Fotografie Erwin Olaf

'Ik ben bang dat wat ik heb gemaakt, geen kunst blijkt te zijn'

Fotograaf Erwin Olaf wordt volgend jaar 60. Dat viert hij met drie tentoonstellingen en een grote schenking aan het Rijksmuseum in Amsterdam. Olaf groeide uit van woedende provocateur tot fotograaf van het koningshuis. Eindelijk erkenning. Is dat genoeg?

Erwin Olaf (1959), Drieluik I Wish, I Am, I Will Be, 2009. Beeld Erwin Olaf

‘En deze’, zegt Erwin Olaf (58) en hij wijst naar het zelfportret dat hij maakte toen hij 30 werd. Een jonge, brutale vent, gekleed in leren jurkje met uitsparing, een erectie waar je u tegen zegt. ‘Deze komt in de hal van het Rijksmuseum.’ Ontwapenende grap, zoals alleen Olaf ze kan maken.

We lopen langs lange tafels in zijn studio. Daarop liggen honderden afdrukken van zijn beroemde dwergen, dikke naakten, van verstilde mannen en vrouwen in jarenzestigdecors; Erwin Olaf in vier decennia fotografie. Zijn assistenten, witte handschoenen aan, werken aan de spectaculaire overdracht van bijna vijfhonderd werken uit zijn oeuvre aan het Rijksmuseum. Het is de voorbereiding op wat je het Erwin Olaf Jaar kan noemen: in februari 2019 komt er een overzichtstentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum en het Fotomuseum Den Haag, in juli van dat jaar wordt hij 60, diezelfde maand opent in de Philipsvleugel van het Rijksmuseum in Amsterdam een tentoonstelling, samengesteld door directeur Taco Dibbits. Daarin wordt een link gelegd tussen het werk van Olaf en de Hollandse Meesters.

Kunt u zich nog herinneren wanneer u voor het eerst serieus begon na te denken over uw nalatenschap?

‘Ik ben er nooit mee bezig geweest, tot Taco hier drie jaar geleden kwam binnenlopen met de vraag of ik wilde nadenken over een verwerving van mijn kerncollectie. Ik had eens laten vallen dat ik in het Rijksmuseum wilde tentoonstellen, maar hij zag het veel groter. Ik weet nog dat hij zei: ‘Erwin, een tentoonstelling duurt drie maanden. Ik denk in 150 jaar.’ Toen besefte ik: wat ben ik toch een simpele ziel.’

Erwin Olaf (1959), Drieluik I Wish, I Am, I Will Be, 2009. Beeld Erwin Olaf

CV 

Erwin Olaf (Hilversum, 2 juli 1959) studeerde af aan de School voor Journalistiek in Utrecht, waar hij al snel ontdekte dat zijn talent niet lag in schrijven, maar in de fotografie. 

Hij maakte aanvankelijk documentair werk, maar al snel ruilde hij die in voor geënsceneerde fotografie, want: ‘Ik ben fotograaf van mijn fantasie.’ 

Naast vrij werk heeft Olaf altijd in opdracht gefotografeerd, voor onder andere Diesel, Heineken, BMW en Nokia, New York Times Magazine en Vogue. 

Hij won in 2011 de prestigieuze Johannes Vermeerprijs.

 Werk van Olaf is aangekocht door en tentoongesteld in musea over de hele wereld, waaronder het Pushkin museum in Moskou, het Fotomuseum Antwerpen, Museum Ludwig in Keulen en Fotomuseo Bogota.

U heeft er nooit een geheim van gemaakt dat een plek in het Stedelijk Museum voor u een grote erkenning zou zijn. Waarom koos u voor het Rijksmuseum?

‘Ik had graag een keer in het Stedelijk geëxposeerd en ik vind het onbegrijpelijk dat ik de afgelopen veertig jaar nooit door hen ben uitgenodigd, want ik vind dat mijn werk niet onderdoet voor dat van andere gevierde Nederlandse kunstenaars. Maar dat voelt nu als een gepasseerd station. En schénken? Aan een instituut dat mij nooit heeft gevolgd, waarmee ik geen band heb opgebouwd?’

Die band had hij wel met Rijksmuseum, sinds hij in 1996 een portret maakte van toenmalig directeur Henk van Os. Met de komst van Wim Pijbes in 2008 verdiepte die band zich. ‘Ik vond het Rijksmuseum altijd een wat conservatief instituut, tot hij er directeur werd en de energie begon te stromen. Er kwam meer aandacht voor de collectie fotografie en in 2016 werd me gevraagd of ik een tentoonstelling wilde ontwerpen over mode door de eeuwen heen, Catwalk. Toen leerde ik het museum ook van binnenuit kennen. De sky was the limit – totdat je er tegenaan loopt, natuurlijk.’

Erwin Olaf (1959), Drieluik I Wish, I Am, I Will Be, 2009. Beeld Erwin Olaf

Als uw collectie bij het Stedelijk terecht was gekomen, hadden de mensen over honderd jaar gezegd: die Olaf behoorde toen blijkbaar tot de avant-garde, maar nu doet het verouderd aan. Nu zullen ze zeggen: die fantastische fotografie hangt in het Rijksmuseum, die hoort dus tot de canon van Nederland.

‘Dat moet nog maar blijken, hoe fantastisch mijn fotografie over honderd jaar nog is. Ik heb ook wel eens gezegd: ik ben bang dat ik de Rien Poortvliet van de fotografie word. Dat wat ik heb gemaakt, geen kunst blijkt te zijn.’

De kans dat Olaf een tweede kabouterkunstenaar à la Poortvliet zal worden lijkt klein, vooral door dat vroege werk uit de jaren tachtig. Zelfportret met een klodder sperma in het gezicht, moddervette vrouwen in bondage, dwergen op spijkersandalen; de foto's leverden hem de bijnaam Fotograaf van de woede op. Of: Het boze oog. De sterk seksueel getinte foto’s hadden inderdaad iets agressiefs. Ze leunden zwaar op het werk van de Amerikaanse, jong gestorven fotograaf Robert Mapplethorpe. Ze maakten Olaf wel meteen bekend. In 1989 won hij de Eerste Prijs voor Jonge Europese Fotografen. 

Een jaar later vond hij zijn eigen stiel met Blacks, een serie portretten van zonderlinge types poserend in een fantasievolle rouwkrans, afgedrukt in steenkoolachtige zwarttinten. Sindsdien brengt de fotograaf zijn eigen fantasie in beeld, niet de werkelijkheid. Weelderig, tegen de heersende smaak van conservatoren van kunstmusea, in een perfecte setting van licht, decor en make-up. In series over clowns, vermoorde royals en powervrouwen op leeftijd. Uit dat hele oeuvre van naar schatting 40 duizend fotorolletjes krijgt het Rijksmuseum nu dus een ‘kerncollectie’ van een kleine vijfhonderd foto’s en video’s, het meeste door Olaf geschonken, een deel met steun van de BankGiro Loterij aangekocht.

Erwin Olaf (1959), Fashion Victims Chanel, 2000. Beeld Erwin Olaf

Als je dat oeuvre beziet, is de overheersende emotie: eenzaamheid.

‘Dat is het basisgevoel in mijn leven. Je komt alleen en je gaat alleen.’

Heeft dat met ouder worden te maken?

‘Nee, ik heb het altijd gehad. Mijn moeder ook. Die kon, als ze te midden van haar gezin op de bank zat, zeggen: ik wil naar huis. Snap je dat? Die onrust om ergens naartoe te willen, nog dieper ergens naartoe?’

Erwin Olaf (1959), Keyhole, 2012. Beeld Erwin Olaf

U legt dat gevoel vast in gestileerde foto’s van heel gestileerde vrouwen en mannen. Waarom niet de straat op, en daar de eenzaamheid vastleggen?

‘Ik heb weleens gezegd: als ik de gewone wereld wil zien, zet ik mijn raam wel open. Daarvoor hoef ik niet naar een museum. Ik hou ervan om te liegen. Niet in het echte leven, maar in de fotografie. Dat je door het kiezen van een kader, de bouw van je decors, de manier waarop je iets uitlicht, door de aanwijzingen die je geeft aan je model, de emoties van je kijker kunt sturen – net als in een film. Dat je tranen met tuiten kunt huilen, terwijl alles nep is. Dat is misschien wel de essentie van een Erwin Olaf-foto.’

Wat opvalt aan uw foto’s: alles is zo perfect. Kunt u niet tegen wanorde?

Lacht. ‘Ordnung muss sein. Choreograaf Hans van Manen, mijn goede vriend en in de fotografie mijn leermeester, zei het vroeger al: als er één haartje verkeerd zit, ga je naar dat haartje kijken, niet naar wat ik met een foto bedoel te zeggen.’

Erwin Olaf (1959), Hope The Kitchen, 2005. Beeld Erwin Olaf

Perfectie kan ook tegen je gaan werken.

‘Bedoel je dat het te slick wordt? Dat is een risico, ja. Aan de andere kant: het zou onoprecht zijn als ik het niet zou doen. Dit is mijn vocabulaire. Misschien is het wel mijn volkse aard: mooie dingen maken. In de kunst stelt mooi niks voor, maar ik vind het moeilijk om iets lelijks te maken. En bovendien zet ik me graag af tegen de heersende opvattingen in de beeldende kunst.’

Heeft u het weleens geprobeerd, iets lelijks maken?

‘Nee. Ook niet toen ik heel dikke vrouwen fotografeerde, in het begin, voor mijn eerste serie Chessmen. Het is zo makkelijk een dikke vrouw lelijk op de foto te zetten. Ik deed wel iets schandelijks met ze, een touw om hun lichaam, of dat ze een karretje moesten voorttrekken. Maar dan zette ik er een mooi lichtje op, waardoor hun huid mooi zacht werd. Of ik koos een standpunt waardoor ze iets heroïsch kregen. Dat bekoorde mij. En zij verdienden het.’

Erwin Olaf (1959), Selfportrait no 4. 48 years old, 2007. Beeld Erwin Olaf

Denkt u dat u daardoor nooit een tentoonstelling heeft gekregen in het Stedelijk Museum?

‘Hans van Manen zei ook: het allerfijnste neusje van de allerfijnste zalm zal jou nooit accepteren. Maar misschien heb ik het ze ook niet gemakkelijk gemaakt. Ik heb niet het pad gevolgd dat je moet volgen om in de kunstmusea terecht te komen. Ik heb geen opleiding gevolgd aan de Rietveld, ik maakte geen vlak uitgelichte schaduwloze kunstfotografie van een model met drie pukkels op haar gezicht. Ik fotografeerde voor Nieuwe Revu, ik stak de negatieven in de fik van de foto’s die ik maakte van verstandelijk gehandicapten. Droge registratie vond ik vervelend. Er moest voor mij altijd een trapezemeisje in beeld, of een klein mannetje. En dan dacht ik: nou wordt het leuk.’

Wim van Sinderen, curator van het Fotomuseum Den Haag, vertelde: ‘De rare situatie doet zich voor dat Erwin door zijn staatsieportretten van Willem-Alexander en Máxima goedgekeurd is door het koninklijk huis, maar dat zijn vroege foto’s, door de preutse moraal van nu, steeds minder kunnen worden getoond.’

‘Dat klopt. Als ik in Amerika mijn portfolio laat zien en er komt een geslachtsdeel langs, gaan de luiken dicht. Het geslachtsdeel is daar een enorm obstakel. Het lichaam houdt hier ergens op – wijst net boven heup – en gaat dan hier weer ergens door. Wat is er mis met een poes? Met een pik? Die horen toch bij ons? In onze cultuur is het altijd normaal geweest om in de kunst de cherubijntjes en de naakten af te beelden. Dat moeten we verdedigen.’

Erwin Olaf (1959), Squares Powerlifting, 1985. Beeld Erwin Olaf

Jullie zijn bezig met een grote overzichtstentoonstelling in Den Haag, en Van Sinderen vertelde dat hij twijfelt of hij het naaktportret dat je maakte van je 5-jarige nichtje, in 1993, zal ophangen.

‘Ik twijfel ook.’

Hij pakt de foto erbij, uit de serie Bodyparts. Er staat een meisje op van wie we het gezicht niet zien, haar buik en schaamstreek zijn bloot.

‘Dit kun je nu niet meer maken’, zegt Olaf. ‘Zo is de tijd niet meer. Zo ben ík niet meer. Zo agressief met de stormram op de wereld af. Het was ook in de jaren rond de zaak-Dutroux. Ik had het kinderlichaam altijd gezien als iets heel puurs, maar ineens kon dat niet meer.’

Komt hij in de tentoonstelling, denkt u?

‘Ik heb Wim voorgesteld om in één zaal naakten te hangen. En dan doen we hier een gordijntje voor. Als een statement: dit was 1993.’

Gevraagd naar de overkoepelende thema’s in zijn werk, zegt hij: ‘In de jaren tachtig was het seks – vooral mijn angst ervoor. Ik was al blij dat ik uit de kast was gekomen.’ De jaren negentig: agressie. ‘Ik zat altijd op het paard en ik zou de wereld wel gaan veroveren met mijn lans.’ De jaren nul: verdriet - niet alleen om de wereld, na 9/11, ook omdat zijn ziekte, longemfyseem, hem steeds vaker begon te hinderen. Een van de sleutelseries uit die tijd is Grief. Foto’s van jankende wijven, noemt hij ze zelf spottend.

Erwin Olaf (1959), Grief Irene, 2007. Beeld Erwin Olaf

De laatste twee jaar, zegt Olaf, is zijn conditie snel achteruit gegaan. Zijn rechterhand Shirley den Hartog had al gezegd: hij rijdt op een elektrische fiets, de zuurstoftank gaat mee op reis, hij overwintert in een warm land, de pauzes tussen zijn opdrachten worden steeds langer. ‘Toen de ziekte in 1996 werd ontdekt, zeiden de artsen in het AMC: u wordt 60. Nu zeggen ze in het ziekenhuis in Leiden: u wordt 70. Ik wil nu leven. Niet morgen.’

We zaten na te denken over een woord dat het thema voor de jaren tien dekt. Maar we kwamen er niet op.

‘Ik ook niet. Stuurloos? Ik ben sinds mijn 55ste de weg een beetje kwijt. Ik ben een ouder wordende man, die niet meer precies weet waar hij voor staat. Ik ben privé heel gelukkig, met mijn man. Ook met dat homo-activisme van mij is het wel mooi geweest. Als ik de beelden terugzie waarop ik tijdens een kus-demonstratie in Amsterdam een GeenStijl journalist in zijn gezicht spoog (in 2012), denk ik: je kunt beter op de achtergrond blijven. Je bent te grimmig. Je wil altijd gelijk hebben. Ga nieuwe dingen leren en bedenken wat je wilt doen met je bedrijf.’

Nieuwe dingen, dat is het regisseren van de film Een schitterend gebrek, naar de roman van Arthur Japin. Reinout Oerlemans heeft de rechten gekocht, de financiering is voor tweederde rond. Janine van den Ende, vriendin en opdrachtgever sinds ze Olaf vroeg foto’s te maken voor de foyer van theater DeLaMar, wil dat hij een regieopleiding gaat doen, in Los Angeles. ‘Ze heeft gelijk. Ik kan niet regisseren. Ik werk wel met modellen, ik duw en trek aan ze tot ze uitdrukken wat ik wil. Maar dat is wat anders dan met acteurs omgaan.’

Hij zegt: ‘Ik zie er ook heel erg tegenop. Bij een fotoserie is het drie weken huilen bij een slechte recensie, en weer door. Maar krijg je één ster voor een film waaraan je twee jaar hebt gewerkt, dan lig je een half jaar in de kreukels. En die kans is niet onaanzienlijk.’

Erwin Olaf (1959), Paradise Portraits, 2001-2002. Beeld Erwin Olaf

Staat een filmregisseur een stapje hoger op de ladder dan een fotograaf?

‘Ik doe het ook tegen de verveling. Ik kan op de herhaalmodus gaan, dan heb ik een geweldig inkomen en kan ik de tien jaar die ik nog heb uitdrijven, maar daar vind ik geen ene fluit aan. Ik ben wel klaar met mijn series van snotterende vrouwen.’

Nieuwe dingen, dat is ook: documentair fotograferen – al heeft hij er zijn hele leven op afgegeven. In Erwin Olafs vocabulaire: ‘Oké, laat die puisten dan maar eens zien.’ Er zijn twee series die hij graag zou willen maken: portretten van de Joodse gemeenschap, in een paar steden in de wereld, een uitbreiding van de serie Joods die hij in 2013 maakte in opdracht van het Amsterdamse Stadsarchief. ‘En ik wil iets doen met de adel. Een verdwijnende identiteit. En als je een staatsieportret hebt gemaakt, zoals ik, is dat een handige binnenkomer.’

Wim van Sinderen zei: als hij doorgaat met portretten, dan komt hij internationaal in de hoogste league.

‘Ik snap dat niet. Waarom is een portret maken nou zo hoog gewaardeerd? Je komt binnen met je camera, je zet er een lichtje op, je fotografeert en toedeledokie je bent weg. Roem, dat is ook zoiets, dat heeft me nooit geïnteresseerd. Beroemde mensen fotograferen. Ik heb wel eens voor muziekblad Oor in de jaren tachtig en negentig achter muzikanten aan gezeten. Nou, de Beastie Boys die waren me toch een partij vervelend, die lieten de deur voor mijn neus dichtvallen. Ik dacht op een gegeven moment: ja dag, ik ga naar huis. Maar het is waar: zodra je beroemde mensen fotografeert, word jij ook beroemd.’

Beroemdheid betekent toch wel iets voor u? U heeft zelfs de koninklijke familie gefotografeerd. Waarom deed u dat?

‘Omdat het beyond any league is in Nederland, en ik zo iets kan bijdragen aan onze monarchie. Aan mijn land. Op de website van de Spaanse Vanity Fair, onder de kop schandaalfotograaf, wordt afgebeeld met een portret met spuitende champagnefles, het portret van Maxima, en een foto uit de serie Fashion Victims, van een naakte man met stijve pik en een tas van Gucci op zijn hoofd. Dan denk ik: dit is de samenvatting van de maatschappij waarin ik leef. Fantastisch. Die twee uitersten.’

Erwin Olaf (1959), HRH Princess Maxima, 2011. Beeld Erwin Olaf
Erwin Olaf (1959), Fashion Victims Gucci, 2000. Beeld Erwin Olaf

Heeft u nog voorwaarden verbonden aan de overdracht van uw werk aan het Rijksmuseum?

‘Ik heb alleen gezegd: ik doe het niet voor niets. Maar verder: mijn werk is in goede handen. Het is wel het Rijks. Dan ga ik niet zeuren over hoe vaak ik zou willen dat het na mijn dood wordt tentoongesteld. Ik zit toch op die wolk, als die er überhaupt is.’

Tentoonstellingstrilogie

Van 16 februari tot 12 mei 2019 brengen Gemeentemuseum Den Haag en Fotomuseum Den Haag een dubbeltentoonstelling van Erwin Olaf.

Het Gemeentemuseum toont het vrije werk, het Fotomuseum zoomt in op het maakproces – van analoog naar digitaal. Ook zullen 25 foto’s te zien zijn van fotografen die een inspiratie voor Olaf waren.

In juli volgt een tentoonstelling in het Rijksmuseum. Hierin worden dwarsverbanden gelegd tussen Olafs fotografie en schilders als Vermeer en Rembrandt.

Michiel van Erp werkt aan een documentaire over Erwin Olaf, waarin de kunstenaar de balans opmaakt van zijn carrière.

Fotograaf van het koningshuis

Toen Erwin Olaf in 2010 te gast was in het tv-programma Zomergasten, gaf hij naar aanleiding van een filmfragment ongevraagd stijladviezen aan toen nog kroonprins Willem-Alexander. Bleek je tanden, val een paar kilo af, draag een bril, doe iets aan het licht. Hoe het komt dat Olaf desondanks de afgelopen jaren tot drie maal toe leden van het koningshuis fotografeerde? 

‘Ik heb een excuusbrief geschreven om me te verontschuldigen voor mijn toon. Het ging me niet om de koning, maar om hoe je het koningschap in beeld wil brengen. De koning heeft dat gewaardeerd.’

Olaf werd zeven jaar geleden gevraagd Máxima te fotograferen toen ze 40 werd. En vorig jaar, toen Willem-Alexander 50 werd, om portretten te maken van Máxima en de drie dochters. En dit jaar voor de officiële staatsieportretten. ‘Ik ben heel blij met het portret van Willem-Alexander. Ik vond dat hij op foto’s altijd zo gespannen was, dat heb ik ook gezegd. En toen liet ik hem één foto zien waar hij heel mooi en lief op stond. Dat doe ik altijd: ik geef een richting aan.’

Erwin Olaf (1959), Koning Willem Alexander, 2018. Beeld Erwin Olaf
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden