Ik bevond me in een waar berber-dilemma door dat getik van die man

Fadoua Bouali..

Fadoua Bouali

Al een tijdje had ik het gevoel dat ik iets miste, maar ik kon er de vinger niet op leggen. Maar van de week kwam ik erachter dat ik humor miste in de heftige discussies rond moslims en integratie.

De integratiehumor ligt letterlijk op straat, zag ik toen ik’s avonds laat bij een vriendin in Osdorp op bezoek was geweest. Toen ik buiten kwam, zag ik op de hoek van de straat twee mannen met opgetrokken schouders in hun grijze jas ineengedoken tegen de muur leunen. Aan de overkant stond een groepje tienerjongens patatjes te eten naast hun stoere scooters.

De mannen in grijze jassen bleken de beroemde straatcoaches te zijn waarover ik veel heb gehoord. Een van de coaches bleef me aanstaren toen ik langsliep en ik voelde me lichtelijk ongemakkelijk.

Ik zag dat de straat is verdeeld in twee territoria, een voor de coaches en een voor de hangjongeren. Tja, dit schiet ook niet op, dacht ik. En ik moet zeggen dat ik me gemakkelijker voelde toen ik me in het territorium van de hangjongens bevond dan bij die stiekem loerende mannen in grijze jassen.

Maar misschien hebben ze deze loervaardigheid geleerd toen ze de opleiding volgden voor straatcoach, om de hangjongeren af te schrikken.

Helemaal hilarisch werd het toen ik later van mijn vriendin hoorde dat een van de coaches af en toe langs gaat bij een buurvrouw van haar om haar seksuele behoeftes te bevredigen. Haar buurvrouw vertelde haar daar heel open over, zonder gêne, tegen iedereen die het maar wilde horen.

Kijk, dacht ik, dit soort berichten is precies wat we nodig hebben, na het incident van de straatcoach die weigerde vrouwen de hand te schudden vanwege zijn islamitische geloof.

De ene moslimcoach geeft geen hand aan vreemde vrouwen, maar daar staat tegenover die andere moslimcoach die wel vrouwen de hand schudt en als ze seksuele behoeftes hebben, daar zijn hand ook niet voor omdraait.

Deze aardige moslimman zou voor al deze vliegen (de straat beveiligen, tegenwicht bieden aan de hangjongeren, vrouwenhanden schudden en op verzoek extra seksuele dienstverlening) die hij in een keer slaat, opslag moeten krijgen.

Mijn Osdorpse vriendin vertelde me dat ze het prima vindt wanneer mannen haar hand weigeren. ‘God mag weten waar ze met die handen hebben gezeten’, zei ze met een jakkie-gatsie blik.

Ik moet eerlijk zeggen dat ik laatst ook geweigerd heb een man een hand te geven, maar dan bij de tweede ronde. Ik stapte in Brussel in de trein, nadat ik daar een interessante lezing had bijgewoond over de rechten van de vrouw binnen de islam door de Amerikaanse professor Aziza Y. al-Hibri.

In de trein nam ik plaats naast een man. Hij begon meteen een praatje. Hij bleek een Marokkaanse Europeaan met berbers-islamitische wortels. Hij gaf me een hand toen hij in mij een berberzuster had ontdekt die ook nog berbers sprak. Ik kon zijn berbers niet goed volgen en uit een soort beleefdheid knikte ik alleen maar af en toe en zei agjar (o ja? in het berbers). Daar werd hij alleen maar enthousiaster van en hij begon me steeds een tik te geven op mijn bovenbeen, alsof wij elkaar al jaren kenden.

Ik vond het vreemd dat hij dit deed, ik ken immers de gedragscode tussen mannen en vrouwen in onze gedeelde berbercultuur. Ik weet dat een man een vrouw met wie hij geen familiaire banden heeft, nooit een zogenaamd vriendschappelijke tik mag geven. Als een man dat doet, is dat een teken dat hij geen respect voor je heeft. Als een vrouw dat accepteert, is dat een teken dat ze geen zelfrespect heeft.

Ik bevond me in een waar berber-dilemma door dat getik van die man dat maar door ging, en ik besloot mijn tas op mijn schoot te nemen zodat de tas de tikken kon opvangen.

De berberbroeder ging persoonlijke vragen stellen over hoe lang ik in Nederland woonde, hoe oud ik was en of ik getrouwd was.

Zijn mond viel bijna open van verbazing toen hij mijn leeftijd hoorde en dat ik nog eens niet getrouwd was. Een regen van complimenten kreeg ik over me heen, omdat ik er kennelijk jonger uitzag dan mijn gekoesterde 37 jaren.

De man ging verder alsof we dikke vriendjes waren, terwijl ik met een half oor zat te luisteren.

Toen zei hij uit het niets dat hij het heel erg jammer vond. Ik vroeg wat er jammer was. ‘Ja, het is erg jammer omdat ik je een leuke vrouw vind’, verklaarde hij. ‘Maar, helaas ben ik al bezet’, zei hij, terwijl hij zijn linkerhand omhoog hield waar een trouwring om zat.

Voor wie het precies jammer was, was me niet duidelijk. Maar ik kan gerust stellen dat dat ‘jammer’ niet van mijn kant kwam. Oké, het was geen lelijke man, maar er kwam een naar luchtje uit zijn mond en uit wat hij zat te vertellen, bleek dat er een bekrompen en onwetende berbergeest onder zijn knappe uiterlijk school.

Toen ik een keertje ‘ja’ zei in het berbers, voelde hij zich plotseling erg begrepen en hief hij zijn hand omhoog in het teken van ‘geef me de vijf’. In plaats van hem de vijf te geven, keek ik hem in zijn ogen en keek daarna neer, zoals een goede berbervrouw betaamt, terwijl ik mijn handen tegen elkaar hield en hem een boeddhistische groet gaf.

Ik vond op dat moment dat ik net als die straatcoaches vette humor had, maar dan als moslimvrouw.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden