Column

Ik ben tegen de vooruitgang

Over de tijd dat Ajax nog leuk voetbalde. Heel lang geleden dus.

Nico Dijkshoorn
De Cocksdorp, Texel. Beeld ANP
De Cocksdorp, Texel.Beeld ANP

Ik zie net in de Volkskrant foto's van ingestorte gebouwen in Nepal. Een pagina verder lees ik over een afgebrand theater in het Brabantse Grave. In allebei de gevallen weet je: er hebben mensen verbijsterd, met de hand voor de mond, staan kijken naar dat wat er niet meer is. Ze hebben gekeken naar losse stukken hout, hebben gewezen naar op straat liggende stoelen en gezegd: 'Hoe is het mogelijk?'

Vaak is wat is verdwenen nog zo ontzettend aanwezig. Mijn ouders bijvoorbeeld. Of een door nieuwbouw weggevaagde plek. Niet zo lang geleden stond ik midden in een woonwijk. Ooit stond daar het stadion van Ajax, De Meer. Ik heb het nu over de tijd dat Ajax nog leuk voetbalde en dat je 's middags je broer kon opbellen met de volgende vraag: 'Zullen we naar Ajax-FC Groningen gaan?' Heel lang geleden dus.

In de woonwijk was de locatie van de oude middenstip van Ajax aangegeven. Ik ben daar op gaan staan en voelde niets. Helemaal niets. Nou ja, verbazing. Dat er wasgoed hing op de plek waar ik Marco van Basten met een omhaal zag scoren. Dat er een schotelantenne aan een balkon hing waar vroeger die klootzakken van het ereterras hadden gezeten.

De Meer was een theater en De Meer was een tempel. Ik ben daarom tegen de vooruitgang. Ik vind dat alles moet blijven zoals het is. Voor altijd, zodat er gemijmerd kan worden. Zwijgend. Allemaal mensen om een oude school, in stilte, en allemaal zien ze, in gedachten, juffrouw Besteman dolblij naar haar nieuwe Fiat 500 lopen. Ach ja.

Een jaar geleden liep ik door De Cocksdorp, Texel. Ik zocht mijn vader, alweer bijna vier jaar dood. Niets specifieks herinnerde ik mij van het dorp, maar ik moest daar - als hij mij meenam om te gaan vissen op de dijk - ontelbare keren met hem door de hoofdstraat zijn gelopen. Die dijk herinnerde ik mij wel. Het eindeloze geloer tussen de stenen en dan de plotselinge beweging van een krab.

Maar die straat, de tocht: ik herinnerde mij niets. Ik ben voor ons oude vakantiehuisje gaan staan en daarna liep ik door de straat. Na 400 meter herkende ik een paaltje. Daar had ik op gezeten. Wachtend op mijn vader. Naast het paaltje stond een handgeschreven mededeling op een bord. 'Zeepieren' en daaronder een pijl.

Ik volgde de pijl en zag een emmer die ik herkende. Vol met levend aas. Ik zei het woord. Zeepieren. En opeens zag ik hem weer, mijn vader, een jaar of vijftig geleden, met diezelfde emmer op dezelfde plek naast precies hetzelfde paaltje staan. Hoe hij mij in de emmer had laten kijken en hoe ik had gerild. Alles was er nog. Ze hadden hun best gedaan om de straat een moderne uitstraling te geven, maar het verleden wurmde zich dwars door de moderne klinkers, lekte langs mijn schoenen in mijn benen en als vanzelf begon ik te lopen.

Ik wist waar ik naartoe liep. Naar de winkel waar je alles kon kopen. Van lucifers tot positiekleding, van groene laarzen tot geborduurde herten. Ik wist niet meer de naam van de winkel, maar ik hoopte vurig op De Schelp, Het Vossenoog of Dikkie Duinzand. En u raadt het al. Niet verdwenen. Alles hetzelfde. Ik herkende het piepen van de voordeur toen ik naar binnen ging.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden