'Ik ben er'

Eigenlijk zou Philip Freriks (61) stoppen als presentator van het achtuurjournaal, maar vanwege een conflict rond zijn opvolger Charles Groenhuijsen 'mag' hij langer blijven....

Heeft u Charles Groenhuijsen al bedankt?

'Jazeker. Hij heeft mij een felicitatie gestuurd, zoals ik hem een felicitatie heb gestuurd toen bekend werd gemaakt dat hij mij zou opvolgen.'

Wat schreef hij u?

'Van harte gefeliciteerd.'

Opgewekte lach.

Over de telefoon waarschuwde Philip Freriks: 'Over Charles Groenhuijsen zeg ik niks, hoor. Aan die kwestie brand ik mijn vingers niet. Ik heb nooit problemen gehad met Charles.' Aanvankelijk was de bedoeling een afscheidsinterview met hem te houden - zijn laatste dag als presentator van het achtuurjournaal zou eind vorig jaar zijn geweest. En toen ontplofte het tussen Hans Laroes, hoofdredacteur van het NOS Journaal, en de opvolger van Freriks. In een venijnig getinte e-mailwisseling over secundaire arbeidsvoorwaarden maakte Groenhuijsen zijn hoofdredacteur uit voor 'schnabbel-Gestapo'. Niet lang daarna gleed de ontslagbrief in zijn bus.

U moet verbijsterd zijn geweest over de manier waarop Groenhuijsen zich de afgelopen maanden heeft opgesteld.

'Noem het verrast. Het komt niet vaak voor dat iemand bij de NOS op deze manier wordt weggestuurd, dus er moet behoorlijk wat zijn gebeurd.'

Het is dom de baas uit te maken voor schnabbel-Gestapo.

'Ik denk dat het niet zo'n slim woord is, nee. Je hebt gauw de neiging om psychologie van de koude grond te gaan plegen. Dat moet ik maar niet doen.'

U bent blij, dat u blijft presenteren.

'Ja. Het heeft wel een heel erg de een zijn dood, de ander zijn brood-gehalte, maar...'

Vindt u dat vervelend?

'Ik heb liever niet dat de indruk ontstaat dat ik mag blijven zitten doordat het met Charles is misgelopen - al is dat in wezen natuurlijk wel zo. Maar het prettige is dat ik nu de einddatum heb genoemd, terwijl die me de vorige keer werd opgelegd. Ik hou ermee op, in de maand dat ik 64 word. Nog 2,5 jaar. Het klinkt idioot, maar dat is een wereld van verschil. Voor mijn gevoel van eigenwaarde. Het gaat toch om de eer, tussen aanhalingstekens.'

Je zou verwachten dat u daar boven staat, gezien uw reputatie in de journalistiek.

'Nee, waarom zou ik? Als je dat gevoel niet meer hebt, dan ga je misschien wel domme dingen roepen.'

Freriks kijkt veelbetekenend. Punt.

Later wil hij er dit nog wel over kwijt: 'Nederland, en met name de journalistiek in Nederland, is natuurlijk erg gedemocratiseerd. We zijn allemaal vrienden en vriendinnen. Ik zeg Hans tegen mijn hoofdredacteur en jij zegt Pieter tegen de jouwe. Er is een hele informele, nauwelijks hiërarchische relatie. Je hebt vrijheid van expressie. Sterker nog: er wordt van je verwacht dat je meepraat over de inhoud van het Journaal of de krant. Maar dat vriendjesgedoe heeft grenzen. Als het om de bestuurlijke kant van de zaak gaat, is er wel degelijk een verschil. De hoofdredacteur is de baas. Dat moet je natuurlijk goed weten - ik denk dat de meesten dat ook weten. Er moet iemand zijn die de knoop doorhakt. Je kunt niet eindeloos blijven discussiëren. Op een gegeven ogenblik moet je je plaats kennen. En dat wil helemaal niet zeggen dat je een doetje bent.'

Charles Groenhuijsen kende zijn plaats niet?

'Kennelijk heeft de hoofdredactie geoordeeld dat hij die grens heeft overschreden. En of dat nou het woord Gestapo is geweest... daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Ik geloof dat ook het woord vertrouwensrelatie is gevallen. Volgens mij is dat waar het om draait. Met mensen die zo gezichtsbepalend zijn voor het Journaal, moet de hoofdredactie een goede relatie hebben.'

Aan het einde van het gesprek zegt hij: 'Misschien dat Charles het uiteindelijk zo wel heeft gewild. Misschien dat hij over drie maanden zegt: 'Dit is het beste wat ik had kunnen doen.' Volgens mij zag hij er ontzettend tegenop naar Nederland te komen. Die jongen wilde zo graag in Amerika blijven.'

Zijn zoon Emmanuel, begin 30, stommelt de trap af, in het tweede huis van Philip Freriks. Hij is op vakantie bij zijn ouders. Een heerlijk huis in Noord-Parijs, het zeventiende arrondissement. Licht, veel wit, en vrolijk. Hier is Freriks als hij het achtuurjournaal niet hoeft te presenteren. 'In Nederland werk ik, in Frankrijk rust ik uit.' Zijn vrouw Lili is net de deur uitgestapt. Als ze langer wegblijft dan verwacht, spreekt hij zijn angstige vermoeden uit dat ze ergens in een winkelstraat is blijven 'steken'. Parijs is in shoppingmood. Galerie Lafayette wordt bestormd.

De afgelopen jaren waren druk, te druk. Een paar maanden geleden kreeg hij last van zijn oog. Een hersentumor, flitste even door zijn hoofd. Gelukkig kon de specialist niets ernstigs vinden. Stress monsieur, constateerde hij. Een beetje rustiger aandoen. Naast zijn presentatorschap van het achtuurjournaal en klussen als het Nationaal Dictee schreef duizendpoot Freriks de laatste jaren ook nog vier boeken. Daarvan voerde hij er twee op in het theater: Ik herinner me en Gare du Nord, waarin hij opnieuw 'steward met de pet' speelde, zoals in zijn jonge jaren, toen hij nog nachtconducteur was op de Wagon-Lits.

Philip, zoon van een Utrechtse spoorwegman, ontmoette in 1963 de Parisienne Lili, op het jazzfestival in Juan-les-Pins. Na een studie politieke wetenschappen in Parijs werkte hij als correspondent voor Het Parool, de Volkskrant en het NOS Journaal. In 1996 werd hij presentator van het achtuurjournaal. Dat viel niet mee, in het land van doe-maar-gewoon. Nederland moest even wennen aan deze joyeuze meneer in zijn getailleerde jasjes, die ineens zijn eigen invulling aan het begrip anchorman ging geven. Freriks herschreef de teksten die voor hem waren gemaakt, belde zelf verslaggevers en correspondenten om live-gesprekjes voor te bereiden, bedacht - ludieke - overgangen van het nieuws naar de weerman. Hij las het nieuws niet voor, hij 'bracht' het. Nu is hij voor een groot deel van Nederland de meest tot de verbeelding sprekende nieuwslezer, toen riep hij vaak ergenis op. 'Ik heb het onderschat', zegt de presentator, over die beginperiode. 'Ik wilde te veel, ik had de zaak niet goed in de hand. Alsof je als dementerend automobilist ineens 130 rijdt op de snelweg en denkt: jezus, wat moet ik nu? In het begin was er veel rumoer over mij, waren er veel anti-reacties.'

Schrok u daarvan?

'Ja, daar schrok ik wel van. Ik heb zelfs mijn ontslag aangeboden. Na een half jaar zei ik: 'Zullen we ermee ophouden? Het moet niet tegen het Journaal gaan werken.' Maar de hoofdredactie zei meteen: 'Ben je gek. Doorgaan met ademhalen.'

'Er is aardig wat over me geschreven. Ik ben behoorlijk hard aangepakt. Daar moet je tegen kunnen, wordt er dan gezegd. Maar ja, intussen staat het er wel, hè. Nu ben ik behoorlijk getraind. Ik heb alles wel gehad.'

Dat deed zeer?

'Dat deed zeer.'

Wat vond u het vervelendste?

'Wanneer je als helemaal niks wordt weggezet. Als een soort oetlul. Tegelijkertijd zei mijn vader altijd: beter dat ze over je lullen, dan dat ze van je vreten.'

Hoe kijkt u nu naar uzelf?

'Het begint te worden wat het moet zijn. Ik begin de balans te vinden tussen het vertellen van het nieuws en er zijn. De Fransen hebben daar een mooie uitdrukking voor: 'Je moet weten tot hoe ver je te ver kunt gaan.' Maar dat is al behoorlijk ver.'

Dat is wat u doet?

'Ik probeer zo ver mogelijk te gaan, voor zover dat dan kan.'

Waarom vindt u dat zo belangrijk?

'Elke dag is weer een nieuwe dag. Anders vind ik het saai, routineus en oninteressant.'

Die heeft het hoog in zijn bol, zeggen ze dan in Nederland.

'Ik redeneer als kijker. Als ik het achtuurjournaal zie, wil ik iemand hebben die het elke dag weer helemaal opnieuw doet. Iemand die mij meeneemt. Die mij duidelijk kan maken dat ik effe moet blijven kijken. Die zijn best doet.

'Het is onvermijdelijk, maar we zijn een nieuwsfabriek en soms is dat te merken. Er hangt een sfeer van vanzelfsprekenheid, waarvan ik denk: zo vanzelfsprekend is het niet, of het zou niet zo mogen lijken.'

Het lijkt alsof u een rol speelt in het achtuurjournaal.

'Elementen van theater zitten er wel in, ja, een zekere dramatisering. Ik herken ook dezelfde spanning als in het theater. Het gevoel als je om twee minuten voor acht de studio inloopt: daar gaan we weer, nú moet het gebeuren. De gong van het Journaal is als het ware het gordijn dat opengaat.

'Televisie is ook performance. Je moet er zijn, het heeft met uitstraling te maken. Ik ken mensen - namen noem ik niet - die perfect weten waarover ze het hebben, maar op televisie is het niks. Heel onrechtvaardig.'

Waardoor lukt het u wel?

'Het is kennelijk de behoefte je te manifesteren. En ik vind het ook heel leuk de schaamte voorbij te gaan. Je moet je remmingen afleggen. Ik merk vaak dat televisie in de intellectuele wereld wordt gezien als iets minderwaardigs. Hoger opgeleiden vinden televisie maar zozo. Die zijn erg bang voor joker te staan. Het moet allemaal heel verantwoord. Terwijl je je erin moet storten. Niet bang zijn. Aan de andere kant: doordat je het met een bepaalde uitstraling doet en duidelijk je persoonlijkheid neerzet, stijgt voor sommigen ook je irritatiefactor.'

Uw versprekingen blijven u achtervolgen.

'Ik heb de illusie dat het niet meer zo vaak voorkomt. Maar tegen de beeldvorming kan ik niet op. Onlangs werd ik op hoge toon aangesproken door een juffrouw van BNR-radio: of ik nog van plan was mezelf te verbeteren. Nou luister ik toevallig weleens naar dat radiostation en dat is soms een brij van versprekingen. Maar daar mag het kennelijk. En ik mag het niet. Al maak ik vanaf nu tot mijn dood nooit meer een enkele verspreking, ik zal er altijd over aangesproken worden.'

Waardoor blijft de buitenwereld er zo mee bezig?

'Omdat je wat pretendeert. Door daar te zitten en het ook nog eens op een andere manier te doen. Ik zal soms ook complete onzinteksten hebben uitgesproken en daar hoor je niemand over. Maar o wee als je je een keer verspreekt of als je das scheef zit. Televisie heeft veel met uiterlijkheden te maken. Mensen willen zich identificeren. Half Nederland draagt verkeerde dassen en dus heeft men veel liever dat er iemand zit met een verkeerde das dan... nou ja, het is nu weer heel arrogant wat ik nu zeg. Maar zo simpel is het toch.'

U probeert behoedzaam te formuleren.

'Je moet op je woorden letten, want anders wordt het onmiddellijk tegen je gebruikt. Wat denkt die man wel? Ik zeg al bij voorbaat: 'Zo heb ik het niet bedoeld. Ik heb niemand willen kwetsen, beledigen.' Ik ben een beetje politicus.'

De onzekerheid van het begin is voorbij.

'Nu kan ik rustig 130 rijden, ja. Ik ben meester over het stuur. Maar het loopt over veel schijven. Er hoeft maar iemand een foutje te maken en daar zit je weer. Volgens mij moet je altijd tegen de kijker zeggen wat er aan de hand is. 'Ik hoor gerommel in de gang, dus ze komen d'r aan!', heb ik eens geroepen. Sommige collega's vinden dat dat helemaaaaal niet kan. Die vinden dat dat de kijker geen moer aangaat. Dan ben je niet solidair met de redactie, dan lever je intern kritiek, of dat soort onzin. Als ik zeg: 'Het is iets technisch', voelt de technicus zich alsof hij voor de hele wereld te kakken wordt gezet. Het ligt allemaal gevoelig: het is tievie men, de ego's zijn groot.'

U bent natuurlijk zelf ook een baasje.

'Ja, dat ben ik wel. Zo word ik denk ik ook wel gezien, op de redactie. Maar ik heb de illusie, en dat hebben alle baasjes natuurlijk, dat ik het wel goed met die mensen kan vinden. Ik kreeg heel veel aardige reacties toen ze hoorden dat ik bleef.'

U kunt op uw ponteneur staan.

'O, ik kan behoorlijk uit mijn slof schieten, zeker.'

Het Franse haantje?

'Ach, het Franse haantje. Maar goed: ik ben er. Ja.'

U weet dat u er bent en wat u kunt.

'Ik weet goed wat ik kan. En ik weet ook wat ik niet kan.'

Veel collega's van uw generatie zijn aan de drank geraakt, voortijdig overleden, gescheiden... Dat is u niet gebeurd.

'Omdat ik altijd waarschijnlijk toch net op tijd besef... uit een soort zelfbehoud... Ik heb ook rare dingen gedaan, hoor, zo simpel ligt het niet. Het leven gaat zoals het gaat. En je loopt allemaal weleens langs de afgrond. Ik ben ook weleens bijna tegen een boom gereden. Ik ben zelfs weleens letterlijk tegen een boom gereden.

'Maar ach, er zijn er ook een hele hoop van mijn generatie die keurig met pensioen zijn gegaan.'

Dat waren doorgaans niet de zwierige types, waartoe u behoort.

'Nee, dat is waar. En dat zwierige vond ik ook altijd ontzettend leuk. Het Mediapark in Hilversum is nou niet de plaats waar de zwierigheid veel mogelijkheden krijgt. Als ik de baas van de NOS was, zou ik als eerste de hele redactie naar Amsterdam overplaatsen, op een plek waar minstens tien cafés staan.

'Toen ik nog correspondent was in Frankrijk, zaten we hier met een stel journalisten in een pand, gingen we elke dag met elkaar lunchen en zo. En dan werd er ook écht geluncht. We hadden een uitdrukking: die heeft een literair leven. Dat was dan een leven met veel drank en vrouwen.'

U bent een charmeur.

'Ongetwijfeld. Dit vak is een vak van charme. Ik waardeer charme ook ontzettend bij anderen. Het is een levenshouding. Het kikkert anderen op, die vinden dat leuk. Uitstraling heeft te maken met een vorm van proberen te charmeren.'

Esquire kende u de oeuvre-award 2005 toe voor uw manier van kleden. Veel van uw collega's maken zich aanmerkelijk minder druk om hun présence.

'Ja, maar dat is natuurlijk Nederland. In Frankrijk leer je dat je goed kleden niet een vorm van decadentie is, maar een vorm van hoffelijkheid. Hier vinden vrouwen dat koket zijn een kwaliteit is, terwijl het in Nederland nog altijd wordt beschouwd als een verkeerde vorm van vrouwelijkheid.

'In Nederland zijn we zo dubbel, ook bij het Journaal. Vragen ze: 'Wil je dit of dat doen? Maar alleen als je het zelf leuk vindt, hoor.' Dan denk ik: het gaat er niet om of ik het zelf leuk vind. Wil je het nu of wil je het niet? Dat soort dingen wordt niet gemakkelijk uitgesproken. Want we moeten onszelf vooral niet te serieus nemen.'

Is dat Nederlands?

'Vind ik heel Nederlands. Nou, heel erg de journalistiek in Nederland, eigenlijk. In Frankrijk staat de televisie wel een graadje hoger in aanzien. In Frankrijk is de achtuurman- of vrouw echt een ster. Ik krijg een heel behoorlijk salaris, maar...'

Wie betaalt nu eigenlijk uw reiskosten?

'Ik heb een globaal contract waarin dat is verdisconteerd.'

Groenhuijsen wilde ook op en neer reizen, tussen Amerika en Nederland, maar mocht dat niet.

'Het is een kwestie van proporties, ook de afstand. Ik kan in een dag op en neer. Uit Amerika kan dat toch net niet. Maar goed: het zou best kunnen dat de hoofdredacteur de volgende keer terugschrikt voor een presentator met een huis in Parijs.'

U heeft veel uit het leven gehaald.

'Mijn zusje zegt altijd: je bent een zondagskind. Dat zal dan wel. Ik doe het leuk, maar laten we niet overdrijven. Ik beschouw mezelf absoluut niet als een opinieleider, bijvoorbeeld. Dat kan ik ook niet. Ik ben geen goed columnist.'

Had u dat dan wel gewild?

Zonder nadenken: 'Tuurlijk. Ik wil alles.'

U bent een man van theater.

'Ik ben een groot bewonderaar van acteurs. Het Journaal doe ik met ontzettend veel plezier, maar dat is toch meer het vak, de routine. Er zijn van die saaie dagen, dat ik bij het Journaal denk: wat doe ik hier? Af en toe mag ik even buiten spelen. Theater is een soort feest. A la seconde word je bestraft of beloond. Reageert de zaal wel of niet, krijg je het publiek mee? Dat is bijna magisch. Als jongen droomde ik van een groots en meeslepend leven. In het theater denk ik: misschien is dit wat ik eigenlijk had willen doen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden