'Ik ben een rationele dichter'

In het winterlicht ligt de nieuwste bundel van dichteres Hagar Peeters op tafel, Wasdom. Op de kaft prijkt de kleine Hagar, dunne beentjes in roze sokjes, vlechten, een verlegen meisjeslach. Ze staat naast haar opa, een man in een bruin pak met een hoed op. 'Ik was zijn lievelingetje', zegt Peeters. 'Ik mocht vaak op de stang van zijn fiets zitten. En dat hondje' - ze wijst op het lichtbruine keffertje in het gras - 'rende met ons mee.'


De foto is gemaakt in de zomer van 1979, toen ze 7 was. Ze logeerde bij haar opa en oma in Limburg, in de Peel. Ze was daar vaak tijdens vakanties. 'Ik ben er heel gelukkig geweest, altijd scheen de zon.' En als ze dan samen met haar moeder terugkeerde naar Amsterdam-Oost, waar ze met zijn tweeën een driekamerappartement bewoonden, voelde ze zich afgesneden. 'Ik heb altijd geweten dat er buiten ons flatje een wereld was.'


Peeters gedichten gaan vaak over ontoereikendheid, ook nu weer in haar nieuwste bundel. Er is het onvervulde verlangen naar het hiernamaals, de liefde of een betere wereld, soms met oorlog tot gevolg. Maar kom bij haar niet aan met de opmerking dat zij hiermee haar eigen gevoel beschrijft. 'Ik wil bestrijden dat mijn gedichten autobiografisch zijn, dat is te plat en te gemakkelijk. Ik ben beschouwend, ik ben niet iemand die zijn gevoelens op papier smijt. Ik wil mensen begrijpen, ik ben een rationele dichter.'


Hagar Peeters is er ver mee gekomen, tot haar eigen verbazing. Ze krijgt alom lof voor haar vlinderachtige toon en perfecte taalgevoel, ze haalt oplagen (tienduizend exemplaren) waarvan de meeste dichters alleen maar kunnen dromen, ze is een vaste gast op poëziefestivals in binnen- en buitenland. 'Wat ik doe is zelfs zo hip dat ik nu dit soort interviews geef', zegt Peeters, een beetje weggedoken in 1e Klas, het grand café in het Centraal Station van Amsterdam.


En nu is er dan Wasdom, een kloek boekwerk met een titel die klinkt als een statement. Achterin vermeldt ze dat de gedichten in verschillende perioden van haar leven zijn ontstaan. Heel vroege poëzie heeft ze gemengd met later of zelfs nieuw werk. 'Ik wilde mijn eigen veelheid laten zien. Dit is wat in de loop der jaren is aangespoeld, de aanwas. De rotzooi heb ik weggegooid, klei en slib zijn blijven hangen. Ik zag het als een organisch iets. Ik wilde laten zien: hier sta ik in het leven.'


En het vertrekpunt van de bundel is dan toch haar eigen Limburgse oma, die dertien kinderen baarde en daarmee als elke goed katholieke vrouw hoopte een plekje in de hemel te verwerven. De eerste drie gedichten wijdt ze aan deze vrouw, die stierf in een tijd dat nog maar weinig mensen geloofden dat er een hemel bestond. 'Kom er niet mee aanzetten dat het voor niets was', bepleit Peeters bij de vader in de hemel in het gedicht 'Voorspraak'.


Van al die dertien kinderen was Peeters' moeder de oudste, die als jonge vrouw het verstikkende katholieke milieu achter zich liet en verpleegster werd in progressief Amsterdam. Daarmee begint ook Peeters eigen verhaal, want gevraagd naar het begin van haar dichterschap gaat ze terug naar deze stap. Haar moeder raakte zwanger van een man die haar verliet en gaf in 1972 het leven aan een dochter die ze Hagar noemde, naar de vrouw die door aartsvader Abraham werd weggestuurd, de woestijn in. 'De progressiviteit was in die jaren een beetje doorgeschoten. Mijn moeder was ook progressief, maar ze wilde wel de geborgenheid van een gezin. Ze wilde niet wegrotten in een driekamerappartement in Amsterdam-Oost, in omstandigheden die niet al te leuk waren. We waren arm, ik liep in tweedehandskleren of mijn moeder maakte ze zelf.'


Peeters wist in haar jonge jaren wie haar vader was, socioloog en schrijver Herman Vuijsje, maar ze kende hem niet. 'Hij was niet zo in de wieg gelegd voor een gezin, hij wilde reizen en schrijven. Dat was ook de tijdgeest, het non-conformisme. Hij wilde de aandacht vestigen op het onrecht in de wereld. Ik oordeel daar niet over, maar ik heb wel heel lang zijn afwezigheid gevoeld. En mijn moeder was ongelukkig omdat hij er niet was. Dat heb ik gezien. Er was altijd een wrijving tussen ideaal en werkelijkheid.'


Veel van hun vakanties brachten ze door in Limburg, maar altijd kwam weer het moment dat ze terug moesten naar Amsterdam, waar Peeters het idyllische platteland miste. Ze hoorde er in Amsterdam voor haar gevoel niet helemaal bij, maar ze besefte dat ze als niet-katholiek meisje van een alleenstaande moeder ook in Limburg een aparte positie innam. Van jongs af aan was ze een observator, een denker, die veel vragen over het leven had.


Haar vader was er niet, maar in de kast van hun Amsterdamse driekamerappartement lag wel een stapel artikelen die hij had geschreven. 'Die stapel was bijna een trofee. Goh, dit heeft mijn vader gemaakt, dacht ik vaak.' Ze herinnert zich dat haar moeder haar in de trein een keer wees op een boek dat iemand las. 'Dat heeft je vader geschreven', zei ze. Peeters: 'Zo heeft het idee bij mij postgevat dat schrijven belangrijk was. Dat moest je doen.'


Ze hield als kind dagboeken bij, maar dat begon haar te vervelen. Soms dacht ze: 'Ik ben aan het herhalen wat al is gebeurd. Dit is alleen voor mezelf interessant.' Ze begon liedjes te verzinnen die commentaar leverden op haar dagboekfragmenten. 'Ik ontdekte dat als ik iets uitvergrootte, een gevoel of een aspect, dat ik dan beter de essentie begreep. Details kunnen in de werkelijkheid verloren gaan. Door de werkelijkheid geweld aan te doen, kom je dichter bij de werkelijkheid.'


Op haar 11de kreeg ze contact met haar vader en kwam ze terecht in de intellectuele familie Vuijsje, waarin ze altijd 'aan de zijlijn' zou blijven staan. Voor een band met haar nieuwe opa en oma was ze te oud, dat voelde ook als verraad aan haar grootouders in Limburg. Ze vond de sfeer in de familie 'hanerig', want haar vader had alleen broers 'die elkaar probeerden af te troeven met scherpzinnige opmerkingen'.


Met haar vader kreeg ze wel een goede relatie en zo hoorde ze zijn kant van de geschiedenis die haar had gevormd. Ze was opgegroeid met haar moeders versie, nu kwam er een versie van haar vader bij. 'Ik leerde dat de werkelijkheid afhangt van het perspectief dat je kiest. Dat doe je ook als je dingen uitvergroot met taal, dan kies je positie. Zo onderzoek je menselijk gedrag en je levert commentaar.'


Op haar 17de gingen de sluizen naar de poëzie open toen ze van haar leraar Nederlands een gedicht van de Griekse dichter Kavafis kreeg: 'September 1903'. Laat ik mezelf tenminste nu bedriegen met illusies / opdat ik niet de leegte van mijn leven merk, dichtte hij. Het raakte haar enorm. Kavafis was een homoseksueel die honderd jaar eerder had geleefd, maar ze snapte de universaliteit van zijn verliefde gevoelens en de onvervuldheid ervan. Ze ontdekte dat gedichten niet alleen menselijk gedrag beschrijven, maar ook iets teweeg kunnen brengen.


Tijdens haar studie Cultuurgeschiedenis en Algemene Letteren in Utrecht raakte ze geïnteresseerd in de excessen van menselijk gedrag, ze studeerde af op een criminologisch onderzoek naar Gerrit de Stotteraar, een obsessieve inbreker. 'Ik vraag me vaak af: wat missen dit soort mensen, welk tekort ervaren ze, wat is ervoor nodig om zo te worden?' In haar bundel Loper van licht (2008) beschreef ze de slachtoffers van onmenselijk gedrag, de verschoppelingen, ook omdat ze zich afvroeg wat een individu aan het onrecht in de wereld kan doen.


Mensen die martelen en doden, staan ver van zichzelf af, is haar theorie. 'Maar als je wordt ontroerd, kom je dicht bij jezelf. Ik wil niet zeggen dat ik een boodschap heb, maar gedichten in het algemeen zijn belangrijk. Ik denk dat ze empathischer maken. Dat is het tegengestelde van oorlog, waarin de ander wordt ontmenselijkt. Mensen die mensen vernietigen, creëren afstand, ze noemen de ander kakkerlak of rat. Oorlog is een ontkenning van de universele menselijkheid die uit poëzie spreekt.' Tijdens een festival in Zuid-Afrika maakte ze mee hoe de woede van veel Zuid-Afrikaanse dichters een uitweg vond. Aan de zaal merkte ze hoe heilzaam dat was. 'Het aanhoren van elkaars tirades kan helend zijn.'


Achteraf heeft ze het gevoel dat dichten haar leven lang bij haar heeft gehoord. 'Zoals ademen.' Altijd loopt ze na te denken en van al die gedachten komt nog niet eens een halve procent op papier. Het is een stap om te beginnen met schrijven, maar als ze het eenmaal doet, is een gedicht soms klaar in een kwartier. Ze wil ook niet alleen maar dichten, dat is haar te eenzaam, te statisch. Ze is vorig jaar begonnen met de master international crimes and criminology. 'Mijn hersenen moeten geprikkeld worden. Als ik in de fantasie ben, wil ik terug naar de werkelijkheid en als ik in de werkelijkheid ben, wil ik terug naar de fantasie.'


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden