IJzeren discipline

Het Theater Treffen in Berlijn geeft een aardig inzicht in de stand van zaken van het Duitstalig toneel. De oude generatie theatermakers wil van geen wijken weten; de nieuwe zet zich niet tot nauwelijks tegen hen af....

De staande ovatie is in het Duitse theater een ongekend fenomeen. Komt het publiek in Nederland bijna automatisch na iedere voorstelling, ongeacht de kwaliteit ervan, onmiddellijk uit zijn stoel, in Duitsland blijft men stoïcijns zitten. Als het Duitse publiek ergens enthousiast over is, dan gaat het na een minutenlang aanhoudend applaus ineens over in een ritmisch geroffel der voeten.

Zoals dat jongstleden zaterdag gebeurde na afloop van Onkel Wanja, een voorstelling van het Deutsches Theater Berlin, die als een van de tien ‘meest belangwekkende’ producties van het afgelopen jaar deel uitmaakt van de selectie van Theater Treffen 2008.

Zeker tien minuten hield het applaus en het stampvoeten aan, totdat de spelers van vermoeidheid bijna tegen de vlakte gingen. Ruim drieënhalf uur hadden ze Tsjechovs Oom Wanja gespeeld op de meest emotionele, fel-realistische manier die denkbaar is, en al die tijd waren ze op dat podium gebleven. Ook als ze niet aan de scène deelnamen, bleven ze aan de zijkant staan, leunen, hangen en soms zelfs liggen. Zo had regisseur Jürgen Gosch het namelijk bedacht, en in de ijzeren discipline van het Duitse theater doe je dat dan gewoon. Of je nu tot de jonge garde van het gezelschap behoort, of tot de oudgedienden onder wie de beroemde actrice Gudrun Ritter die de kleine rol van (groot)moeder speelt.

Die inzet en betrokkenheid hebben hun vruchten afgeworpen. Oom Wanja in regie van Jürgen Gosch is onweerstaanbaar, aangrijpend en ontroerend theater dat het publiek bijna verdoofd achterlaat. Na dat stormachtige applaus en die stampende voeten, is er ineens de stilte en het besef dat hier theatergeschiedenis is geschreven – toch zeker wat betreft de opvoeringtraditie van Tsjechov.

Oom Wanja gaat over dromen die niet uitkomen, geldzorgen, gefnuikte liefdes, een uitzichtloos leven. Maar ook over: niet toegeven aan al die ellende, proberen een uitweg te vinden, desnoods je revolver leegschieten op je tegenstander of een stuk brood aanbieden aan de man die je liefhebt, maar die jou afwijst.

Tsjechovs intense melancholie wordt traditioneel meestal bitterzoet, romantisch en sfeervol gespeeld. Of moderner: dan zijn de personages ineens keiharde, egocentrische, verveelde en vooral vervelende wezens. Gosch zocht en vond het onontkoombare evenwicht tussen die twee opvattingen, en daarmee is zijn Onkel Wanja een tijdloos monument.

Onkel Wanja is het grote succes in deze eerste week van Theater Treffen (TT), dat dit jaar een jubileum viert: voor de 45ste keer trekken de theaterliefhebbers naar Berlijn om daar deze vlootschouw van het Duitse theater te bezoeken. Tien voorstellingen uit Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk die in de ogen van een vakjury als toonaangevend worden beschouwd. In die zin geeft een bezoek aan TT een aardig inzicht in de stand van zaken van het Duitstalige theater, dat algemeen geldt als het beste van Europa. Dat vinden op de eerste plaats de Duisters zelf, want geen land dat zijn eigen theatercultuur zo serieus neemt als Duitsland.

Het openingsweekend van deze 45ste editie bood het ideale programma om inderdaad vast te kunnen stellen dat het Duitse theater nog steeds bijzonder en spraakmakend is. Naast Onkel Wanja van veteraan Gosch (1945) – oneerbiedig wordt hij ook wel een van Duitslands ‘theaterdinosaurussen’ genoemd – waren ook producties van Thomas Ostermeier (1968) en Stefan Pucher (1965) te zien. Ostermeier, intendant van de Schaubühne am Lehniner Platz in Berlijn, geldt al een paar jaar als hét nieuwe talent in het Duitse theater en presenteert zich in Theater Treffen met Die Ehe der Maria Braun, een theaterbewerking van de legendarische film van Rainer Werner Fassbinder uit 1978. Pucher is nog steeds de belangrijkste maker van het zogenaamde pop-theater, een fenomeen dat in Duitsland veel meer voorkomt dan in Nederland. Zijn voorstellingen zijn vaak een postmoderne mix van klassieke teksten, popmuziek, schlagers, discodansjes en veel visueel geweld. Pucher gebruikt net zo lief Schubert in zijn voorstellingen als The Pet Shop Boys. Aan hem de eer Theater Treffen 2008 te openen met zijn rigoureuze bewerking van Shakespeares De Storm.

Gosch zij aan zij met Ostermeier en Pucher – twee generaties theatermakers die elkaar in Theater Treffen ontmoeten. Uit hun voorstellingen blijkt in ieder geval dat ze geen tegenpolen zijn: alle drie maken ze conceptueel theater, waarin de Duitse traditie van een doorwrochte dramaturgie en visie op het klassieke repertoire doorklinkt. Klassieke stukken worden keer op keer gespeeld, in een voortdurende actualisering, en als vanzelfsprekend in de grote zaal van al die grote stadstheaters.

Gosch en met hem nog oudere collega’s als Claus Peymann, Peter Stein en Peter Zadek hebben in die zin vanzelfsprekende opvolgers gevonden in de generatie na hen. Want regisseurs als Ostermeier, Pucher en ook iets jongere makers als Nicolas Stemann en Andreas Kriegenburg zijn zonder meer schatplichtig aan hun oude leermeesters. De opvolging voltrekt zich als het ware geruisloos, zij het dat de ouderen vooralsnog van geen wijken willen weten. En waarom zouden ze ook, als ze nog zoiets moois maken als Oom Wanja. Als deze drie eerste voorstellingen van Theater Treffen 2008 exemplarisch zijn voor het Duitse theater van nu, is er dus nauwelijks sprake van grote tegenstellingen. Hooguit zijn de ‘jongeren’ wat minder zwaar op de hand, en hebben wat meer op met de populaire cultuur.

Zo maakt Stefan Pucher in zijn openingsvoorstelling Der Sturm van Shakespeares boze sprookje over wraak en vergeving een visueel enerverend spektakel, waarin de verschillende scènes als in een immens plaatjesboek aan de toeschouwer worden gepresenteerd. In Der Sturm is de verbeelding van de diverse uitheemse locaties altijd een probleem. Pucher redt zich daar aardig uit, met gebruikmaking van een imposante videowall, drie malle meiden die een disconummer doen, een John Lennon-song en de bosgeest Ariel die hier een kruising lijkt tussen Elton John en Andy Warhol. Leuk allemaal, maar van de serieuze, beschouwende kant van dit stuk blijft weinig over.

Zijn collega en generatiegenoot Thomas Ostermeier heeft in Die Ehe der Maria Braun ook veel aandacht aan de vormgeving besteed (een prachtig jaren vijftig decor, met dito meubels en lampen), maar gaat inhoudelijk veel dieper. Al eerder toonde Ostermeier een voorliefde voor sterke vrouwen in het theater; zijn regies van Ibsens Hedda Gabler en Nora, een poppenhuis waren opzienbarende hommages aan de door een benepen moraal geteisterde titelheldinnen. In wezen is zijn Maria Braun betreurenswaardiger; dat deze ‘Mata Hari van het Wirtschaftswunder’ tenslotte zo tragisch aan haar einde komt, is van meet af aan duidelijk.

Die Ehe der Maria Braun vertelt niet alleen de particuliere geschiedenis van die ene vrouw, maar gaat ook over de wederopbouw van het naoorlogse Duitsland. Maria zit na de oorlog niet bij de pakken neer, trouwt haar geliefde Hermann, doodt haar minnaar (waarvan Hermann de schuld op zich neemt) en gebruikt invloedrijke mannen om hoger op te komen, en aldus geld, aanzien en macht te verwerven. Maar op het moment dat Duitsland in 1954 het wereldkampioenschap voetbal wint, en als natie zijn zelfvertrouwen hervindt, houdt voor Maria het leven plotseling op.

Had Fassbinders film nog enige melodramatische en sentimentele trekken, in deze theaterversie is daar geen ruimte voor. Maria Braun is in de vertolking van Brigitte Hobmeier een ijskoningin die haar gevoelens buitenspel heeft gezet. Ostermeier geeft een inktzwarte terugblik op de zware jaren na 1945. Doordat hij aan het begin filmbeelden toont van Hitler die door tamelijk hysterische vrouwen wordt toegejuicht, gaat zijn voorstelling uiteindelijk ook over het Duitse schuldbesef dat tot op de dag van vandaag duurt. Van Eva Braun naar Maria Braun, zeg maar.

In Die Ehe der Maria Braun wordt voortreffelijk geacteerd; om Hobmeier heen staan vier acteurs die alle andere rollen spelen, zowel de mannen als de vrouwen. Dat gebeurt weliswaar met rare pruiken en soepjurken, in expres lelijke travestie, maar dat alles gaat niet ten koste van de meedogenloze hardheid die deze voorstelling kenmerkt.

Hoe dwingend hun regieconcepten ook zijn, al die regisseurs kunnen niet zonder al die voortreffelijke acteurs die bij de Duitse stadstheaters werken. Elk gezelschap heeft minstens dertig vaste acteurs in dienst, in alle leeftijden, soorten en maten. Opmerkelijk ook: in het Duitse theater komt het nauwelijks voor dat acteurs met zendmicrofoons spelen, iets dat in Nederland inmiddels nagenoeg standaard is geworden. Door die versterking zouden de acteurs ingetogener en kleiner kunnen spelen, maar het gaat altijd ten koste van de expressie. Wat tekstbehandeling en techniek betreft zijn de Duitse acteurs superieur en ook de bijna bezeten overgave aan de soms rigide eisen van hun regisseurs getuigt van een enorme discipline.

Theater Treffen brengt ook dit jaar voornamelijk grote voorstellingen van de grote stadstheaters, met bekende stukken als Hamlet (Shakespeare), Maria Stuart (Schiller), Die Ratten (Hauptmann) en natuurlijk de onvermijdelijke Christoph Marthalter die eigenlijk ieder jaar wel te gast is. Critici zien hierin een zekere starheid en het negeren van het jonge, vrije theater, dat in Duitsland wel degelijk ook bestaat. Die grote stadstheaters golden voor jonge makers decennia lang als onneembare bastions. Maar daarin komt langzaam verandering; steeds vaker worden de deuren voor nieuw talent geopend. Voor TT 2008 is zowaar een non-stop performance-installatie van het Schauspielhaus Köln geselecteerd onder de titel Die Erscheinungen der Martha Rubin, gemaakt door het kunstenaarscollectief SIGNA, naar een concept van de Deense kunstenares en theatermaker Signa Sorensen.

In een grote hal in het natuurpark van Schöneberger Südgelande is met allerlei containers een kunstmatige stad nagebouwd, Ruby Town. De veertig toneelspelers van wie het merendeel niet professioneel is, doen daar alles wat gewone mensen doen: slapen, eten, drinken, dansen, vrijen, ruziemaken en lamlendig zijn. Het publiek dwaalt daartussen rond, als toeschouwer of toerist, of doet daadwerkelijk mee. Als je om zaterdagnacht drie uur Ruby Town betreedt, kan het gebeuren dat je in een heftige massagesessie terechtkomt. Klop je zondagmorgen om negen uur aan, dan ligt nagenoeg iedereen suf te slapen.

In de Berlijnse pers wordt veel aandacht aan SIGNA besteed, omdat dit soort ervaringstheater op locatie in Duitsland tamelijk ongebruikelijk is. In Nederland en België werken makers als Carina Molier, Dries Verhoeven en Boukje Schweigman al vaker op deze manier, zij zouden in dat opzicht in Duitsland zo aan de slag kunnen. Overigens moet TT het dit jaar zonder Nederlandse en Vlaamse inbreng doen. In de afgelopen jaren waren producties van Johan Simons, Luk Perceval, Paul Binnerts en Alain Platel in Berlijn te zien, maar dit jaar is de jury aan hun werk voorbijgegaan. Maar de nieuwe voorstelling Hiob naar de roman van Joseph Roth die Simons pas geleden bij de Münchner Kammerspiele heeft gemaakt, is zo lovend ontvangen dat die ongetwijfeld in Theater Treffen 2009 te zien zal zijn.

‘Karte(n) gesucht’ – met dat soort bordjes op de buik, doorgaans alleen te zien bij popconcerten, probeert een aantal bezoekers bij aanvang van uitverkochte TT-voorstellingen aan kaartjes te komen. De meeste kaartjes worden gezocht bij het Deutsches Theater waar Oom Wanja te zien is. Publiek, pers en jury zijn het erover eens: dit is zo ongeveer het beste dat het Duitse theater op dit moment te bieden heeft.

Wat deze regie van Gosch zo bijzonder maakt, is enerzijds de volkomen kaalslag in het toneelbeeld, en daartegenover de felle emoties die de spelers zo ongeveer uit hun tenen lijken te halen. Gosch heeft op het podium een soort halve kijkdoos laten bouwen, waarin de spelers zich hebben verschanst – de muren zijn grauwgrijs en beduimeld beige, het licht komt vanuit een grote schijnwerper. Deze mensen kunnen geen kant meer op, het enige dat ze nog hebben is elkaar. Alleen de samowar is prominent in beeld, de theekoker die bij Tsjechov staat voor rust, bezinning, troost. In een briljante opbouw van scènes en emoties wordt die troost uiteindelijk gevonden.

Naar verwachting krijgt de Amsterdamse Stadsschouwburg binnenkort extra geld om meer internationale producties naar Nederland te halen. Het zal tijd worden: Oom Wanja heeft bij wijze van spreken zijn koffer al gepakt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden