Ik, de caviahater

Henrico Prins had een uitgesproken hekel aan cavia Snuffie. Toen het beest stierf, kochten zijn ouders een nieuwe. Dat heeft zijn liefde voor dieren bepaald niet doen toenemen....

Snuffie was een zwart-wit gevlekte cavia. Mijn cavia. Gekregen toen ik 9 werd. Eerder had mijn zus onze ouders de kop gek gezeurd om een hondje en, toen dat te hoog gegrepen bleek, om goudvissen. Mijn vader gaf haar voor haar verjaardag een rubberboot – kon ze zelf vissen gaan kijken. Dieren kwamen er bij ons niet in.

Maar kijk nu toch eens. Voor één keer hadden mijn ouders hun afkeer opzijgezet van alles wat groeit en bloeit, beweegt, herrie maakt en stinkt. Geen idee welke pedagogisch onderlegde toverkol eraan te pas was gekomen, maar opvoedtechnisch gezien bleek het ineens van het grootste belang dat ik iets kreeg om voor te zorgen. Dat werd dus Snuffie. Mijn zus woest: zij niks, ik een cavia.

Ammoniak

Snuffie woonde in een blauwe plastic bak met een hoog hekwerk dat er precies op paste. Op de bodem van de bak was een laag minuscule stoffige steentjes uitgestrooid. Op die steentjes lag stro, of hooi, of hoe heet het; van die droge sprieten, te koop bij de dierenwinkel, net als het voer, een muf ruikende mix van zaadjes, klontjes, brokjes en harde stukjes. Die deed je dan in een bakje dat aan het hekwerk kon worden bevestigd. Er was nog zo’n bakje voor het water. Als de bakjes leeg waren, werd je geacht ze bij te vullen met nieuw voer en vers water.

Elke woensdagmiddag moest ik de kooi schoonmaken, een even secuur als smerig karwei. De in een week tijd door liters caviapis duurzaam aaneengeklonterde laag steentjes werd van de bodem van de bak gebikt met behulp van een oud aardappelschilmes. Tijdens deze werkzaamheden – een door mijn moeder optimistisch als ‘even de cavia verschonen’ omschreven rotklus die elke andere activiteit op de vrije woensdagmiddag uitsloot – werd je de adem benomen door een allesverzengende ammoniaklucht.

Jee, daar stak ik nou echt iets van op. Leuk hoor, zo’n cavia. Eens in de zoveel tijd kwam een vage kennis langs om de nagels van Snuffie te knippen. Van die nagels had ik maar weinig last; ik raakte Snuffie alleen op woensdagmiddag aan, als hij even uit de kooi moest zodat die kon worden gereinigd. Snuffie mocht dan door de keuken hupsen, waarbij hij het luidkeels op een piepen zette.

Of het door een schrijnend gebrek aan liefde was of vanwege iets anders, wie zal het zeggen, maar op een goede ochtend bewoog Snuffie niet meer. Ik verbeeldde me dat ik op zijn zwart-witte buik een groenige vlek zag. Ik schudde aan de kooi, keek nog eens goed, prikte wat met een stokje, en inderdaad, geen twijfel mogelijk: Snuffie was dood. Opgewekt ging ik naar school – cavia dood, totaal geen lol aan beleefd, klauwen met geld gekost: dat zou mijn ouders leren.

Kinderziel

Na schooltijd wilde ik de kooi demonteren en afvoeren, maar zodra ik in het hooi (of stro, whatever) begon te graaien, steeg een luid gepiep op. Even later floepte een cavia met bruine vlekken tevoorschijn. Wat was dit nu weer?

‘Tja. We dachten: hij zal hem wel gaan missen.’ Mijn moeder stond achter me. Ze trok haar gezicht in de plooi en sprak de woorden: ‘Dit is Snuffie 2.’

Van deze duivelse gift heb ik verder niet zo veel last gehad; het schoonmaken besteedde ik algauw uit aan mijn op geld beluste broertjes en op zeker moment moet ook dit exemplaar zijn overleden. Het staat me niet bij als een sterfgeval dat beurse plekken achterliet op mijn kinderziel.

Misschien was het eelt daarop al gevormd door Snuffie 1, of nog ver daarvoor, door iets anders. Hoe het ook zij: nog steeds kan ik me maar moeilijk voorstellen dat de dood van een beest iemand tot tranen toe beroert. Je ziet weleens documentaires over dierenbegraafplaatsen, je leest soms over mensen die de as van hun poedel op de schoorsteenmantel hebben staan, maar als ik daar al iets bij denk, is het hooguit: doe toch eens normaal.

Helaas leven we in een tijdsgewricht waarin het innemen van een onverschillige houding jegens het huisdier niet wordt geapprecieerd. Ik druk me maar even plechtig uit. Iedereen heeft medelijden met de collega die met zijn vrouw en zijn hondje een peperdure antistresscursus volgt bij de hondenpsycholoog, maar als je zegt: ‘Geef dat beest een spuitje’, kijken ze je aan alsof je zojuist de holocaust hebt ontkend.

Humor

Laatst kreeg ik tijdens het hardlopen een woordenwisseling met een chique oude dame die twee forse honden uitliet van het merk golden delicious, als ik me niet vergis. Ik week niet van mijn lijn af, ik onderhield een bedaard tempo, ik maakte geen onverhoedse bewegingen en ik keek de hond niet aan, want ‘dan denkt-ie dat je met hem wilt spelen’ – allemaal uiterst nuttige zaken die je op lopers-websites op internet te weten komt.

Evengoed werd ik besprongen door een van de honden. Ik schrok, duwde de hond van me af en voegde de dame toe dat ze die beesten aan de lijn moest houden. ‘Klootzak’, riep ze uitzinnig, ‘dat is een oud beessie, die doet niemand kwaad, je moet zelf uitkijken, vuile lul’, et cetera – erg lelijke woorden die ik zelf nooit zou gebruiken en alleen met de grootst mogelijke terughoudendheid opschrijf, maar de waarheid mag toch ook weleens gezegd.

Natrillend van het incident dacht ik mijn gelijk te kunnen halen op internet (ik ben zo’n goedmoedige sul die achteraf meteen nazoekt of-ie niet iets verkeerd heeft gedaan en of uit deze gebeurtenis lering valt te trekken). Maar toen ik op een lopersforum het trefwoord ‘honden’ intikte en de kwestie voorlegde aan de deskundigen, werd ik opnieuw uitgeblaft.

Annemarie schreef dat veel hardlopers niet begrijpen dat de hele wereld niet van hen alleen is. ‘Hardlopers zijn ook weleens anderen tot last, maar zeggen ook geen sorry. Ik heb gek genoeg nooit last van andere honden, ook niet als ik zonder mijn eigen hond loop. Je houding verraadt hoe je je voelt en een hond is een stuk sensitiever dan de mens. Wellicht moet je iets aan je houding veranderen.’

Ik schreef dat ze de zaken niet om moest draaien en ik de eerste hardloper nog moest tegenkomen die zijn tanden in de kuiten van een hond zet. Ik had het, om mijn toch al ijzersterke argumenten kracht bij te zetten, ook gehad over de hondenuitwerpselen waarin ik geregeld trap, doffe ellende die je vooral in het bos kunt meemaken en, vanwege gevallen gebladerte, in de herfst.

Volgde prompt een reactie van ene Linda: ‘Ook leuk; ooit weleens met je hond gelopen in een bos waar net een aantal hardlopers zijn geweest? Enig idee hoeveel mensendrollen er dan liggen? Ooit een hardloper zijn eigen drollen op zien ruimen?’ Goeie grap, dacht ik eerst nog, maar uit het vervolg van haar tekst bleek dat Linda de kwestie ernstig opnam.

Daar heb je meteen ook de essentie te pakken van het verschil tussen de dierenliefhebber en de, eh, dieren-niet-zo-liefhebber. Zodra het gaat om het welzijn van het beest, raakt de liefhebber onmiddellijk gespeend van elke vorm van humor, terwijl hij toch zou moeten inzien dat juist de omgang met het huisdier zich bij uitstek leent voor spotternij.

Wereldvrede

Maar goed, ik heb makkelijk praten. Ik heb altijd een gezonde hekel aan het huisdier gehad. Honden, katten, parkieten, schildpadden: ik trek één lijn, ik vind het allemaal niks. Maar: ik weet niet beter. Dat is althans dikwijls op vergoelijkende toon tegen me gezegd (vooral door vrouwen, trouwens): ‘Je weet niet beter. Je weet niet waar je het over hebt. Wacht maar tot je zelf een huisdier hebt waar je echt om geeft, dan piep je wel anders.’ Mwoah.

Haat ik dieren? Ja, een spijkerharde vraag, maar in dit verband kan het geen kwaad hem eens hardop te stellen – voor je het weet, sta je te boek als ruggegraatloos type, als iemand die het ‘ook allemaal niet meer zo goed weet’, iemand die daarom ‘maar wat zegt’, ja, iemand die ‘overal een dolletje van maakt’. Terwijl je de dingen ook kunt omdraaien, hè. Je kunt je ook afvragen: haten de dieren mij? Je kunt tegen jezelf zeggen: joh, neem jij die dierenliefhebber nu eens serieus en kijk eens goed naar wat zo’n Annemarie tegen je zegt. Laat dat nu eens goed tot je doordringen. Geef het een kans. Je houding verraadt hoe je je voelt.

Een hond is een stuk sensitiever dan de mens!

Wellicht moet je iets aan je houding veranderen!

Tja. Ik weet niet, hoor. Ik zou het best wel een soort van kans willen geven, maar dan zou daar ook een doel mee gediend moeten zijn. Laten we zeggen: de wereldvrede. Laten we dat afspreken. Als het de vrede op aarde dichterbij brengt, zou ik eventueel nog wel bereid zijn naar een hond te kijken zonder ergens diep van binnen te denken: vies kreng, ik hoop dat je een afgrijselijke dood sterft. Vooruit dan. Voor zo’n hond (schuine streep kat, schuine streep cavia), die er tenslotte ook niets aan kan doen dat-ie leeft, wil ik dat begrip nog wel opbrengen. Maar dus niet voor zijn baasje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden