onbegrip van een televisiemaker - 'Durf me niet voor gek te zetten' - en met toenemende heksenmacht haar nijd uitleeft over de teloorgang van liefde en het daarmee gepaard gaande verraad. Ze richt guillotines op, veroordeelt vrijende paspoppen tot invaliditeit of slaat de allerzoetst versmolten koppels in een flits van jaloezie het hiernamaals in. 'Wat moet hij met haar? Genieten ze? Vermoorden ze elkaar? Hun gedoe maakt me zo kwaad dat ik hun kop er afhak.'

Voor weloverwogen adviezen moet een onschuldige kind bij een andere oma op visite. Bourgeois zou de deur dichtslaan of de dwingeland toebijten zijn frustraties onder ogen te zien, zoals zij dat doet, jaar in, jaar uit. Ze is hartstochtelijk gehecht aan de littekens die ze op haar ziel heeft verzameld, omdat die het leven zelf vertegenwoordigen. Toekomstvisioenen zijn aan haar niet besteed. Het verleden werpt er zijn slagschaduwen overheen, in grillige patronen, die veel rijker zijn dan het verschiet. Voor de dood is ze niet bang. 'Oh no. You jump ahead.'

Bourgeois blikt om en om en om, van haar oude dag tot in haar vroegste jeugd, zowel op haar tentoonstellingen als in de recente publicatie Deconstruction of the Father, Reconstruction of the Father: een overzicht van haar ontboezemingen in dagboeken, brieven en interviews van 1923 tot 1997. De dikke bundel is, zoals al haar werk, geestig en vilein, een openhartige afrekening met de vlerkenstreken die het leven haar bereidde. 'Ik ben een vrouw zonder geheimen,' verkondigt Bourgeois, en ze verhaalt keer op keer over de kiemen van haar razernij en haar onstelpbare behoefte aan bevestiging.

De kunstenares leefde lang in de luwte. Haar werk, feminien, expressief en weinig welvoeglijk, onttrok zich aan het na-oorlogse modernisme. Het paste niet bij minimal art en evenmin bij pop. Pas op haar zeventigste soleerde ze in het Museum of Modern Art. Ze woonde toen al ruim veertig jaar in New York, was er getrouwd met de kunsthistoricus Robert Goldwater, ontmoette er beroemde collega's (Duchamp: 'Seksueel compleet verknipt.' Giacometti: 'Doodsbenauwd in den vreemde.') en bestreed er vooraleerst de heimwee naar haar jeugd in Frankrijk.

Deze immer voortdurende heimwee heeft veel weg van een trauma. 'Toen ik werd geboren, vochten mijn vader en moeder als kat en hond. En het land maakte zich op voor de oorlog, en mijn vader die een zoon wilde kreeg mij, en mijn zusje was net overleden. Laat mij ademen.'

Bourgeois is 81 als ze dit gebedje in haar dagboek schrijft. Ze wordt dan internationaal bewonderd en nagevolgd door een menigte amazones in de kunst, maar tegen haar wantrouwen is niets gewassen. Ze blijft op haar hoede voor 'de ander', de mensheid - een uitvergroting van haar vader.

Deze valse geweldenaar overblufte met zijn gesnoef het hele gezin, de later geboren zoon incluis. Bij elke maaltijd voedde hij zijn genie. De allengs gewichtiger praatjesmaker wijdde zo oeverloos uit dat zijn dochter, vlassend op een onbewaakt ogenblik waarin ze hem zou kunnen verscheuren en verslinden, er tot op de dag van vandaag niet in is geslaagd hem het zwijgen op te leggen. Vergeven? Vergeten? Het is uitgesloten: deze omnipotente man deelde nota bene het bed met de onderwijzeres die hij voor zijn kinderen in huis had gehaald.

'Nou vraagt een mens zich af: hoe bestaat het dat in een burgerlijk gezin zo'n minnares een standaard meubelstuk werd? De verklaring hiervoor is dat mijn moeder het toestond! Haar tolerantie is het mysterie.' Van dit mysterie, het drama van haar jeugd, heeft Bourgeois een mythe gemaakt, een testimonium van de strijd tussen de geslachten en hun onvoorwaardelijke eenzaamheid. Haar autobiografie is allang geen individuele geschiedenis meer, maar een afspiegeling van alle hoop en smart, benauwenis en begeerte onder de zon.

D E kunstenares neemt nooit genoegen met persoonlijke expressie zonder meer. Daarin verschilt ze van het grote gezelschap jongere collega's dat het eigen lief en leed registreert in onopgesmukte videoportretten - huilend, drinkend, vingerend, dansend, alles voor het oog van de camera. Bourgeois braakt haar gevoelens niet uit. De gevoelens bestoken haar, en zij temt ze in haar werk. Ze drijft de duivels uit, zich welbewust van haar artistieke verantwoordelijkheid: 'Mijn motivatie is emotioneel, moorddadig voor mijn part, maar de omvorming ervan moet beslist helder zijn en ordentelijk.'

Bourgeois 'offert het leven aan de kunst'. Ze onderwerpt haar passies aan een formele discipline - tekentechnieken of de materiële eisen van de beeldhouwkunst - en brengt haar knokige krabbels en uitgebeende sculpturen onder in een theatrale mise-en-scène: een psychodrama waarin niet alleen zij, maar ook het publiek een hoofdrol speelt.

Op haar tentoonstelling in Londen onthaalt ze de bezoeker in een huis dat wordt bewoond door geesten. Dit huis telt vele kamers. In sommige daarvan is net een misdrijf gepleegd. Het stoffelijk overschot van minnaars, overvallen in hun omhelzing, wordt er bewaard in glazen vitrines - huiveringwekkend voorbeeld voor geliefden die dachten zich terug te kunnen trekken achter de gordijnen.

Iemand, zeker geen argeloze maagd, heeft even verderop haar jurk aan een haakje gehangen. Die jurk is hel oranje, voorzien van een zwartgeblakerde staart: het kostuum van een duivelin die niet ver weg kan zijn. Onder het textiel schemeren de contouren van haar lijf, en ernaast hangt een bronzen pendel. Komt die in beweging dan kan behalve Bourgeois geen mens voorspellen wat er gebeurt. Vermoedens genoeg, uiteraard, maar zekerheden onthoudt de oude dame haar publiek.

Andere kamers schijnen lang geleden te zijn verlaten. Het meubilair is versleten, de spiegels zijn beslagen, en over de inboedel waakt een spin. Het is niet zomaar een spin, maar de spectaculairste spin ooit gezien, zo groot als een kleine kamer. Haar poten zijn pilaren, haar lichaam is een gewelf. De zwarte weduwe overkoepelt een ronde kooi, behangen met gobelins, uurwerkjes, gouden medaillons, schitterende stolpen van glas en een sleutel.

De bezoeker kan daar niet bij. Hij kan er naar kijken, door het gaas van de kooi, naar een lege fauteuil, die fungeert als een troon voor de herinneringen van de kunstenares. Dit zijn ook onze herinneringen, beproefde symbolen van de vergankelijkheid, verzameld in een tot dusver onbekende kamer. In deze kamer wordt de weemoed zichtbaar van een dichter, die schreef over 'stof dat zich weegt in een vaas'.

Het verblijf in de door Bourgeois op orde gebrachte vertrekken is griezelig mooi en droefgeestig. Haar vroegere aanwezigheid trekt een spoor door het huis, van de overloop tot in de salon en van de salon tot in haar kleedkamer, maar Louise zelf is eruit verdwenen. Het is of ze een finale inventarisatie van haar bezittingen heeft uitgestald.

De aan knoken opgehangen onderjurkjes, de dichtgestikte hemdjes en blouses: het zijn haar eigen kledingstukken die ze heeft opgeruimd, soms vermomd, opgestopt als een pop zonder kop, maar vaker rechtstreeks uit de kast midden in de kamer gehangen, als een lege huls, een afgelegde huid. De garderobe is uiteengevallen tot een stel schimmen, gevangen in een pashokje dat rondom uit louter deuren bestaat. Geen van die deuren kan open, maar de schimmen dansen op de tocht, een zucht van de bezoeker die voor het gebroken vensterraam een traan wegpinkt.

Sentimentele aanstellerij. Bourgeois is nog lang niet toe aan het laatste bedrijf: 'Mijn herinneringen hebben me gevangengenomen en ik ben vast voornemens er korte metten mee te maken.'

Recent werk van Louise Bourgeois, tot en met 10 januari, Serpentine Gallery, Kensington Gardens, Londen. Dagelijks van 10 tot 18 uur. Catalogus £18.99.

Louise Bourgeois, Deconstruction of the Father, Reconstruction of the Father: writings and interviews, 1923-1997, Marie-Laure Bernadac en Hans-Ulbrich Obrist (redactie), Violette Editions Londen 1998, 384 pagina's, * 72,60, ISBN 1 900828 07 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden