Ik ben homo en ik ben NIET netjes

Terug naar het jubeljaar 2000. Het geld kan niet op, de beursindex AEX slaat alle..

Mattias Duyves (57) zat in een bioscoop in het zonnige San Francisco toen hij het hoorde. Het was de zomer van 1999. ‘De roXY staat in brand!’, sms’te een vriend hem. Hij dacht nog: dat kan niet, daar zit ik nu. De bioscoop waar op dat moment het Amerikaanse homofestival werd gehouden, heette immers ook zo. Daarna viel het kwartje: dat het om de Amsterdamse club ging waar hij wilde tijden had beleefd. Een groot verlies, zo voelde hij het direct. Alsof een tijdperk in rook opging, waarna het onzeker was wat daarop zou volgen.

In de flamboyante jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw was Club roXY als een steppingstone: alles wat de jaren daarvoor hadden opgeleverd, kwam daar op een hoger niveau samen. De homo’s waren uit de donkere steegjes in een lange stoet uiteindelijk daar aangekomen. Eindelijk mocht het zichtbaar zijn. Homo’s en hetero’s naast elkaar. Het was als het zout op het ei.

‘Ieder mens is een Superstar, zei Andy Warhol ooit. In die tijd gold dat vooral voor Amsterdam. In clubs als Mazzo (1980), de roXY (1986) en de iT (1989) hoefde je maar een catwalk neer te zetten en de rest kwam vanzelf. Met figuren als Erwin Olaf, Eddy de Clercq, Hellun Zelluf, Vera Springveer en het levende kunstwerk Fabiola was de lust tot improvisatie overal aanwezig. Je wilde iets zien, doen en beleven. Je eigen dans verzinnen en je eigen deejay zijn.’

Rode Flikkers
Het waren de hoogtijdagen van de Amsterdamse homoscene. Zelf was Mattias Duyves in 1973 van de rivieren en heuvels in het oosten van Nederland naar de hoofdstad gekomen. Voor stad, studie en seks. Hij wilde eropaf. Want in Amsterdam gebeurde het en waren homo’s met flair minder dun gezaaid. De stad bood handelingsruimte, een onuitputtelijk reservoir. Het was een tijd waarin hetero’s gingen scheiden en priesters trouwden. Je hoefde niet bij de mainstream te horen. Amsterdam was als een terp waar alles mogelijk was. Je kon er worden wie je was, je kon er worden wie je niet was.

Als lid van de Rode Flikkers werd Mattias Duyves, toen 25 jaar, door de Volkskrant geïnterviewd. De aanleiding van het artikel in de zaterdagkrant van 24 juni 1978 was een homodemonstratie, onder het vaandel ‘Bevrijding van homo’s’ die om één uur ’s middags die zaterdag vanaf het Frederiksplein zou vertrekken.

Duyves woonde toen nog in het grachtenhuis dat de Prinsengrachtcommune werd genoemd, samen met andere Rode Flikkers en meisjes van de Lesbian Nation. Ze schopten tegen de veel te defensieve homobelangenvereniging COC, die integratie van de homo bepleitte. Maar juist daaraan heeft Duyves, toen en nu, een hekel. ‘Je mag homo zijn, als het maar netjes is. Wij als Rode Flikkers zeggen: dat is verleden tijd’, verkondigde Duyves onomwonden in het interview.

Een druk baasje was hij. Te druk om zich met drugs in te laten, waaraan hij wel vrienden om zich heen kapot heeft zien gaan. Op zondagmiddag organiseerde hij met andere vrijwilligers lowbudget-safeseksfeestjes in de Warmoesstraat. Het type feestje tussen de dure sauna en de anoniemere darkroom in. Je kon er ook gewoon een glaasje komen drinken.

In het oude grachtenhuis op de Wallen waar hij al ruim dertig jaar woont, heeft hij nog wel een foldertje liggen van één van de gekkere feestjes, samen met het Russische Staatscircus. ‘A gay and lesbian night at the circus’, staat in grote blauwe letters geschreven op de eenvoudige brochure uit 1998, het jaar van de Gay Games in Amsterdam. Met acts als de ‘Masochist Siberian Tigers’, ‘Safe Sex Guerrilla’, ‘Les pots aux Feu’ en ‘Alexander Tichanov – he even juggles dildos’.

Het ontmoetingscentrum van homobelangenvereniging COC was te duf voor hem. Liever ging hij naar de eerste leerkroeg Argos of naar de Monico, de versleten oude pottenbar waar de jaren zestig nooit waren aangekomen. In die tijd kwam ook de Reguliersdwarsstraat op als ontmoetingsplaats voor de homogemeenschap. Een mythische plek, waar Duyves in 1953 werd verwekt. ‘Een medaille die je meekrijgt.’

Als tolerante vrijhaven sprong Amsterdam er in Europa tussenuit. De toeristen kwamen in die jaren allang niet meer alleen voor oude grachtjes en het Van Gogh Museum. De petroleumgeur van de Amsterdamse haven werd eerst verdreven door de geur van hasj, zoals spullenbaas Anton Dreesmann het raak heeft getypeerd. Later volgden de geur van poppers en de nieuwste parfummetjes van de homo’s.

Het ging om meer dan alleen de flamboyante sfeer van ‘alles is mogelijk’. Homo’s overal ter wereld boekten niet alleen een ticket om de garantie dat je er seks kon hebben. Nederland was een stabiel land met een aantrekkelijk homoklimaat van openheid, oog voor homorechten en een relaxte publieke opinie. De goede gezondheidszorg kon snel inspringen op de opkomst van de ziekte aids, in het begin van de jaren tachtig.

Maar men wist ook: zodra andere Europese steden eenmaal hun poorten naar lokale homo-emancipatie zouden openen, kon Amsterdam haar onbedreigde positie wel vergeten.

Als kleine stad moest Amsterdam zich met durf en visie zien te onderscheiden. Zoals met het Homomonument, dat in 1987 tot stand kwam bij de Westerkerk. Of met het Roze Wester Festival dat Duyves vanaf 1992 organiseerde. Het monument mocht geen sacrale plek worden, maar een nieuw trefpunt waar constant leven in de brouwerij was.

Duyves kreeg in de Amsterdamse scene de bijnaam ‘sloofje’, omdat hij op de achtergrond altijd bezig bleef. Heel anders dan de flamboyante Siep de Haan, die van Amsterdam Pride het populairste homo-evenement van Nederland wist te maken. ‘De ene aanjager is nou eenmaal de andere niet’, zegt Duyves.

Met het afbranden van de roXY was de val van de jaren negentig een feit. Dat die vrijzinnige diversiteit in het extravagante stadsleven niet eeuwig zou voortduren, wist Duyves al. Dat was onontkoombaar. Men gaat het kunstje herkennen en dan is de schok eraf. Going, going, gone! Maar daar houdt hij juist van, de tijd is dan alweer rijp voor wat anders. Dat moet je niet willen overleven. Hij heeft een hekel aan organisaties die krampachtig proberen vast te houden aan het verleden.

Het imago van Gay Capital kun je als stad niet eeuwig behouden. Het zijn cyclische momenten. In de jaren twintig was het Parijs met Jean Cocteau, in de jaren dertig Berlijn, totdat het fascisme er een einde aan maakte. In de jaren zestig volgde Londen. Na Amsterdam worden nu weer steden als Londen, Barcelona, Berlijn, Istanbul en Madrid genoemd als homoparadijs.

Varkens
De jaren negentig waren prachtige jaren, achteraf gezien. Daar kwam voor Duyves in het voorjaar van 2001 definitief een einde aan. In het actualiteitenprogramma NOVA vergeleek imam Khalil el-Moumni van de Rotterdamse Annasr moskee homoseksualiteit met een besmettelijke ziekte en Europeanen met varkens omdat ze homo’s dulden. El-Moumni eiste voor moslims het recht op om niet geconfronteerd te worden met homo’s op straat. Duyves stond versteld van de vanzelfsprekendheid waarmee El-Moumni zich uitsprak. Amsterdam verloor op dat moment haar roze voortanden.

Sinds de jaren zestig waren homo’s in Amsterdam een ‘victorious minority’ geweest. Tegen weerstanden in hadden ze de ene na de andere overwinning binnengehaald. De eerste homohuwelijken ter wereld die door burgemeester Job Cohen op 1 april 2001 werden gesloten, waren nog maar net achter de rug. Het was hun voor de wind gegaan. Nu zouden moslims opeens het recht moeten hebben om Duyves en zijn vrienden weg te sturen? Dat werd geëist in zijn eigen stad. Een vuistslag midden in het gezicht. Een oorlogsverklaring.

Duyves was er niet op voorbereid. Amsterdammers vonden zichzelf zo gastvrij. Daardoor kwam het extra hard aan. Maar mensen van buiten zagen dat anders. Amerikaanse studenten aan wie hij lesgaf op de Universiteit van Amsterdam zeiden later: hebben jullie al die tijd op een eiland geleefd dat je dit niet hebt zien aankomen? ‘You funny Dutch are too high to see your own shit.’

Met de uitspraken van El-Moumni voelde hij de grond onder zijn voeten wegzakken. Hij werd waakzaam. Het nieuwe onbehagen tussen bevolkingsgroepen was als een dwaallicht in de straten van de stad. Iedereen staarde naar hoe het elke keer van kleur verschoot. De vraag die broeide was: wat gloeit daar?

Met de moord op Pim Fortuyn in mei 2002 en die op Theo van Gogh in november 2004 raakten de relaties tussen de verschillende groepen in Nederland nog dieper verstoord. Mensen durfden minder, merkte Duyves. Bij festivals en feestjes draaide alles om veiligheid. Opeens waren daar overal die mannen in pak met v’tjes op de borst. Als er zo’n man voor de deur staat, hoeft het voor hem al niet meer. Waakzaamheid nam de plaats in van improvisatie.

De toekomst van Amsterdam als Gay Capital; Duyves heeft er weleens gesprekken over met zijn jongere collega, de socioloog Laurens Buijs, die aan de Universiteit van Amsterdam. onderzoek doet naar het geweld tegen homo’s. Buijs noemt de hoofdstedelijke homoscene een ‘pijnlijk slap aftreksel van de florerende, wereldberoemde en taboedoorbrekende scene van de jaren ’80 en ’90’.

‘Laurens, je lijkt wel een oude man’, zegt hij dan. ‘Ik ben hier toch de homoveteraan?’

Maar ook Duyves is niet erg hoopvol. De homoscene in Amsterdam is nu een vlag op een modderschuit. Je hoort de PVV en de PvdA denken: die moeten we te vriend houden. De politiek is panisch voor ongelijkheid in de samenleving, daarom doen homo’s het zo goed. Als boegbeelden van een egalitaire cultuur. De landelijke politiek geeft kopjes aan de homo’s. Maar het is een keurslijf geworden.

Uiteindelijk is die sociale acceptatie van homo’s bladerdeeg. Zodra het niet past in de status quo, is het gedaan. Je ziet het bij de geleidelijke verdringing van homo-ontmoetingsplekken uit het straatbeeld. Tot 1970 zochten mannen elkaar massaal op bij urinoirs, in afgelegen hoeken en in de menigte op straat. Met de parkeerdruk en vrije trambanen werden de ontmoetingsplekken de gevels ingedrukt, en de homo’s de bars in. Nu gaat het weer een stapje verder en verruilt menig homo het café en de darkroom voor de chatrooms in de eigen slaapkamer.

Met verbazing keek Duyves naar de iPhone van zijn collega Buijs, waarop in een mum van tijd alle in seks geïnteresseerde mannen in de omgeving verschijnen, inclusief leeftijd, gezicht, gewicht en seksuele ambitie. Daarvoor hoef je niet meer naar gespecialiseerde homobars of donkere uithoeken van de stad.

Op het gebied van seksualiteit ziet Duyves de vertrutting. Wat Geert Wilders is voor de allochtonen, zijn politici als Ernst Hirsch Ballin en Lodewijk Asscher voor seksueel vrijgevochten groeperingen. Almaar alles willen beperken, omdat men angstig is. Er is een gebrek aan verbeelding. En dat terwijl Amsterdam op goud zit. Erotiek en seks zijn de slagader in het stedelijke leven. Er zal altijd behoefte zijn om daar iets mee te doen. Maar daar lijnrecht tegenin worden de Wallen opgeschoond, de ramen gesloten en mag niets meer.

In 2012 is het honderd jaar geleden dat de eerste Nederlandse vereniging voor homoacceptatie werd opgericht. Een mijlpaal waarop de homowereld zich voorbereidt. Tegen die tijd hoopt Mattias Duyves allochtone jongeren tegen te komen vooraan in de gelederen die de volgende eeuw betreden. Een nieuwe generatie in de lange stoet van clubs voor homoacceptatie.

Volgende week Gert Vooijs Dansen op de vulkaan

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden