Ik ben niet voor niets gebleven

25 jaar stadsvernieuwing heeft de Jordaan grondig veranderd. Hoe verhoudt de dorpse folklore zich tot de nieuwbouw? Klinkt de bij Jordanezen geliefde opera wel tussen het beton?...

WAT IS dat nou, dat Jordaan-gevoel? Loes, die al meer dan haar halve leven aan de Lijnbaansgracht in Amsterdam woont, omschrijft het zo: 'Ik moet altijd naar huis. Al beloven ze me een reis naar Amerika, ik ben gelukkig in m'n huis. Als ik de Jordaan verlaat, dan ga ik in zes plankjes.'

Maar Loes heeft de buurt zien veranderen. Yuppies die thuis niet meer aan de aardappelen zitten maar meer van eettentjes houden, mensen die op de stoep eten. 'Wel gezellig, maar als Jordanezen voelen we ons niet thuis.' Misschien ligt het grootste verschil wel in het hebben of niet hebben van gordijnen. 'Ze hebben geen knappe gordijnen, ze hebben de planten gewoon zo voor de ramen staan. Dan denk je bij ezelf: 'Dat zou ik nog niet eens in m'n tuin zetten, maar dat moeten zij weten.'

Loes is een volbloed Jordanese, mijnheer Wesseling is dat niet. Hij woont sinds 1971 in de wijk. Een typische Jordaan-verdieping. Vier meter breed, twaalf meter diep. Ook Wesseling zag de buurt veranderen. Bouwvallen werden gesloopt, de oorspronkelijke bewoners verdwenen en ervoor in de plaats kwamen kunstenaars, tweeverdieners, studenten. Niet-Amsterdammers ook. Wesseling: 'De buurt is absoluut nieuw leven ingeblazen, kun je zeggen, doordat er enorm veel nieuwe woningen bij zijn gekomen, waar allerlei mensen in zijn komen wonen. Met alles wat daaromheen zit, is dit van een afstervende, beetje derderangs buurt een heel prettige buurt geworden.'

Over de Tweede Boomsstraat hing in de jaren zeventig een spandoek met de tekst 'Ik ben niet voor niets hier gebleven'. Er spreekt opluchting, erkenning en een overwinningsgevoel uit deze kreet van een naamloze Jordanees. Vooral in de lange straten, parallel aan de grachten die al eind vorige eeuw waren gedempt, hadden zich sluipenderwijs lage dozen gevestigd met obscure bedrijfjes of garages erin. Tot overmaat van ramp dreigde de Jordaan eind jaren zestig ook nog te moeten plaatsmaken voor brede verkeerswegen.

Maar degenen die bleven hebben het pleit gewonnen. Ze zagen hoe wethouder Lammers van Volkshuisvesting in 1971 met een heimachine letterlijk het verval een halt toeriep. De politiek was om, de Jordaan bleef bestaan. Een achterbuurt groeide uit tot een wijk waarvoor je je niet hoeft te schamen. Ook al leven Johnny Jordaan, Tante Leen en Willy Alberti niet meer, er zit weer muziek in de wijk. De geschiedenis herhaalt zich. De Jantjes, de revue van Herman Bouber die in 1922 al zo treffend het volksgevoel weergaf, komt dit seizoen weer op de planken. Voor de zoveelste keer. Alsof er niks is veranderd.

De stadsvernieuwing die de buurt uit het slop heeft getrokken, is nu 25 jaar verder en bijna voltooid, zou je kunnen zeggen. Dat wordt gevierd met een boek, waarin Loes en de anderen hun liefde voor de buurt belijden, met een fototentoonstelling, en met discussies. Want de Jordaan zou de Jordaan niet zijn als er veel werd afgepraat. Gekankerd of gejubeld. Of de nieuwbouw nou wel of niet geslaagd is. Of de nieuwkomers werkelijk een aanwinst zijn. En het belangrijkste: of het karakteristieke is gehandhaafd.

Willy, die in haar slaapkamer voor fotograaf Paul Huf poseerde op haar gebloemde sprei, hoort voorbijgangers wel eens zeggen 'O wat een lelijk nieuwbouwhuis en wat een leuke panden hiertegenover'. 'Dan denk ik bij mezelf: wat lekker, ze weten niet hoe mooi het binnen is en dat is voor mij het belangrijkste.' Als ze de klokken van de Westertoren maar kan horen, dat was en is voor menige Jordaan-bewoner het voornaamste. Het thuisgevoel.

Een dorp in de stad is het, de Jordaan. Iedereen heet er ome of tante. Ze hangen over een kussentje op de vensterbank om het straatleven te controleren. Onderwijzers als Jan Ligthart in de vorige eeuw en Theo Thijssen voor de Tweede Wereldoorlog namen het op voor de straatschoffies, geboren in wiegies als stijfselkissies. Misschien wel dankzij hun inzet, vlogen de Jordanezen uit, naar de nieuwe licht- en luchtwijken in Amsterdam-West.

ALLEEN de arme gezinnen bleven achter in wat ooit de dichtstbevolkte 'achterbuurt' van Nederland was. Dat van die achterbuurt is niet helemaal waar: de Bloemgracht en de Rozengracht waren de goudkust, het domein van handelaren en doktoren. Daar poetsten op zaterdagmorgen de dienstmeisjes de koperen bellenborden. Nog geen vijftig meter verder zaten de garnalenpellers, leerlooiers en timmerlieden met hun gezinnen opgepakt in veel te kleine en donkere kotten.

In 1890 woonden er op dit voormalige weiland 83 duizend mensen. Ze leegden hun po's in de gracht en moesten dagelijks het water uit hun kelders scheppen. In de Egelantierstraat hing doorlopend de stank van vuilnisvaten en vuilnishopen. Een voedingsbodem voor ratten en cholera, maar ook voor oproer en rellen. Het Palingoproer van 1886 - na een verbod op het populaire maar dierenkwellende spel palingtrekken -, werklozenrellen in 1934 en de Februaristaking in de Tweede Wereldoorlog, ze voltrokken zich in de Jordaan. Maar bij de laatste grote rel, tijdens de kroning van koningin Beatrix, bleef het rustig in de wijk. De Jordaan was en is zeer oranjegezind. Mannelijke vrijwilligers stonden erop koning Willem III bij zijn jaarlijks bezoek met zijn koets door de Willemsstraat te trekken. Toen Beatrix spontaan besloot haar vijftigste verjaardag te vieren met een wandeling door de wijk, kreeg ze al even spontaan een kus van een bewoner. Geef me een zoen, meid. En ze deed het.

Eind jaren zestig waren er 23 duizend Jordanezen over en nu is het aantal bewoners verder gedaald, naar rond de 17 duizend. Ze wonen achter schoon metselwerk met veel balkonnetjes, de steile trap is vervangen door een comfortabele opgang en de stoep die door verschillende woningen gedeeld moest worden, leidt nu exclusief naar één woning. Het is snel gegaan. De oude foto's die in deze herdenkingsdagen uit het archief worden opgediept, laten merkwaardige vindingrijkheden zien: een gootsteen buiten een raam die rechtstreeks loost op de hemelafvoer. Of het half gesloopte pand, ook in de jaren vijftig, waarvan de achterpui is weggeslagen maar waar duidelijk nog een kamer wordt bewoond: het bed is opgemaakt, de kleren hangen er nog.

Net als in de Nieuwmarktbuurt of de Schilderswijk in Den Haag waren er schrik aanjagende gemeenteplannen voor nodig om de wijk uit haar slaap te wekken. Uit 1970 dateert een bestemmingsplan dat niets heel liet van het karakter van de Jordaan. De langgerekte en soms onlogisch lopende straten zouden worden omgebogen en veranderen in woonerven met veel groene binnenterreinen. Groen, op plantsoenen of pleinen, dat ontbrak nou juist in de Jordaan en dat mocht dan niet de meest ideale omstandigheid zijn, het was wel kenmerkend. Het bevorderde de saamhorigheid en die leidde weer tot een levenskunst, die in heel Nederland werd uitgedragen.

Maar hoe verhoudt die dorpse folklore zich tot de nieuwbouw? Klinkt de bij Jordanezen geliefde opera wel tussen het beton? De nieuwe blokken staan wat onwennig tussen de monumentjes. Het is geen stadsvernieuwing waar je hoge cijfers mee haalt. Zelfs de veel gelauwerde Aldo van Eyck heeft er samen met zijn compagnon Theo Bosch niet zijn meesterproef afgelegd in 1972 met een tamelijk naargeestig blokje aan de Eerste Laurierdwarsstraat.

Gunstige uitzondering zijn de gestreepte woningen met de hangende tuinen van Cees Nagelkerke aan de Tweede Bloemdwarsstraat. Het is vermoedelijk het best haalbare in een wijk met een weeffout: die smalle grachten die in een ongemakkelijke hoek van 30 graden op de grachtengordel staan en die kleine verkaveling. Het is niet eens zo vreemd geweest dat er in de jaren zestig nog is gedacht over totale sloop.

MAAR de wonden zijn geheeld en de reputatie is hersteld. De wijk is in trek bij Amsterdammers en provincialen. Toen restaurateur Jacob tien jaar geleden de kop van Noord-Holland verwisselde voor de Palmgracht, werd hij als zovelen verrast door die Jordanese humor. Tegen de buren zei hij dat hij zijn restaurant De Tropen wilde noemen en de hele Palmgracht met palmen wilde beplanten. Nou dat is mooi, zei een buurvrouw, dan hoeven we niet meer naar de Costa del Sol.

Tante Stijn, 82 jaar geleden geboren in de Laurierstraat, gaat elk jaar met de kinderen naar Spanje. Ook al heeft ze zich omringd met porselein, kunstbloemen en een kroonluchter, ze kan zich eigenlijk niet voorstellen dat je in zulke smalle straten blijft wonen. Had ze maar eerder die woning op de Admiraal de Ruyterweg moeten nemen. De sfeer is weg, vindt ze, en als ze zich nu eens verveelt, gaat ze in het tramhokje op de Rozengracht zitten.

25 Jaar stadsvernieuwing. Ze heeft de Jordaan gered, maar het oude vertrouwde bestaan omgewoeld. En het woord zelf, stadsvernieuwing, lijkt bij de voltooiing van de operatie passé. Uit de mode. De nieuwe bewoners hebben andere mores ingebracht. Aan de Bloemgracht zijn de ramen zonder gordijnen in de meerderheid.

Tentoonstelling: De Jordaan gaat nooit verloren. Tot en met 26 oktober in de Posthoornkerk. Elke dinsdag tot en met zondag rondleidingen door de wijk vanuit de kerk om 14.30 uur. Het gelijknamige boek kost ¿ 49,90. Uitgave Island Publishers/D'arts; ISBN 9080374660.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden