Ik ben blij het woord 'opleidingshomogamie' nu te kennen: het is niet moeilijk, wel relevant

Het spel en de knikkers

De opleidingshomogamie neemt sterk toe, berichtte het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) deze week. De wat neemt toe? De opleidingshomogamie. Ik kende het begrip tot voor kort niet en ben blij het nu wel te kennen: het begrip vergroot mijn denken over (on)gelijkheid. Het is niet moeilijk, wel relevant. Denk maar mee.

Opleidingshomogamie is simpelweg dat (huwelijks)partners hetzelfde opleidingsniveau hebben. Bijvoorbeeld: academici hokken met andere academici. Als ze dat steeds vaker gaan doen en minder vaak gaan samenleven met een partner met een lagere opleiding, neemt de opleidingshomogamie toe.

Wat zijn de feiten? Het CBS vergelijkt de samenstelling van de paren tussen de 25 en 45 jaar op twee momenten: 2006 en 2016. In 2006 was 19 procent van die stellen een koppel hoogopgeleiden; in 2016 is dat aandeel toegenomen tot 30 procent. Dit komt deels natuurlijk omdat er sowieso meer hoogopgeleiden zijn. Daarom is het goed ook te kijken naar de ontwikkeling van het aantal stellen met één hoogopgeleide. Dat aantal groeide van 25 procent naar 28 procent van de stellen, óók een toename dus. Maar de toename van het aandeel hoogopgeleide stellen (van 19 naar 30) is veel sterker dan de toename van het aandeel stellen met één hoogopgeleide (van 25 naar 28).

Hoogopgeleiden, is de conclusie, zoeken elkaar in toenemende mate op bij het vormen van een huishouden.

Waarom is dit relevant voor het nadenken over (on)gelijkheid?

Hoogopgeleiden hebben gedurende hun onderwijsjaren meer menselijk kapitaal verzameld dan hun generatiegenoten en dit menselijk kapitaal rendeert goed. Hun uurloon én hun arbeidsparticipatie is hoger. Als gevolg hiervan is het inkomen dat ze gedurende hun leven verdienen met werken ook (veel) hoger dan dat van generatiegenoten met een minder hoge opleiding.

De hele herverdelingsmachinerie van de overheid komt eraan te pas om de grote verschillen in inkomen uit arbeid deels af te romen en opnieuw te verdelen. We herverdelen via de belastingen, de sociale zekerheid, de zorgverzekering, de volkshuisvesting en de AOW. En als gevolg hiervan kent Nederland (internationaal vergeleken) een rechte inkomensverdeling.

In dit licht bezien kun je over het samenklonteren van hoogopgeleiden in huishoudens - ja, een boek schrijven inderdaad. Maar in dit bestek kunnen we twee observaties doen.

Eén: De opleidingshomogamie doet de herverdeling via de overheid gedeeltelijk teniet. Het huishoudinkomen van twee hoogopgeleiden is, ook nadat de herverdelingsmachine zijn werk heeft gedaan, hoger dan dat van anders samengestelde paren. En het tikt natuurlijk dubbel aan. Stel dat elke hoogopgeleide 50 binnenbrengt; en elke middelbaar opgeleide 25. Dan telt een opleidingsgemengde relatie op tot 75. Maar als de hoogopgeleiden elkaar vinden; en de middelbaar opgeleiden ook, dan is de verdeling 100 om 50.

Twee: Een toenemende opleidingshomogamie leidt tot hogere kosten voor overheidsvoorzieningen. Hoezo? Omdat de advocaat, techneut en chirurg in afnemende mate een huishouden vormen met partners met slechte arbeidsmarktkansen. Waar inkomensrisico's voorheen deels werden opgevangen binnen het huishouden, komen die in toenemende mate terecht bij het collectief, in de vorm van sociale zekerheid.

Partnerkeuze behoort tot het private domein. Wij gaan er (als gemeenschap via de overheid) niet over of en met wie een mens een huishouden vormt. Dat lijkt me ten principale goed. Maar die vrije keuze heeft wel grote impact op de ongelijkheid. Simpelweg accepteren? Of er toch eens over durven nadenken?

Opleidingshomogamie. Onthoud dat woord.

Frank Kalshoven is directeur van De Argumentenfabriek. Reageren? frank@argumentenfabriek.nl

Meer over