'Ik gebruik humor als zelfverdediging'

Hij dacht dat na zijn bekroonde hoofdrol in de film Simon de wereld voor hem openlag. Maar de gedroomde rollen bleven uit....

Het verhaal over de dood van het broertje van acteur Cees Geel lijkt op een film - zo'n film waarin het er iets te dik bovenop ligt.

Dierenvriend Cor krijgt van zijn moeder geld om goudvissen te kopen. In de dierenwinkel schrikt hij van de prijzen voor die beestjes. Ik vang ze zelf wel, denkt de negen-jarige Cor en hij fietst met zijn emmertje naar de haven van Schagen. Onderweg koopt hij van het geld bloemen voor zijn moeder. Omdat ze zo lief was de vissen te willen betalen, vertelt hij tegen de bloemenman. Later worden aan de kade zijn fiets en het bosje bloemen gevonden. Cor is verdronken.

'Bij een verfilming zou je zeggen: nou... zullen we het een beetje geloofwaardig houden?', zegt Cees Geel (40). 'Zo'n aardig jongetje ook, hè.'

Wat er precies is gebeurd aan de kade weet de familie Geel niet. Misschien heeft Cor zijn evenwicht verloren bij het ophalen van de emmer. Maar aan de haven woonde een man op een boot die een jongen heel hard had zien weglopen. Daarna zag hij allemaal politie, op dezelfde plek. 'Die jongen was geestelijk gestoord en riep later naar een van mijn zusters: 'Ik heb Cor vermoord'. Maar wat voor waarde moet je daaraan hechten? Je kunt ook zeggen: die jongen was niet goed bij zijn hoofd', zegt Geel. 'Het is in de doofpot gegaan, typerend voor een klein, West-Fries dorp, 1964.'

Zijn ontroostbare ouders kregen van de huisarts het advies een nieuwe baby te verwekken. Dat werd nakomertje Cees, twintig jaar jonger dan zijn oudste zuster. Hij herinnert zich de verjaardag van zijn overleden broertje, toen hij zelf rond de 4 jaar oud was. 'Mijn ouders waren ontzettend verdrietig. Toen ineens drong tot me door: als hij nog had geleefd, was ik nooit geboren. Dat was wel een raar idee.'

Vanaf dat moment had de kleine Cees een groot gevoel van verantwoordelijkheid voor zijn ouders - hém mocht nooit iets overkomen. De voorgaande avond had hij het nog over dat plotselinge inzicht, met een vriend. 'Een gezamenlijke vriend van ons heeft zich opgehangen. Afgelopen zaterdag was de begrafenis. Hij had een dochtertje van 2. Wij weten niet wat er in zijn hoofd is omgegaan. Het kwam als een donderslag bij heldere hemel. Hoe kun je dat doen, als je een dochtertje van 2 hebt? Ik kan me niet eens vóórstellen dat ik er een einde aan zou maken. Dat zou ik mijn vader en moeder nooit aandoen.'

Mensen doen gekke dingen. Heel gekke dingen.

'O jaaaaa. En daar maken wij weer mooie films van.'

Hij lacht; de ernst vloeit weg. Zo gaat dat telkens, in een gesprek met Cees Geel.

Vriend en regisseur Eddy Terstall wandelt De Kat in de Wijngaert binnen, het stamcafé in de Amsterdamse Jordaan waar ze samen avond na avond door exerceerden over Simon (2004), de veelbejubelde film over de onwaarschijnlijke vriendschap tussen de hasjdealende Amsterdamse lefgozer Simon en de homoseksuele tandarts Camiel. Voor zijn rol als Simon kreeg Cees Geel een Gouden Kalf én de prijs voor beste acteur op het Tribeca Film Festival. (In de jury: Robert de Niro).

'Lekker geslapen?', vraagt Geel aan de regisseur. Ja, hij zat gisteravond ook met Terstall in de kroeg. En nee, het is niet zo laat geworden, mompelt de acteur, beetje rooie ogen, vanachter zijn kom erwtensoep. Het is kwart over tien 's morgens. Later zal hij er nog een uitsmijtertje achteraan bestellen.

Het zijn ongewisse tijden. Jarenlang kwam Geel om in het werk en rolde hij van het ene uiterste in het andere: films, musical, soap, theater. Speelde hij in een stuk van Tsjechov voor het Ro Theater, om vervolgens de rol van 'deskundige' op zich te nemen in de Talpa-quiz De Slimste. En nu ineens is het stil. Terwijl hij na Simon en zijn Gouden Kalf dacht dat de filmwereld voor hem openlag. Gelukkig gaat komende week de thriller Het woeden der gehele wereld in première, waarin Geel een belangrijke rol heeft als pedofiele dorpsagent. 'Heerlijk om bad guys te spelen. Dit is wel een heel foute, hoor. Vrolijk fietst hij door het dorp, terwijl ie intussen iedereen koeioneert. En maar bezig met kleine jongetjes. Te slecht om te branden, zoals mijn vader en moeder het zouden uitdrukken. Maar deze rol is al in mei vorig jaar opgenomen.'

Hierna is er niks?

'Helemaal niks. Ik ben vrij voor de rest van mijn leven. Ha!

'Ik word er niet vrolijk van, van niks doen. Come on! Ik wil wat gaan maken, ik wil wat gaan doen. Maar er is een soort scheidslijn: voor en na Simon. Ik loop tegen een glazen plafond aan. Ik krijg geen filmrollen meer, omdat de buitenwereld me nog steeds ziet als Simon. Die rol hangt te veel aan me.'

Het is waar: als jij het café binnenstapt, denk je nog steeds: Simon.

'Ik speelde 'm heel naturel, hield 'm dicht bij mezelf. Maar je ziet in die film maar een klein stukje van mij, hoor.'

Waarin lijk je in het echt op hem?

'Als Camiel mij in de film vraagt getuige te zijn op zijn homohuwelijk. Dan zeg ik: 'Getuige? Je bedoelt in de zin van: ik heb het wel gezien, edelachtbare. Tegennatuurlijke activiteiten, sla ze in de boeien'. Ik ben dan eigenlijk ontzettend emotioneel, kan daar even niet mee omgaan en maak een grap. Dat ligt heel dicht bij de echte Cees Geel.'

Humor als afweermechanisme?

'Humor als zelfverdediging.'

Hij kon al lezen voordat hij op de lagere school kwam; dat had zijn moeder hem geleerd. 'Ze wilde me dingen bijbrengen, met mij bezig zijn, ja, die band was hecht.' Zijn zussen waren al het huis uit, dus was hij veel alleen. Hij fantaseerde over de boeken die hij las, dacht: wat zou ik doen, als ik de hoofdpersoon was? Zijn stripboeken verruilde het nakomertje op de middelbare school in fluks tempo voor Reve, Bukowski, Céline. 'Eyeopeners waren het.'

Thuis, in het West-Friese Schagen, werd verder niet gelezen. Zijn moeder, afkomstig uit een gezin met achttien kinderen, was huisvrouw. Zijn vader, uit een gezin met tien kinderen, chauffeur op een tankwagen. Op verjaardagen, als het huis tjokvol zat, maakten alle verhalen over de jaren dertig grote indruk op de jonge Cees. 'Over kinderen die zonder eten naar bed moesten, over mensen die slaag kregen, over de verhoudingen tussen werkgevers en werknemers.' Cees kon zich die tijd goed inbeelden, als hij de dijk overstak om op bezoek te gaan bij een oom die buiten het dorp woonde en door dat strakke, landelijke gebied fietste, langs al die oude hekken. 'Bijna tastbaar werd het dan.'

Hij ergert zich kapot aan een zekere modernistische mentaliteit, 'mensen die zogenaamd altijd moe zijn', en dat 'gelul over kinderen krijgen, dat het allemaal zo bijzonder is: o, wat een wonder. Nou, het gebeurt al miljoenen jaren'. Zijn vader, net 78, heeft altijd gewerkt, van jongs af aan. 'Mijn vader werd op zijn elfde van school gehaald omdat hij mee moest helpen op het land. Twee uur lopen naar de boer, om daar vervolgens te werken tot zeven uur 's avonds. Dan kreeg hij eten van de boer, waarvoor hij moest betalen. Daarna sliep hij tussen de koeien, waarvoor hij ook moest betalen. Op zaterdag mocht hij terug naar huis, om zeven uur 's avonds. Weer twee uur teruglopen.'

Op school deed Cees het goed. Hij vond leren leuk. Van de havo stapte hij over naar het atheneum, om daarna, op zijn 22ste, Nederlands te gaan studeren in Amsterdam. Lezen, boeken, literatuur, taal: mooi. Nee, de kantoorbaan die zijn ouders hem zo graag hadden zien doen na de havo, liet hij liever aan zich voorbijgaan.

Nogal een overgang, van Schagen naar Amsterdam.

'Redelijk bizar, ja. We waren net klaar met verhuizen toen ik tegen mijn vader zei: 'Dit is mijn eerste huisje'. Hij vroeg: 'Je bent toch niet van plan om Mokummer te gaan worden?' O ja, schoot het door me heen, 'die denken nog dat ik terugkom'. Voor mij was dat een gepasseerd station. Je moet dóór. Ik wil mezelf altijd blijven ontwikkelen.'

Om de hoek van zijn nieuwe adres zat een homocafé - alleen wist hij nog niet dat het een homocafé was. 'Pas na twee dagen dacht ik: weinig vrouwen, in dit café. Totdat ik over mijn schouder keek en twee mannen zag zoenen. Heel gek. In Schagen was ik nog nooit een homo in het wild tegengekomen. Ik had Reve gelezen en wist dus wel van de handel en wandel, maar dat is wat anders dan het in het echt zien. Een paar weken later ben ik in die bar gaan werken, om mijn studie te betalen. Daar heb ik in een hoog tempo veel geleerd.'

De boeken werden werkelijkheid.

'Voor mij was het real life Bukowski. Zelfkantfiguren en gesjeesde pianisten. Ik stortte me er vol overgave in. Ik luisterde eindeloos naar die verhalen van beeldend kunstenaars. Nu kan ik met terugwerkende kracht wel denken dat het niet zulke goeie kunstenaars waren, maar voor mij waren ze op dat moment heel belangrijk. Er ging een ander vakje open, in mijn hoofd. Ik kon op een andere manier kijken.'

Zijn toenmalige vriendin raadde hem aan naar de toneelschool te gaan, iets waarover hij zelfs nog nooit had nagedacht. Het wonder geschiedde: hij slaagde voor het toelatingsexamen, een kans van één op de zoveel. 'Toen ik begon op de toneelschool dacht ik dat ik een beter mens zou worden. Ik dacht: als je toneel speelt, moet alles waarachtig zijn. Je moet leren eerlijk en direct te zijn.'

Dat was je daarvoor niet?

'Nee, ik was heel gesloten, introvert. Ik vond het erg moeilijk emoties te verwoorden. Ik dacht: die toneelschool is echt iets waar ik als Cees Geel beter van word.'

Hoe kwam het dat je zo gesloten was?

'Ik ben altijd een gevoelig jongetje geweest. Snel... Ik ben niet snel gekwetst, maar wel snel geraakt. Dus dan ga je een pose ophouden. Met dat grote lijf en die kop van mij is dat natuurlijk lekker gemakkelijk. Daardoor blijven mensen wel op een afstand.'

En jij dacht: ik ga waarachtiger worden op de toneelschool.

'Naïef hè? Als je op die school komt, weet je niet wat je meemaakt, met al die egootjes.'

De eerste jaren waren verschrikkelijk. Hij zat in de klas bij een clubje meisjes van net twintig, met een totaal andere achtergrond. 'Zij hadden bewust voor die opleiding gekozen, op schoolcabaret gezeten, cursussen gevolgd. Zij waren gewend te babbelen over van alles en nog wat; ik helemaal niet. Ik liep op een dun koord, probeerde me bloot te geven en die meiden liepen me continu te kwetsen en te zoeken en te doen. Die riepen dat het makkelijk was zoals ik speelde, terwijl ik het zelf heel moeilijk vond. Ik werd er erg onzeker van.'

Toegegeven: hij was ook lastig, in die tijd. 'Mijn emoties vlogen alle kanten op. Ik was altijd een sterk gecontroleerd iemand geweest en vond nu van mezelf dat ik mijn impulsen moest volgen, terwijl ik daarvan de gevolgen helemaal niet kon overzien. En daardoor deed ik dus stomme dingen. Pas na twee jaar begon ik te beseffen dat het er niet om gaat dat je als acteur alles ook echt voelt, maar dat je iets verbeeldt. Pas na twee jaar raakte ik wat van die West-Friese stugheid kwijt, kon ik wat van die geslotenheid van me afgooien.'

En vervolgens kwam je terecht in de filmwereld, die ook nogal verschilde van het milieu waarin jij opgroeide.

'Het is opvallend hoe weinig die wereld begrijpt van andere milieus. Ik weet precies hoe het eraan toegaat in een arbeidersgezin. Maar als je een eenvoudig iemand moet spelen, of desnoods een crimineel, krijg je aanwijzingen van een regisseur of schrijver die er helemaal niets van snapt. Het mooiste voorbeeld: toen Eddy Terstall het script voor Simon wilde inleveren bij een niet nader te noemen omroep, zei de dramaturg: 'Ja, maar zo zijn mensen niet'. Dan weet je ongeveer wel op welk niveau we zitten. Ivoren-toren-werk.

'Toen ik net begon had ik af en toe wel een gevoel van minderwaardigheid. Van huis uit heb je een bepaald soort nederigheid meegekregen; de baas dit en de baas dat. Maar daar ben ik inmiddels wel overheen. Ik weet waar ik sta.'

Je hebt heel veel geacteerd - maar vaak in een bijrol.

'Ik heb ook allerlei rollen aangenomen waarin ik allang geen zin meer had. Die ik al tien keer had gespeeld. Dat is niet erg, een metselaar moet ook niet zeuren dat ie voor de zoveelste keer een muur moet metselen, maar af en toe zou je meer willen.'

Heb je weleens getwijfeld: ik kan er maar beter mee ophouden?

'Ik twijfel wel. Zelfs nu twijfel ik weer, of ik niet wat anders moet doen. Maar dat is misschien de teleurstelling. Dat de grote filmrollen niet komen waarvan ik hoopte dat ze zouden komen. Als ik een minder karakteristiek hoofd en lijf had gehad, was ik gemakkelijker te plaatsen geweest. En nu zit er óók nog het etiket Simon op me.

'Maar ja: het is wat het is. Het is klagen dat de lucht grijs is. Ik ben heel rationeel, maar ik heb ook mijn emotionele, gedreven kant, die zorgt dat ik niet opgeef. Een goede combinatie.'

Een doorzetter.

'West-Fries, hè. In West-Friesland word je geacht je best te doen en niet te zeiken.'

Je wilt winnen.

'Ik wil altijd winnen.'

De beste zijn?

'Eruit halen wat erin zit. Ik hou niet van half werk. Je doet het goed of je doet het niet.'

Het Gouden Kalf...

'Staat nu bij mijn ouders. Ze zijn er nog trotser op dan ik.'

Heb je het gevoel dat je daarmee ook...

'Een schuld hebt ingelost?'

De Cees Geel-lach. Dan, serieus: 'Dat is te sterk uitgedrukt. Maar je wilt niet dat je ouders opnieuw worden geconfronteerd met een verlies. Die druk en dat gevoel van verantwoordelijkheid hebben op de achtergrond altijd een rol gespeeld. Zo'n Gouden Kalf is het ultieme bewijs voor mijn vader en moeder dat ik het goed heb gedaan.

'Ik heb weleens op het graf gestaan van Cor: 'Nou vriend, je zadelt me wel op met een erfenis'. Ja, dat was soms lastig. Ik denk veel na over de dingen en misschien is hieruit mijn manifestatiedrang te verklaren. Maar misschien is dat ook wel te gemakkelijk. Volgens mij maakt iedereen op jonge leeftijd wel iets mee dat bepalend is voor de rest van zijn leven.'

Welke grote rol zou je graag spelen?

'Een rol die onlangs aan mijn neus voorbij is gegaan; daar was ik echt ziek van. Die van een boer. Een stugge onhandige boer die niet goed uit zijn woorden komt. Een gevoelige man, die dat niet kan laten zien. Ja, ik denk dat ik die rol heel goed had kunnen spelen.'

Waarom kreeg je 'm niet?

'Ik zou in die film een hele tijd zonder vrouw zitten en het leek regisseur niet geloofwaardig dat ik niet aan een vrouw zou kunnen komen.'

Het moest een beetje een zielige boer zijn, om te zien?

'Wat een kolder, hè? Ik kan dat toch spélen? Ik spéél dat toch?'

Wie is het dan wel geworden?

'Die moet wel heel sneu zijn, hè? Daarom zeg ik het maar niet. Het is een goede vriend van me. Je begrijpt dat ik hem meteen heb gebeld. én zijn vriendin: 'Nou, jij hebt een lekkertje, hoor.' Hahahaha.'

Je hebt echt gebeld?

'Ja, natuurlijk!'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden