'Ik ben een gelukkig mens nu'

Schrijver Jan Siebelink (67) is er nog steeds beduusd van, het winnen van de AKO Literatuurprijs 2005 voor Knielen op een bed violen, een portret van zijn vader....

Op het laatst wilde de stervende vader van Jan Siebelink zijn vrouw niet meer aankijken. Hij wendde zijn hoofd af van haar, een onbekeerde - uit vrees voor eeuwig verloren te gaan. 'Daar is het op uitgelopen', zegt Jan Siebelink.

'Onbegrijpelijk. Terwijl ze heel erg verknocht waren aan elkaar. Mijn vader moet zo bang zijn geweest. Er was hem zoveel angst aangepraat voor de oordelende God.'

Zijn vader lag in de voorkamer van het huis, omringd door de drie predikers die zich gedurende zijn leven als teken in hem hadden vastgezogen. 'Och, moge de drinkbeker aan dit zondige, aan dit ongehoorzame kind voorbijgaan!'

Het gezin keek 'van verre toe', vanuit de achterkamer, naar die smoezelige, onwelriekende zwarte gestalten, dagenlang litanieën schreeuwend aan het bed van de stervende. 'Zoals Maria toekeek toen Jezus werd gekruisigd', zegt Siebelink.

Had u niet de neiging die mannen eruit te bonjouren?

'Helemaal niet. We zaten al dertig jaar in dit proces, zo lang was mijn vader met dat geloof bezig. We konden hem op zijn sterfbed die broeders niet ontnemen. En er gebeurde aan het bed iets dat buiten de normale orde van de dingen viel. Ik zie mijn moeder nog gewoon een kopje koffie voor ze inschenken, om wat zich afspeelde terug te halen naar het aardse.'

Jan Siebelink vroeg zijn vader nieuwsgierig: 'Papa, merk je nu iets van God?'

Nee, antwoordde hij, 'mijn hart is dor.' In de onnavolgbare wereld waarin zijn vader was afgegleden, zegt Siebelink, 'was veel desolatio en weinig verrukking.'

Als haar man is overleden en de broeders zijn vertrokken ('Mogen wij hopen dat deze sterfdag zijn blijdste dag zal zijn') zegt Jans moeder: 'Nu is hij van ons, en we bepalen zelf wat er op de steen komt te staan.' Eindelijk, in 1971, na jarenlang machteloos te hebben moeten toezien hoe haar man steeds verder in de greep raakte van een duistere protestantse sekte, eindelijk is hij weer van haar.

'Mijn moeder moet radeloos eenzaam zijn geweest', zegt Jan Siebelink.

Nog steeds is hij beduusd, bijna onthutst over het succes van zijn laatste boek, Knielen op een bed violen - een geromantiseerd, maar sterk autobiografisch getint portret van zijn vader. Natuurlijk, de toekenning van de AKO Literatuurprijs 2005 is een grootse bekroning van dertig jaar schrijversschap. Maar het allerbelangrijkste is: hij maakt iets los met dit boek, dat herdruk na herdruk beleeft. Het raakt de mensen. 'U heeft mijn ziel beroerd', zei een dametje na afloop van een lezing in een Alkmaarse boekhandel. 'De tranen biggelden over haar wangen.'

Hij heeft het in een roes geschreven, in acht maanden tijd 88 hoofdstukken - evenveel als het aantal coupletten van psalm 119. De allerlangste psalm, die hij als jongetje uit zijn hoofd leerde nadat zijn vader een goddelijk visioen had gehad. Ook de kleine Jan Siebelink wilde een stem uit de hemel horen, sterren zien op klaarlichte dag en in extase geraken.

De schrijver wijst tijdens een rondleiding langs de restanten van zijn vaders kwekerij in Velp naar een oude appelboom. Daaronder vond hij als elfjarige jongen zijn vader, nadat God zich aan hem had geopenbaard. 'Ik moest hem zoeken voor een echtpaar dat gladiolen kwam kopen. Totaal overstuur lag hij op een bankje, het boek Over de navolging van Christus opengeslagen naast zich. Ik weet nog precies hoe alles eruit zag. Een bed schoenlappersplantjes. Een veldje pekanjers. En een soort mos, dat opveerde als je erover had gelopen. Daar lag die man dan he... Ja, ik word er nog helemaal...'

Heeft u hier weleens met hem over gesproken?

'Dat hield hij af. Want hoe lief hij mij ook had, ik behoorde toch tot de onbekeerden. Ik kon het niet begrijpen - ik was niet aangeraakt. De een was verworpen, de ander was uitverkoren, volgens de geloofsstroming die hij aanhing.

'Hoe vreemd het ook klinkt: ik was heel trots dat mijn vader was uitverkoren, hoewel dat voor hem met een soort doem, met grote angst gepaard ging.'

Maakte het uzelf ook angstig?

'Nog steeds. Ik ben een nerveuze jongen - altijd geweest. Als ik opsta denk ik alleen maar: ben ik er nog? Ik voel nog geen rare dingen aan mijn lichaam, ik ben nog net niet ziek. Zo ga ik de hele dag door. 'Zal mij niks overkomen?''

Na het visioen bekeerde zijn vader zich tot de streng orthodoxe groepering van de paauweanen, die zichzelf beschouwden als regelrechte afstammelingen van de zestiende-eeuwse militante reformatoren. De vasthoudende predikers zogen hem steeds verder in een draaikolk van religieuze verdwaling - er was geen ontsnappen meer aan. Siebelink wijst op een bijna dichtgegroeid gat in de haag, die de Velpse kwekerij scheidde van de katholieke begraafplaats. 'Hier kropen die mannen doorheen, om mijn vader op te zoeken.'

Zijn moeder mocht er niets van weten. Zij had al snel een erfverbod ingesteld voor de predikers, die het gezinsgeluk gaandeweg steeds verder zouden aantasten. Haar man werd onbereikbaar voor zijn gezin. De kwekerij bracht voorheen al weinig op, en sinds zijn bekering liet Siebelinks vader liefst het geloof prevaleren boven aardse zaken. Als hij even de kans kreeg, piepte hij er tussenuit om zijn broeders op te zoeken. Al moest het ene gat met het andere worden gedicht, hij verkocht uit religieuze overwegingen liever geen bloemen op zondag. De jonge Jan scharrelde bij elkaar wat hij bij elkaar kon scharrelen. Hij spijbelde van school en reed met een bakfiets vol plantjes van Velp naar Arnhem: weer een tientje verdiend. 'Op mijn amateuristische wijze probeerde ik te helpen.'

Een grote verantwoordelijkheid voor een jongetje.

Heel snel: 'Er stonden planten in bloei en die moesten verkocht worden want er moest geld binnenkomen. Het hoefde niet van mijn vader, hoor.'

Hij onderbreekt zichzelf: 'Zie je, ik heb nog steeds de neiging hem te verdedigen.'

U wilde uw ouders bij elkaar houden.

'Dat ook ja. Ik vond het heel naar dat mijn vader mijn moeder verdriet deed. Maar ik was niet iemand die hem ging kapittelen: 'Je moet eens meer aan mama denken.' Ik keek veel te veel tegen hem op. Hij was door God aangesproken. Ik moest dicht bij hem blijven, dan zat het met mij ook wel goed.

'Mijn vader zei altijd: mama redt het wel. Mijn moeder was de praktische, realistische vrouw. Hij was de hartstochtelijke man.'

En u lijkt op hem.

'Ja. Maar een kant van mij maakt dat ik met beide benen op de grond blijf staan. Ik red het allemaal net. Maar heel net, hoor. Ik ben zeer impulsief; ik kan hele gekke dingen doen. Ik heb weleens gedacht: als ik dat schrijven niet had gehad, was het misschien niet helemaal goed gegaan met mij. Er is een moment geweest...'

Dat was toen hij al jaren Frans doceerde. Zijn vrouw ontfermde zich boven over hun derde, jongste kind en hij liep naar beneden, op weg naar school. Zijn tas zat al onder de snelbinders. Op de deurmat bleef hij staan. Verlamd. 'Ik heb er misschien wel een half uur gestaan. Helemaal verlamd.' Zijn vrouw kwam de trap af: wat is er? 'Ik ga niet naar school', zei hij. 'Ik kan niet naar school.' Zijn vrouw meldde hem ziek.

In die week schreef hij zijn eerste verhaal, dat in 1974 verscheen in literair tijdschrift Maatstaf. 'Ik heb het nooit verwoord, maar op die deurmat is het begonnen: ik-ga-niet-naar-school. Ik moest een wending aan mijn bestaan geven. Ik denk dat ik zo graag de wereld wilde vertellen wat mijn vader was overkomen.'

Zijn debuut publiceert hij een jaar later, de bundel Nachtschade. In het tweede verhaal, Witte chrysanten, zitten al alle elementen die in zijn latere werk telkens worden aangestipt, om na dertig jaar samen te komen in de complete geschiedenis. De kwekerij, de godsdienst en de vernederingen die zijn vader als arme kweker moest ondergaan bij een grote, patserige, machtswellustige bloemist in Arnhem. In Witte chrysanten jaagt de winkelier hem, tot leedvermaak van lachende klanten, de zaak uit met zijn planten. 'Donder op', riep de bloemist. 'Donder op met de hele rotzooi, weg met die vuile klerentroep, ik ben geen vuilnisboer...!'

In Knielen op een bed violen komen alle jarenlange onderdrukte frustraties van zijn vader tot uitbarsting. Hij slaat in blinde woede de bloemist tegen de grond, en smijt er een bloemenmand, een bloempot, scherven en een rol zilverfolie achteraan.

Ook u kent die drift - u kon zich erg opwinden over mededocenten die in de lerarenkamer smoesden dat uw schrijven ten koste ging van de school.

'Op een feest voor het vijftigjarige bestaan van school, in een kasteel in de Betuwe, begonnen leraren opnieuw te zeiken over mijn schrijven. Zei iemand: 'Ja, ja, gisteravond werd er op een verjaardag weer over jou gepraat. Blijkt toch dat jij te weinig SO'tjes geeft.' Ik had een paar glazen op en werd zo ontzettend kwaad. 'Dat moet je nog een keer zeggen', zei ik, 'maar dan in het bijzijn van de rector.' Die kans kreeg hij niet eens; toen had ik hem al een klap gegeven. Die leraar is naar het ziekenhuis gebracht. Het hele feest is gestopt. Hij had een rib in zijn long en is drie maanden niet op school geweest. Ja, ja, het is wat, hè.

'Ik ben een emotioneel man, natuurlijk. Zoals mijn vader daar in de bloemenwinkel werd afgemaakt door een even oud iemand - daar kan ik heel fel over zijn. Ik snap niet waarom je zo'n aardige, weerloze man zoiets aandoet.

'Ik kan tegen geen enkele vorm van onrecht. De asiels en de bossen hier in de omgeving krioelen van de beesten, als de zomer is aangebroken. Gezinnen gaan op vakantie en flikkeren onder de ogen van de kinderen hun hondje uit de auto. Dat zijn toch geen medemensen van mij? Maar waarschijnlijk kom ik ze later tegen en groeten ze me vriendelijk. In mijn toespraak na de toekenning van de AKO-prijs had ik ook willen zeggen dat ik van een deel van het geld een cellencomplex zou willen bouwen, om dit soort lui in op te bergen. Waar elke dag een stelletje bloedhonden langs zou komen, om ze te bijten. Maar goed, ik had maar dertig seconden om te spreken.'

Misschien maar beter ook, dat niet alle emoties naar boven zijn gekomen.

'Ik had het willen zeggen. Maar je moet natuurlijk oppassen wat je doet.'

U zei in uw speech nog wel: als mijn vader maar een tiende van deze prijs had gehad, had hij zich misschien nooit bekeerd.

'Het geloof van mijn vader had ook met romantiek te maken. De hunkering naar iets anders, het willen reiken naar iets hogers. Het hiernamaals veroveren - daar kom ik dan op uit.

'Nooit was er geld om iets leuks te kopen. Op vakantie gingen we überhaupt niet. Mijn vader heeft nooit de zee gezien. Hij liet de bloemist zijn bakfiets volladen met planten, die hij voor niets moest wegbrengen, een steile weg op. En dat deed hij dan, omdat hij bang was een klant kwijt te raken!'

Het zit u nog steeds hoog.

'O ja. Ik zou er zo weer over... nee, ik zal er niet meer over schrijven, dat beloof ik je. Hoewel: ik weet het nog niet zeker.'

Siebelink is nooit met zijn vader in discussie gegaan over het geloof. 'Ik hield te veel van hem. Dan zou ik hem hebben willen verslaan met woorden, terwijl er zo'n intellectuele kloof tussen ons gaapte. Mijn vader had zes jaar lagere school.'

Terwijl zijn zoon langzaam was opgeklommen. Van de ulo - waar kinderen uit de lagere sociale klassen in die tijd bijna automatisch terechtkwamen - naar de kweekschool, waarna hij alsnog zijn doctoraal Frans behaalde. 'Ik durfde nooit mijn baan op te geven als leraar, dat had wel te maken met mijn afkomst. Daar zou ik zo van in spanning zijn geraakt: verkoop ik dat boek wel? Nu had ik in elk geval een vast salaris.'

Een paar jaar nadat zijn vader was overleden, liet Siebelink zich uitschrijven bij de Hervormde Gemeente in Ede. Voor die tijd bracht hij de kinderen nog keurig naar zondagsschool, werd er gebeden aan tafel, las hij een stukje voor uit de bijbel. Op een dag, het was heel mooi weer, hij herinnert het zich nog goed, draaide hij zich in één keer om in de kerk en liep naar buiten. 'Toen ben ik nog een eindje gaan wandelen in het veld. Vanaf dat moment was het voorbij.'

Bent u achteraf niet boos, over wat het geloof vroeger thuis allemaal heeft aangericht?

'In de onsmakelijke beschrijvingen van die predikers leg ik al mijn gal en bitterheid over het leed dat ze hebben berokkend in ons gezin. Dat is mijn vorm van kritiek. Maar ik ben niet gemeen, vilein over religie. Daar heb ik ook geen enkele behoefte aan. Zolang de mens op aarde is, heeft de religie hem gevolgd. Waarom zou ik daar verachtelijk over doen? Rudy Kousbroek schreef onlangs nog iets als: geloof is voor armen van geest. Zul je mij niet horen zeggen. Dat is de hovaardij van de atheïsten: 'Ik weet nou eenmaal dat ie er niet is.' Hoe weet je dat dan?'

Dichter/psychiater en vriend Rutger Kopland stuurde hem een lange brief. 'Had ik jouw vader in mijn spreekkamer gehad, dan was dit allemaal niet gebeurd.' Siebelink: 'Hij zag mijn vader als een casus! Hij denkt dat hij hem had kunnen genezen met pillen en gedragstherapie. En ik geloof daar dus niet in. Helemaal niet.'

Nee?

'Was het dan nog mijn vader geweest? Hij pakt het unieke van hem af, door er een psychiatrisch model over te leggen. Mijn vader had geen stoornis. Ja, een stoornis in die zin dat hij op een heel bezeten manier geloofde en iets najoeg. Maar dat doen we toch allemaal? Ik ben ook een beetje gestoord, dat ik alles weer heb opgeroepen om het boek te schrijven.'

's Ochtends tegen vijven op, een korte wandeling met zijn whippets Haas en Merlijn en dan dagelijks om half zeven beginnen aan weer een nieuw hoofdstuk - maanden achtereen. Hij vergelijkt het schrijven van Knielen op een bed violen met de eindspurt van Ellen van Langen op de 800 meter, bij de Olympische Spelen. Verbaasd keek ze achterom: ze bleek eerste te zijn. 'Iets liep in mij', zei ze. 'Zo kan ik zeggen: iets schreef in mij', zegt Siebelink. 'Alsof mijn hand werd geleid. Het boek was in mij aanwezig. Het lag al helemaal klaar.'

Kunt u na zo'n boek nog wel een nieuwe roman schrijven?

'Het zou best kunnen dat schrijven voorlopig ondenkbaar is. Elk woord dat ik nu nog aan dit onderwerp wijd, is er een te veel. Het oeuvre is rond. Alles wat erbij komt, is een soort appendix. Daar zit ik ook wel mee, daar ben ik ook bang voor.

'De gedrevenheid in mijn laatste boek kan ik niet evenaren. Dit was mijn laatste poging mijn vader te beschermen. Ik kan geen nieuw papier pakken en een nieuw personage creëren. Maar wat dan? Wat moet ik dan doen?'

Het succes van de roman heeft uw leven op zijn kop gezet.

'Ja, jaaaa... ik ben er helemaal vol van. Elk boek dat ik nu verkoop is een substituut voor elke onverkochte plant van mijn vader.

'Ik ben een gelukkig mens nu. Ik hoop maar dat het een eeuwigheid duurt.'

Jan Cremer belde hem. 'Jan', zei Cremer, op die abrupte manier van hem, 'God is er gewoon. Tuurlijk is God er. En hij ziet alles!'

'Ergens is er een soort sensor, daarboven, ja. Ik denk dat mijn ouders het wel weten, van het boek. Misschien is het totale onzin, maar dat wil je graag. Laat dat gevoel dan maar.'

Binnenkort gaat Jan Siebelink weer naar hun graf. Aan de rand zal hij twee witte cyclamen planten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden