Ik doe wat ik doe, en vraag niet waarom

Waarom moet ik als burger meebetalen aan onverstaanbare opera’s, loodzware toneelstukken en roestige sculpturen, vraagt Renske uit Nijmegen zich af. ‘Over de balk gesmeten gedrochten die overal in Nederland te bewonderen zijn. Schandalig!!!’, schrijft ze op het forum van De Telegraaf. ‘Onze beaarden laten ze tot in de middag in hun luier liggen, omdat er geen tijd/geld is. Nederland moet zich SHAMEN. Mijn porsie a.u.b. naar mijn ouders, zij verdienen het meer dan de makers van troep naar niemand naar kijkt.’

Internet heeft de emancipatie van de massa voltooid. ‘Gewone’ burgers kunnen meepraten, op hun eigen sites, blogs of discussiefora. Geluiden die je vroeger alleen bij de kapper hoorde, zijn nu onderdeel van het publieke debat geworden. Alle pedofielen castreren! Rechters zijn linkse slappelingen die seriemoordenaars met een taakstraf laten wegkomen! Moslims nemen Nederland over!

Zo is de hiërarchie tussen ‘weldenkende’ standpunten van mensen die ‘ervoor doorgeleerd hebben’ en de spontane hartekreet van de ‘gewone’ burger vervaagd. Om dat te accentueren, vinden veel reaguurders het onnodig hun schrijfsels te controleren op type- en spelfouten. Elitaire pedanterie die nergens goed voor is!

Sommige mensen zijn bezorgd over de rauwe toon van het publieke debat, de wildgroei aan extreme opinies, de scheldpartijen, dreigementen. Krijgt de Spaanse filosoof Ortega y Gasset gelijk met zijn sombere voorspellingen over de Opstand der Horden?

Moeite


Anderen zien deze emancipatie van de ‘massa’ als democratische winst. De gevestigde orde heeft moeite met nieuwkomers, schreef hoofdredacteur Arendo Joustra in Elsevier. De eerste socialisten werden ook uitgemaakt voor ongemanierde boerenkinkels. Dat de grootste vuilbekken zich van een schuilnaam bedienen, vond Joustra geen probleem. Schreef Voltaire niet ook onder pseudoniem?

De angst voor de massa is onverbrekelijk verbonden met de opmars van democratie. Rond 1900 voelde de liberale elite dat haar maatschappelijke heerschappij aan het verglijden was. Zij was doodsbenauwd voor de onbeschaafde massa die het nobele, bekwame individu van zijn troon zou stoten. Ortega y Gasset is een exponent van deze angst.

Maar ook de leiders van de opkomende christelijke en socialistische volksbewegingen durfden hun volgelingen niet te vertrouwen. Die vielen maar al te snel ten prooi aan de verlokkingen van bioscoop, dansmuziek en driestuiversroman. Hedonisme en materialisme dreigden af te leiden van zieleheil en klassenstrijd. Daarom legden de zuilen hun schaapjes een puriteinse moraal op.

Controle over de media speelde daarbij een belangrijke rol. Voor de oorlog werd de radio in handen gegeven van de zuilen, die toezagen op een verantwoorde invulling. Voor de zekerheid werden alle uitzendingen vooraf aan censuur onderworpen. In de jaren dertig mochten Spinoza en Erasmus niet worden voorgelezen, omdat ze religieuze gevoelens zouden kwetsen.

De angst voor de televisie was nog groter. Van het beeld kon een bedwelmende invloed uitgaan. Bij de introductie van de televisie in 1951 zei staatssecretaris Jo Cals dat hij bang was voor ‘massarecreatie’, ‘die de menselijke persoonlijkheid belaagt, die zijn eigen activiteit en initiatief, die elke eigen inspanning op geestelijk en cultureel gebied, dreigt te doen plaatsmaken voor passiviteit en grauwe vervlakking’.

De massa was een beest dat in bedwang moest worden gehouden. De geest van de massa was leeg en kon worden gevuld met gevaarlijke gedachten. Dat had de Tweede Wereldoorlog wel bewezen! Daarom was het zaak om er snel bij te zijn. De regering vertrouwde de televisie toe aan mensen met een ‘sterk cultuurbesef, met een geestelijke achtergrond en een hoog ideaal’, zei Cals. De zuilen dus. De verzuilde elites filterden de informatie die de massa tot zich kon nemen. Voor haar eigen bestwil, uiteraard.

Dit paternalisme werd niet door iedereen gewaardeerd. In 1964 werd vanaf het boorplatform REM-Eiland illegaal commerciële televisie uitgezonden. Het was een groot succes. Blijkens een opiniepeiling was 61 procent van de bevolking voorstander van commerciële televisie.

Ook werd het publieke bestel in de jaren zestig en zeventig geïnfiltreerd door de TROS en Veronica, die het volk helemaal niet wilden verheffen, maar amuseren. Ze waren razend populair, ook onder mensen die op de PvdA of de communistische CPN stemden.

In linkse kringen werd hier diep op neergekeken. De strijd van de jaren zestig was toch niet gevoerd om de arbeider ’s avonds onderuitgezakt met een biertje naar Te land, ter zee en in de lucht te laten kijken? De televisie was ‘opium voor het volk’, schreef de journalist Gert J. Peelen in zijn boekje Van Verlossing tot Vertrossing uit 1976. Wat was er makkelijker dan ‘ingebed in zekerheden, met alle problemen opgelost je over te geven aan een probleemloos vermaak’.

In de jaren vijftig waren de zuilen bang dat de massa zich zou laten meeslepen door communisten en fascisten. In de jaren zestig en zeventig waren linkse vernieuwers bang voor politieke apathie. Ze wilden de massa confronteren met Vietnam, sociale ongelijkheid en honger in de Derde Wereld. Iemand was pas volwaardig burger als hij zich politiek engageerde. Niets was erger dan het klootjesvolk dat zich in slaap liet sussen door de kapitalistische vermaaksindustrie.

Met de introductie van commerciële televisie in 1989 waren alle verheven discussies over volksverheffing verleden tijd. ‘Het volk’ mocht zelf kiezen en koos in meerderheid voor de commerciëlen. Zo werd de Nederlandse cultuur verrijkt met programma’s als Sex voor de Buch, Big Brother en Wie trouwt een miljonair?

De commerciële televisie legde een werkelijkheid bloot die onderhuids al bestond, maar nooit echt zichtbaar werd. Tot 1989 bewaakte een weldenkende elite de goede smaak op televisie. Ordinair taalgebruik werd geweerd, seks werd getossond in een verantwoorde context, omlijst door deskundigen. Na 1989 leek Nederland opeens een land van nymfomanen en grof gebekte volkstypes. De commerciëlen zagen liever de ‘authentieke’ emotie dan de omfloerste duiding van de deskundige studiogast.

De commerciële televisie weerspiegelde een veranderde werkelijkheid. Maar zij beïnvloedde op haar beurt de Nederlandse cultuur. De commerciëlen gaven de onderste lagen van de bevolking een stem, en daarmee zelfvertrouwen.

De commerciële televisie presenteerde een nieuw cultureel ideaal: iemand die er goed uitziet en zich niet de kaas van het brood laat eten. Zoals deelnemers aan realityshows steeds opnieuw zeiden: ‘Ik doe gewoon wat ik wil.’ Het volk wil zich niet meer laten verheffen.

Inmiddels is de culturele voorhoederol van de commerciële televisie overgenomen door internet. Op hun zolderkamertjes maken de reaguurders zich boos, vooral op alles wat links is. Op internet worden ze bevestigd in hun radicale opvattingen, die daardoor steeds normaler lijken te worden. Mede door internet is de Nederlandse cultuur bozer en wantrouwiger geworden.

De reaguurder is de vertrossing ontstegen. Ironisch genoeg doet hij precies wat de linkse vernieuwers in de jaren zeventig vroegen. Vermaak interesseert hem schijnbaar niet, hij maakt zich vooral druk over politiek en samenleving. De ouder geworden linkse vernieuwers zijn nu zelf weldenkende burgers, die een beetje lijken op de sussende hoogleraren van de jaren zestig. Nou, nou, zo erg is het ook weer niet?

Café


Op het eerste gezicht lijkt de reaguurder op de massamens die Ortega y Gasset beschreef. Vroeger snapten gewone mensen dat ze belangrijke politieke beslissingen moesten overlaten aan mensen die er verstand van hebben, schreef Ortega. Maar tegenwoordig geloven ze dat een land bestuurd kan worden met ‘noties die geboren zijn in een café’. De massamens kent geen twijfel. Hij eist dat zijn mening serieus wordt genomen, ook al heeft hij geen kennis van zaken.

Maar Ortega’s perspectief is eenzijdig. Het bekwame individu blijkt evenmin boven kritiek verheven. De banken- en eurocrisis hebben aangetoond dat ook een elite van deskundigen ongelooflijk kan miskleunen. Experts moeten kritisch worden gevolgd, zelfs door mensen die de finesses van het vak niet kennen.

De massa van Ortega lijkt niet op de hedendaagse massa. Ortega is vaak afgeserveerd als een elitaire knorrepot. Dat was hij ook. Maar zijn Spanje werd zes jaar na publicatie van De opstand der Horden vermorzeld tussen twee massabewegingen: het communisme en het fascisme. In Ortega’s tijd marcheerde de massa achter het vaandel aan. De massa was bereid te sterven en doden voor haar overtuiging.

De hedendaagse reaguurder stuurt in het ergste geval een anonieme doodsbedreiging. Internet heeft de massa een stem gegeven, maar de massa ook gefragmenteerd. Iedereen heeft zijn eigen medium, iedereen zou het liefst zijn eigen partij oprichten.

In de media wordt het steeds moeilijker om over massa en elite te spreken. De klassieke hiërarchie tussen hoog en laag is verdwenen. Dagbladen, opiniebladen en chique tv-programma’s verliezen terrein, ten gunste van RTL Boulevard, Twitter, blogs, fora en ander elektronisch huisvlijt. De elite is geen rolmodel meer, schrijft de socioloog Paul Schnabel, maar een subcultuur als alle andere.

En de massa is geen massa meer, maar een verzameling individuen, waarin hooguit verschillende levensstijlen of subculturen te onderscheiden zijn. Zo’n individualistische samenleving creëert ook weer behoefte aan gezamenlijkheid. Samen mopperen op internet voldoet daaraan. De mopperaars mogen graag suggereren dat zij de ‘massa’ vormen, maar Geert Wilders mobiliseerde op zijn virtuele hoogtepunt niet meer dan 20 procent van de burgers. Emancipatie leidt tot fragmentatie: ook de massa is niet meer wat zij geweest is.

(Hollandse-Hoogte)Beeld Rue des Archives/Hollandse Hoogt
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden