‘Ik ben er klaar voor’

Halverwege het komende theaterseizoen krijgen vier van de acht stadsgezelschappen in Nederland een nieuwe artistieke leiding. Wie zijn deze theatermakers die Arnhem, Groningen, Maastricht en Utrecht vier jaar lang van spannend, energiek en bruisend theater gaan voorzien?...

Hein Janssen en Karin Veraart

[Jos Thie]

Hoe voelt Utrecht als stad, om in te wonen en te werken?

‘Ik ben inmiddels half verhuisd vanuit Friesland en hoop binnenkort hier helemaal te wonen. Voor mij is dat een voorwaarde: wonen in de stad waar je theater maakt. Ik kende Utrecht helemaal niet, maar dat vind ik juist het aantrekkelijke van deze baan. Ik kan nu wel de clichés bezigen en zeggen dat Utrecht de mooiste stad van het land is, met de best lopende schouwburg, maar ik zoek het liever in het detail. Op de fiets ben ik zo langzamerhand de stad aan het ontdekken en dan stuit je op verrassende dingen. Zo trof ik op de Neude een standbeeld van een denkende haas op een klont aarde. Fascinerend.’

Wat is de mooiste/indrukwekkendste voorstelling die u ooit heeft gezien, en hoe heeft die ervaring u geïnspireerd?

‘Dat is de Mahabharata van Peter Brook, die ik zo’n twintig jaar geleden in Parijs heb gezien. Een marathonvoorstelling van zes uur op locatie, gebaseerd op een Indiase legende. Dat heeft mij geïnspireerd vanwege de kracht van de klassieke vertelling die eruit sprak, hoe levend het klassieke verhaal kan zijn. En vanwege de magie van de eenvoud. Een geweldige ervaring, dat was Peter Brook op z’n best.’

Met welke acteur/actrice zou u het liefst nog eens een productie willen maken?

‘Met Anne Wil Blankers en dan in een tekst van Beckett. Het liefst Happy Days, want dat is toch wel zijn mooiste stuk. Maar ook hondsmoeilijk natuurlijk. Anne Wil weet van mijn wens, want ik loop er al lang mee te leuren. Maar wie weet: het kan zo maar opeens gebeuren. De tijd is weer rijp voor Beckett, vind ik, Beckett kan zo weer mainstream worden. Ik heb in Den Haag Wachten op Godot gedaan met Mini & Maxi, en mijn kinderen pikten dat moeiteloos op.’

Welke toneelschrijver is naar uw mening overschat?

‘Overschat? Niemand. Ik vind dat toneelschrijvers over het algemeen zwaar onderschat worden. En dan: de tijd doet zijn werk. De slechte schrijvers worden gewist, de goede blijven over en worden klassiek. Of moet ik soms zeggen dat Herman Heijermans wordt overschat? Nee hoor, ik kijk erg tegen toneelschrijvers op. Iedereen die zoals ik weleens geprobeerd heeft zelf iets te schrijven, weet dat je het recht niet hebt op die manier over anderen te oordelen.’

Welke droom gaat met deze benoeming in Utrecht in vervulling?

‘Droom is misschien een groot woord, maar wel een wens: ik krijg nu de kans allerlei zeer uiteenlopende manieren van theater en vormen van theatermaken in één gezelschap onder te brengen. En ik ben van plan dat radicaal en schaamteloos te gaan doen. Van Molière in de grote zaal, tot voorstellingen in het klaslokaal. Ik wil circus zien, en Beckett, zo zit ik nu eenmaal in elkaar.’

[Arie de Mol]

Hoe voelt Maastricht als stad, om in te wonen en te werken?

‘Ik werk al zo’n tien jaar in Maastricht omdat ik les geef op de Toneelacademie, en bij Het Vervolg heb ik ook al vijf gastregies gedaan. Het is een heel prettige stad, on-Nederlands bijna, hoewel ze dat zelf nooit leuk vinden als je dat zegt. Je kunt er heerlijk eten, en fietsen in een prachtige omgeving. Ik woon nu nog in Schiedam maar ga komend jaar naar Maastricht verhuizen, dat vind ik een must als je daar werkt. Hoe het zal zijn om hier permanent te wonen, weet ik dus niet, maar ik zie het niet somber in.’

Wat is de mooiste/indrukwekkendste voorstelling die u ooit heeft gezien, en hoe heeft die ervaring u geïnspireerd?

‘Toen ik op de regie-opleiding zat, was ik altijd erg onder de indruk van de voorstellingen van Maatschappij Discordia. En ik ben een fan van de Volksbühne in Berlijn. De interactie daar tussen theatermakers en publiek vind ik geweldig. Er is daar altijd wel iets aan de hand – het publiek loopt boos weg, de regisseur legt een voorstelling stil, men gaat met elkaar een fel debat aan. Ik ben er nu een paar keer geweest en het is altijd raak. Ik hou ook van het maatschappelijk engagement waarmee daar theater wordt gemaakt, en van de band met de stad. Artistiek ben ik verder erg geïnspireerd door Richard Foreman, die een klein theatertje midden in Manhattan heeft waar op een podium van 3 bij 5 de meest chaotische dingen worden vertoond. Het is daar gek, en veel, en bombastisch, als in een cartoon.’

Met welke acteur/actrice zou u het liefst nog eens een productie willen maken?

‘Zo denk ik niet. Het gaat mij om het ensemble en of het onderling klikt. Bij mij geen ruimte voor solo-excelleren. Dat heeft ook met mijn voorstellingen te maken: die gaan vaak over het gedrag van groepen, over het leven binnen een mini-maatschappij. Ik vind Jeroen Willems en Dirk Roofthooft bijvoorbeeld geweldige acteurs, maar voel dan niet de behoefte om hen meteen te vragen. In principe sta ik open voor iedere acteur die zich kan vinden in mijn werk. Voor het grotezaaltoneel gelden overigens andere wetten: veel schouwburgdirecteuren willen bekende namen op het affiche.’

Welke toneelschrijver is naar uw mening overschat?

‘Toneelschrijven is een heel moeilijke kunstvorm en er zijn er maar weinig die een stuk kunnen schrijven dat je op honderd manieren kunt spelen. Shakespeare – dat gaat zo door alle tijden en stijlen heen, dat is echt de beste aller tijden. Maar verder vind ik dat er weinig echt goede schrijvers zijn, die meer dan twee, drie meesterwerken op hun naam hebben. Zo’n stuk als Who’s afraid of Virginia Woolf van Edward Albee bijvoorbeeld, als je dat goed bezet en precies doet zoals het moet, vindt het publiek het weer prachtig. Maar verder kun je er geen kant mee op. Voor mij is dat geen goede toneeltekst, ik zou het nooit willen doen.’

Welke droom gaat er met deze benoeming in Maastricht in vervulling?

‘Mijn eigen groep Els Inc. heb ik inmiddels moeten opheffen en dat was een moeilijke tijd. Aan de andere kant zie ik het ook als een waardering voor de werkwijze en de eigen stijl van Els Inc. – dat gedachtengoed wordt gewoon voortgezet. Een aantal van mijn Els Inc.-mensen gaat mee naar Maastricht, en ik kijk erg uit naar de toekomst. Het voelt goed meer te kunnen maken, met meer mensen, en om ook jong talent een kans te kunnen geven. Zeker in Maastricht, waar een goede toneelopleiding zit. Mijn verantwoordelijkheden zijn hier groter dan alleen maar regisseren. Hier moeten allerlei mensen bij elkaar worden gebracht zodat het gaat bruisen in de stad. Ja, het moet een bruisend gezelschap worden. Dat zou je inderdaad een droom kunnen noemen.’

[Ola Mafaalari]

Hoe voelt Groningen als stad, om in te wonen en te werken?

‘Ik kwam hier aan, begon me in te richten en dacht: Groningen is het best bewaarde geheim van Nederland. Ze pronken niet, hier, en dus weet je niet meteen wat die stad allemaal in zich heeft – je moet het zelf ontdekken. Die eigenwijsheid vind ik spannend. Hoe ze aan de rand van Nederland internationaal bezig zijn – in Amsterdam krijg je dat direct om je oren, hier niet. Het Grand Theatre heeft in het buitenland een naam, de popscene weet Groningen te vinden, ergens in een klein straatje houdt dansgezelschap Club Guy & Roni kantoor; en niemand die je daar de hele tijd over hoort roepen. Mijn eerste drie voorstellingen heb ik destijds bij het Grand Theatre gemaakt, en ik ben het weer helemaal aan het herontdekken. Mensen hebben hier een pure blik, een zekere puurheid die me op dit moment in m’n leven enorm aanspreekt. Bij mij om de hoek zit een klein café, weggestopt in zo’n wijkje, en nergens staat met grote letters: dit is het leukste cafeetje van Nederland. Ik word er gewoon zelf een beetje bescheidener van.’

Wat is de indrukwekkendste voorstelling die u ooit heeft gezien en hoe heeft die ervaring u geïnspireerd?

‘Ik denk nu meteen aan het Mickery theater in Amsterdam. Ik kwam regelmatig kijken vanuit Duitsland, en iets dergelijks bestond daar niet. Het Mickery was een laboratorium dat talent wilde ontwikkelen, dat mensen uit alle richtingen verbond, iemand als Peter Sellars liep daar rond voor hij naam maakte. Heel inspirerend om te zien hoe zo’n minitheatertje het Nederlandse landschap veranderde. Voor mij is dat een drijfveer geweest voor het opzetten van een eigen huis. In 1986 zag ik Rembrandt, Hitler or me, echt een ‘Gesamtkunstwerk’ waarvan het hele gezelschap, het gebouw en ook het publiek deel uitmaakte, actueel en geëngageerd, alles viel samen. Ik dacht: deze mensen, dit theater – nu begrijp ik het, voor het eerst.’

Met welke acteur/actrice zou u het liefst nog eens een productie willen maken?

‘Hugh Laurie. Had je niet gedacht, hè? Brits acteur die samen met Stephen Fry een komisch duo vormde en later doorbrak in Hollywood. Hij is nu te zien als de titelheld in de dramaserie House, op SBS 6. Een scherpte en een humor die in die man samenkomen! In een repetitieruimte zitten met zo iemand, dat lijkt me geweldig. Nee, een vastomlijnd plan heb ik niet met hem. Het is gewoon een droom.’

Welke toneelschrijver is naar uw mening overschat?

‘Nederland kent geen overschatting. In Nederland wordt iedereen onderschat, totdat men een keer succes heeft in het buitenland. Maar goed, ik selecteer eigenlijk in eerste instantie niet op tekst. Ik denk niet: welk repertoirestuk wil ik nu eens doen. Ik wil het ergens over hebben en dan komt er op gegeven moment een stuk op m’n pad dat ‘matcht’. Neem Himmel über Berlin, dat script kreeg ik van mijn dramaturge, die zei: jij wilt met je engelen afrekenen, alsjeblieft. Ik dacht: Wim Wenders? Die prachtige film? Daar durf ik niet aan te komen. Maar het moest. Vaak ook dient zich een thema vanuit de actualiteit aan. Dat is een groot voordeel van een eigen theater: een idee van vandaag kun je morgen direct uitwerken.’

Welke droom gaat met deze benoeming in Groningen in vervulling?

‘Voor mij is alles toneel en iedereen speelt een rol. Ik wil hier voorstellingen maken die niet beginnen met het kopen van een kaartje en eindigen met applaus, ik wil het hele gezelschap als een kunstwerk benaderen en ik wil dat het hele gezelschap met mij roept: I have a dream. Ik ben van een generatie die nog dicht bij de jonge makers zit en hun talent wil ik koesteren. Het Mickery-gevoel benaderen, ik ben er helemaal klaar voor. Maar dat betekent wel dat de minister het eerste advies van de Raad van Cultuur moet opvolgen die ons een bedrag toedacht waarmee je zulk theater kunt maken. Anders ligt die droom in diggelen.’

[Erik Whien]

Hoe voelt Arnhem als stad, om in te wonen en te werken?

‘Ik kom oorspronkelijk uit de buurt van Arnhem, uit Gendt, iets verderop. Na de middelbare school heb ik overal auditie gedaan behalve daar, ik wilde echt weg, op kamers. Nu heeft het iets heel vertrouwds, ik ken die stad blind. Ik ga er parttime wonen, voor de periode dat ik als huisregisseur bezig ben met mijn producties. Er gebeurt veel op cultureel gebied en en tegelijkertijd heeft Arnhem ook wel iets ‘opgeruimds’, iets ‘nets’. Gezien de vele kunstopleidingen, moet er ook een jongere garde rondlopen, maar die zie je niet erg in het theater en dat willen we veranderen. Tja, dat is nu mijn voorland, dat ik over dat soort beleidsmatige dingen moet gaan nadenken. Ik meen het wel, natuurlijk, maar ik moet er ook voor oppassen dat mijn idealen niet geformatteerd worden.’

Wat is de indrukwekkendste voorstelling die u ooit heeft gezien en hoe heeft die ervaring u geïnspireerd?

‘Onomatopee van afgelopen seizoen. Ik heb diep in mijn geheugen zitten graven, maar deze drong zich steeds weer op. Al het goede van theater zit erin. De acteurs zijn stuk voor stuk zulke bijzondere persoonlijkheden – door ze acteurs te noemen doe je ze bijna tekort. De vrijheid die ze weten te genereren op de speelvloer: prachtig! Het is intellectueel en aards tegelijk. Het is een kleinezaalproductie, en je eerste reactie is: dit moeten heel veel mensen zien. Maar dat zette me vervolgens weer aan het denken. Theater in al zijn verscheidenheid is niet per definitie een product dat grote groepen mensen trekt, het is geen Borsato-cd. En dat is niet erg. Ik ben niet naïef, natuurlijk wil je publiek. Ik zie mezelf ook als een vriendelijke maker. Maar ik wil wel mijn eigen onderwerpen blijven doen, ervoor waken dat ik niet zomaar een seizoen ga ‘vullen’ met cijfers in m’n achterhoofd. In dat opzicht is Onomatopee ook een waarschuwingsvlag voor me geweest.’

Met welke acteur/actrice zou u het liefst nog eens een productie willen maken?

‘Denkend aan het nieuwe Oostpool ben ik de afgelopen tijd natuurlijk erg met die kwestie bezig geweest. Er zijn zoveel acteurs waar ik van smul; maar als freelance regisseur heb ik gemerkt dat ik – heel sentimenteel misschien – toch graag met steeds dezelfde mensen werk, ik heb een klein kringetje opgebouwd waaraan ik heel trouw ben, het is bijna een religie. Een aantal gaat nu ook mee naar Oostpool en ik vind dat we nu echt een dreamteam hebben gevormd. Maar daarbinnen heb ik geen absolute helden.’

Welke toneelauteur is naar uw mening overschat?

‘Woody Allen. Ik heb ooit drie eenakters van hem geënsceneerd, de eerste lezing was nog leuk, daarna was het huilen met de pet op. Hoezeer ik ook fan ben van zijn films, op de vloer is het niks. Verder kan ik alleen maar uitkijken naar de luxe die ik mogelijk ooit zal hebben om een Tsjechov, een Norén, Shakespeare te doen. Het is inmiddels weer veranderd, maar een tijdlang was het not done om het repertoire te omarmen – Ibsen was stom. Ik herken me niet in die rock ’n’ roll houding, ik ben niet zo tegendraads. Ik kijk met een zekere jaloezie naar de Rijnders-generatie, die heeft zo ongeveer elk stuk geënsceneerd. Doe het maar, denk ik. Shakespeare is niet dood, niet voor mij.’

Welke droom gaat er met deze benoeming in Arnhem in vervulling?

‘Ik heb de afgelopen acht jaar na mijn afstuderen steeds op verschillende plaatsen gewerkt – leuk, maar na de laatste voorstelling ben je weer weg. Nu ga ik het centreren, op een vaste plek, met een echte theaterfamilie, met meer engagement, verantwoordelijkheid. Dat vind ik fijn, die droom, dat verlangen koesterde ik al een tijd. Op de theaterschool vragen ze je: waar zie je jezelf over tien jaar. Dan heb ik een eigen gezelschap, antwoordde ik. Dit is een grote stap in die richting. En daar ben ik best trots op.’

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden