'Ik ben op mijn best als ik geen idee heb'

Op school in Edinburgh brachten de knapste koppen het hooguit tot automonteur. Alan Purves (1952) was eerst dameskapper en smid, voor hij genoeg geld spaarde voor een drumstel....

EEN DINSDAGAVOND in het Amsterdamse buurtcentrum Zaal 100. De trombonist Joost Buis treedt op met een trio met de Schotse slagwerker Alan Purves. Purves, die ook wel Gunga wordt genoemd, zit op een laag stoeltje achter zin instrumentarium een verzameling kleine en grote, vreemde en gebruikelijke percussie-instrumenten, uitgestald op een rij kratten. Het ziet eruit als een standaard-drumstel dat uiteen is gevallen in zijn oorspronkelijke, losse componenten.

Purves laat een omgedraaid bekken bovenop een trommel balanceren. Geen onbekende slagwerkerstruc, maar deze keer komt er iets nieuws bij. Als hij op het bekken slaat, galmt het, rammelt tegen het trommelvel, en galmt nog wat na ti-tisj-ti. Purves komt niet uit de jazz, maar als hij in en langzaam tempo op het bekken blijft slaan, maakt hij er een automatisch swingmachientje van; ti-tisj-ti ti-tisj-ti ti-tisj-ti – het onmiskenbare geluid van de hi-hat van een jazzdrummer.

Gunga swingt, per ongeluk.

Hij maakt er het beste van, maar hoe zacht hij het bekken ook raakt – hij kan de subtielste van alle slagwerkers zijn – het ding wiebelt over de trommel heen en weer en de klank verandert voortdurend. Opeens klinkt hij als de drummer die de doodzonde van de percussionist begaat, hij 'draait de beat om', wat wil zeggen dat hij de verkeerde tel accentueert. Hij hoort meteen wat er mis is, en probeert het bekken weer in het gareel te krijgen, tevergeefs. Maar niks aan de hand, het publiek begint te lachen, en zowaar het klinkt eigenlijk precies goed.

Gunga is de weg kwijt, dankzij pure inspiratie.

het is de kern van Alan Purves' muziek: een zelfgevonden techniek en een zelfgevonden concept, met alle risico's van dien. In bijna elk concert komt hij wel met zo'n vondst, en soms raakt hij er zo in verwikkeld dat je haast medelijden met hem zou krijgen. Maar pas op: van zijn gezicht valt geen enkele emotie te lezen. Purves heeft een pokerface – behalve als hij grote ogen opzet om wat iemand zegt of doet; als een ernstig kind dat niet snapt waar de volwassenen het over hebben. Hij spreekt Engels (of Nederlands) met zo'n dik Schots accent – na ruim twintig jaar in Amsterdam – dat je je afvraagt of hij het er soms om doet. Wat niet het geval is.

'Ik vind het nooit een probleem als ik eens naast de beat zit, omdat het voor mij makkelijk is er eentje bij te tellen of af te trekken en het weer te herstellen.'

Ter demonstratie roffelt zijn hand op de tafel: EEN twee EEN twee EEN TWEE een TWEE een TWEE. Hem gaat gemakkelijk af waar sommige ervaren drummers de grootste moeite mee hebben. 'Ik kan de vaste grond onder de voeten verliezen, maar dan blijf ik gewoon in de lucht, net zo lang tot ik hoor waar de rest van de band zit.'

Hij oefent niet op stijlen of licks, maar aan zijn staat van dienst zie je dat etnische ritmen hem liggen: hij werkte lang met de Portugese zanger Fernando Lameirinhas, met de trompettist Rajesh Metah, in wiens ritmen je soms India terughoort, en de groep Bite the Gnatze van gitarist Paul Pallesen, die geïmproviseerde muziek verbindt met Britse folk.

Vorige maand maakte hij in Sardinië cd-opnamen met plaatselijke zangers (samen met de cellist Ernst Reijserger, met wie hij vaak duo speelde) en in juni trad hij op met een dorpsorkest uit Transsylvanië (Purves: 'Het klikte op een rare manier. Maar je kon aan hun gezichten zien dat zij er anders over dachten'). De komende weken treedt hij op met de zangeres Jodi Gilbert, en met de Argentijnse bandoneonspeler Gustavo Toker. Dit weekeinde speelt hij vrije improvisaties met de bariton-saxofonist Ad Peijnenburg.

Dankzij zijn aardse directheid en gebrek aan pretenties redt hij zich ook in meer traditionele situaties. Zijn arsenaal grijpt terug op universele jeugdervaringen: hij gebruikt piepbeesten en zoemende plastic buizen, kleine trommeltjes, enkelbellen, bekkens uit de Chinese opera, en 'bones' die hij op authentiek-Schotse wijze in beide handen laat klepperen.

Het maakt hem een hit op de kinderconcerten die hij regelmatig geeft met Reijseger en trombonist Wolter Wierbos. Als kind tikte hij met moeders breinaalden op emmers, en hij houdt nog steeds van het gekletter van heel lichte stokken op hoog gestemde trommels.

'Ik ben op m'n best als het niet al te duidelijk is wat van me wordt verwacht. De mooiste concerten zijn als ik echt geen idee heb.' Vraag je hem om 'jazz' te spelen, dan is de kans groot dat hij dichtslaat, maar zet hem in een jazzgroep, en bedenkt hij wel iets bruikbaars.

'Ik hou van time cycles. Ik denk in triolen, in twee tellen per maat, in é tel per maat. Voor mij bestaat het hele universum uit dat soort combinaties. Maar als ik eenmaal de geest krijg, weet ik niet meer of ik een cyclus van zeven, vijf of tien tellen speel. Het fascineert me, maar tegelijk ben ik de slechtste time keeper die er is.'

Hij heeft niet Allan of Allen of Alen of Purvis, of zelfs Pervert, Conga of Ganja – wat je ook op affiches of in concertaankondigingen mag lezen. Volgens een hardnekkig gerucht heeft hij een hekel aan zijn artiestennaam Gunga, maar dat blijkt niet waar. 'Ay, some boy in Ierland is dat verhaal begonnen.' Voor Gunga is iedere man onder de honderd een boy.

Purves ziet er compact en robuust uit, en verzamelt stripboeken – een echte boy. Hij werd geboren in 1952 en groeide op in een ruwe buurt in Zuid-Edinburgh, met weinig perspectief op een carrière. 'De Einsteins op mijn school werden automonteur.' Jazz kende hij van Amerikaanse films op tv. Howard Hawks Ball of Fire, waarin jazzvirtuoos Gene Kraupa een drumsolo met lucifers speelt, maakte diepe indruk.

Hij liep weg van school en ging werken in een kapsalon, waar hij hoofden mocht inzepen. Hij spaarde genoeg om een drumstel te kopen en werkte daarna als lasser en smid, 'het mannelijkste beroep op aarde'. Hij studeerde stiekem onder werktijd, met las-staven als trommelstokken.

Nadat hij met een rockband naar Londen was vertrokken, ontmoette hij de saxofonist Sean Bergin, die jazzplaten voor hem draaide. Rond 1975 kwam hij naar Amsterdam, waar hij gaandeweg in de vrijgevochten theaterscene terechtkwam. Al gauw trad hij op met de clown Jongo Edwards en uiteenlopende dans- en theatergroepen.

Twee jaar lang werkte hij met het Footsbank Traveling Theatre in Macbeth. Purves leverde slagwerk en geluidseffecten en Steve Johnson plukte stemmige harppartijen op een oud pianoframe. In elke voorstelling was er een korte pauze voor de muziek, die eindigde met een flinke gongslag van Purves. Steve Johnson stak dan een sigaret op en schoot de peuk tegen de gong – een net hoorbaar ding!, pal voor Purves' luidde BONG!! Purves gaf nooit een krimp. Tot Johnson een keer klaar zat voor zijn harpsolo, en er hoog over het podium een schoen kwam aanzeilen, om precies midden in de snaren te belanden: BAWWWOOOONNGGGG!!!

Alan Purves wil 'alles' spelen – 'I'm a greedy bastard' – en dat lukt hem bijna. Hij speelt lawaaiige rock en blues in Ierse bars in de Amsterdamse Pijp, en levert discrete begeleidingen in Peggy Larsons zangkoor Peggy's Angels in een dorpskerk. Hij past precies in Sun Ra's space jazz' van Joost Buis' Famous Astronotes. 'Ik hou vooral van de kleur van zijn spel', zegt Buis. 'Hij is net Bily Cobham [de luide jazzrock-drummer] op kleuterschool.'

Zelfs als hij z'n best deed, zou Purves nog niet doorsnee kunnen klinken – een mooie eigenschap als je naar individualisten zoekt. Vorig jaar vroeg de gitariste Corrie van Binsbergen hem in haar groep Brokken 5. 'Ik wilde geen drummer-drummer', legt ze uit. 'En Alan kan luisteren als weinig anderen, ook als hij met zijn eigen dingen bezig is. Het gaat hem om het geheel.'

1997 was een moeilijk jaar voor Purves. Hij scheidde van de moeder van zijn drie zoontjes (van wie hij zielsveel houdt), en ging aan het zwerven. Vier nachten sliep hij onder een boom in het Vondelpark, voor vrienden een zoektocht begonnen en hem redden.

'Het was een midlife-crisis, en nu heb ik het gevoel dat ik er mijn hele leven op heb zitten wachten. Ik wilde nooit zekerheid. Het idee van zekerheid maakte me juist onzeker, omdat je het vast moet houden. Ik heb al die jaren geen idee gehad van de logistiek van concerten, of hoe bands functioneren, hoe gemeen mensen onderling kunnen zijn. Nu zie ik ook , omdat ik kinderen heb, de werkelijkheid onder ogen' – hij kijkt verbaasd: 'and I'm loving it!'

De nieuw Gunga: hij heeft een verblijfsvergunning, woont in een fris appartement aan de Kostverlorenvaart. Hij was nooit lid van de muzikantenbond BIM, vanwege zijn fundamentele bezwaren tegen welke organisatie dan ook waar niet iedereen lid van kan worden. Maar zo langzamerhand begint hij te praten als een echte Dutch improviser. Heeft hij verder nog wensen? 'Yeah. Wanneer gaan we eindelijk eens wat geld zien?'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden