Ik, Arnold

Waar oorlog is, is Arnold. Arnold Karskens. Onverzettelijk staat hij op zijn post - híj wel. Zijn laatste klus was Irak, en over zijn ervaringen schreef hij het boek Onze man in Bagdad....

In het boek van oorlogsverslaggever Arnold Karskens staat een foto van Karskens op een berg stenen. Het is een huis, dat nog niet zolang geleden vol getroffen is door een kruisraket. Zelfbewust poseert Karskens bovenop de puinhoop, alsof het een toeristische attractie betreft. De blik is koel en onverzettelijk. Het ene been staat losjes voor het andere.

Je weet meteen: hier staat een echte oorlogsjournalist.

Je weet ook dat hij het weet.

De boodschap achterop zijn boekje laat aan duidelijkheid in ieder geval niets te wensen over. 'De enige ooggetuige die voor Nederland en België op zijn post bleef', staat er in grote witte letters. Opdat het niemand zal ontgaan.

Het is de kaft van Onze man in Bagdad, het boek dat Karskens schreef over zijn verblijf in de Iraakse hoofdstad tijdens de afgelopen Golfoorlog. Hij zat er een maand en werkte er voor Nieuwe Revu, Stem van Nederland (SBS), Barend & Van Dorp, VRT, de Vara en de RVU. De stukken in Nieuwe Revu vormen de basis voor zijn boek.

In Onze man in Bagdad beschrijft hij wat een echte oorlogsjournalist te verduren krijgt. ''s Avonds hoor ik hoe de kruisraketten langs mijn balkon scheren', schrijft hij. Een dag ervoor beleeft hij 'het ergste bombardement' dat hij ooit heeft meegemaakt: 'Moet je niet naar de schuilkelder?, vraagt presentator Leo de Later bezorgd. Nee, antwoord ik. Ik heb geen zin om tien trappen af te lopen midden in een bombardement.'

Karskens houdt wel van een beetje heroïek. Elke dag moet hij minstens één keer wegduiken. Tijdens een zware luchtaanval doet hij 'plat op zijn buik' verslag, 'weggedoken achter een fauteuil'. En als hij op een dak van het ministerie van Informatie in gesprek is met de VRT, lijkt de lucht boven hem te exploderen. Terwijl zijn cameraman hulpeloos en met grote ogen omhoog kijkt, blijft Karskens verslag doen. 'De prijs van de 'up link' is duizend dollar, dus weglopen doe je niet, maar toen het gesprek eenmaal was afgelopen, gooide ik mijn oortelefoontje op de grond en spurtte het dak af. Terwijl de afweergranaten boven ons hoofd ontploften.'

Spannend natuurlijk. En het moet gezegd: het is dapper en prijzenswaardig van Karskens om in tegenstelling tot de rest van de collega's in Bagdad te blijven, zelf verzekeringen te regelen, opdrachtgevers bij elkaar te sprokkelen, en de zware bombardementen te verdragen.

Maar na het lezen van het boek bekruipt je het gevoel dat dat tevens de voornaamste reden is waarom hij oorlogen bezoekt. De verhalen van Arnold Karskens gaan voor een groot deel over de manier waarop hij, Arnold Karskens, de oorlog doorstaat. In politiek is hij nauwelijks geïnteresseerd, analyses zijn schaars, alleen de bommen en granaten komen echt goed door. Hij voert af en toe wel gesprekken met de Iraakse bevolking en taxichauffeurs, maar een doorwrocht beeld van de manier waarop Bagdad de oorlog beleeft, komt er niet uit.

Jammer van die oppervlakkigheid, want Karskens was wel de enige Nederlander die de hele oorlog in Bagdad zat. Terecht kaart hij het probleem van de Nederlandse media aan: het willen vermijden van elk risico en het inhuren van buitenlandse verslaggevers, terwijl eigen journalisten weg moeten. Ook merkt hij op hoe de Noorse collega Asne Seierstad 'fijn gesoigneerd, met gekamde haren' rondloopt en haar kogelwerend vest speciaal aantrekt als ze voor de camera staat. Dat hij zelf dit vest juist uittrekt voor de camera - naar eigen zeggen om zijn kinderen niet ongerust te maken - is verder volstrekt acceptabel.

Het is niet voor het eerst dat Karskens zijn collega's beschuldigt. Hij voert al tijden een hardnekkig privé-oorlogje tegen journalisten als Gijs Wanders en Els de Temmerman omdat hij vindt dat ze opschepten, overdreven of zelfs logen over hun oorlogservaringen. Wat hem wat minder geloofwaardig maakt, is dat hij er voortdurend op terugkomt. Alsof hij wil zeggen: alleen ik, Arnold, doe het goed.

Karskens wordt de held van zijn avontuur dat oorlog heet, al houdt hij zijn eigen angst niet buiten beeld. 'Als ik 's morgens mijn kamerdeur achter me dichtsla, vraag ik me af of het de laatste maal is.' Aan het einde van de oorlog wordt hij overvallen door een groepje strijders met een granaatwerper. Zijn chauffeur redt hem door uit de auto te springen en te zeggen: 'Ik ben moslim. Hij is een journalist.'

Dit laatste incident vertelt hem dat zijn geluk opraakt en dat hij moet gaan. Dat komt ook door de horden journalisten die Bagdad dan inmiddels bevolken en in hun frisse bloesjes allemaal hun stand-upjes doen. Karskens voelt zich superieur boven de nieuwkomers, en ontdekt ineens een band met de collega's die net hij als hij al wekenlang aanwezig waren, maar die hij al die tijd 'geen blik waardig achtte'. Hij kan naar huis. Want hij is gebleven.

Meer over