IJskoud water tegen vurige hartstocht

Op pagina 246 van Een steeneik op de rotsen van Piet Gerbrandy staat een ragfijn artikel over een gedicht van Hans Faverey....

Het is mijn aard een artikel als dat over Faverey te verkiezen boven sommige andere die zwaarder zijn aangezet. Ik houd niet alleen van het subtiele, maar ook van het rationele, het ingehoudene. Ik ben voor het Apollinische, zoals dat bijvoorbeeld ook zichtbaar wordt in een artikel van Gerbrandy over Tacitus. Gerbrandy heeft echter ook een Dionysische kant en dat is er een van graagte, overvloed, zingende zinnen. Hij schrijft dan met vette vingers,en literatuur dreigt een welig, kneedbaar stuk vlees te worden. Zo schrijft hij bijvoorbeeld over de poe van Hugo Claus:

'Bij Claus is het de taal zelf die gloeit en broeit, die kreunt en morst, die in haar slordige herhalingen de oudste beweging ter wereld verklankt. Deze liefdesgedichten zijn mollig en wulps als opgedirkte dellen van de kermis, ze vermengen in hun opwinding achteloos de stompzinnigste clichmet de diepste waarheden, verlustigen zich gulzig in zowel de kaviaar der eruditie als de vette patatten der banaliteit.'

Dat is voor mij taal uit de worstmakerij. De schrijver over literatuur past zich aan aan de aard van de literatuur waarover hij schrijft. Het kan gerust weloverdachte overvloed zijn, maar een roeskarakter valt er niet aan te ontzeggen. De dubbelzijdigheid van Gerbrandy blijkt uit zijn hele bundel. Hij kan, kan men zeggen, verfijnd proeven en slurpen, strelen en zinderen. In zijn taal dan, en in zijn benadering van literatuur.

In het schrijven over klassieke literatuur neemt hij vaak een tussenpositie in. Hij overlaadt ons, op een schitterende manier, ook al uit protest tegen de eeuwige harmonie der klassieken, denk ik, maar zet onze geest ook weer voortdurend op scherp. Dat doet hij zichzelf ook. Zijn grote kennis roept hem tot de orde. Achter zijn rug staat de grootmeester der gematigdheid, Quintilianus,en maant hem. Maar wanneer hij over de door hem hoog bewonderde Pindarus schrijft, breken alle krachten weer los.

Men kan zeggen dat Gerbrandy met lichaam en geest leest, soms eenzijdig het ene, soms eenzijdig het andere, vaak met beide tegelijk, in een mooi evenwicht. Het leukst lichamelijk is hij als hij zijn bewondering uitspreekt voor het raaskallen, zoals hij dat hoort in sommige gedichten van Lucebert, en, paradoxalerwijs, op een beheerste wijze in het werk van Bilderdijk, die in de bundel heel veel aanwezig is. Vele wegen van Gerbrandy komen haast vanzelf weer uit op de Bilderdijkstraat. En anders op het Ter Balktpad (Ter Balkt, ook zo'n ruchtbare dichter).

De bundel bestaat, wat grof genomen, voor de helft uit stukken over de klassieke literatuur, voor de andere helft over contemporaine Nederlandse poe. (Een uitzondering is een werkelijk heel goed en doordacht stuk over vertalingen van Beckett.) Al heb ik bewondering voor de essays over Lucebert, Kees Ouwens, Kouwenaar en natuurlijk dat kleinere stuk over Faverey, mijn voorkeur gaat uit naar de stukken over de klassieken.

Gerbrandy is classicus, met overgave en afkeer (eenzijdig is hij zelden), met bewondering en onverschilligheid. Hij haalt door zijn benadering direct erin, zijn taal, geen tempelwoorden de oudere schrijvers uit hun marmeren heiligdommen. Dat de recalcitranten van twee millennia en langer terug zijn voorkeur hebben, zal duidelijk zijn. Literatuur is voor Gerbrandy geen bevestiging, maar een ontreddering, een ordeverstoring.

Wat de meeste stukken bindt, is die grootse literaire prestatie: de retorica. In de kunst daarvan leidt Gerbrandy de lezer binnen: hij onderzoekt volgens de wetten van de retorica enkele klassieke werken. Dat is leerzaam en aangenaam. Wie de retorica beheerst en doorziet, heeft een scherpe blik voor de retoriek en de doorzichtig oplichtende kanten ervan. Het is mooi een leer voortdurend in het leven van de literatuur gedemonstreerd te zien.

Wanneer de klassieken in een Nederlandse 'context' ter sprake komen, wordt het allemaal erg mooi. Heel goed en origineel (wie schrijft er over Kallimachos, wie over Bilderdijk?) is een stuk over de vertalingen van Kallimachos door Bilderdijk; een gelijke kwalificatieverdient het stuk over Vondel als klassiek dramaturg. Vermakelijk is de verhandeling over Helmers en de klassieke retorica. Helmers: hij is de luidste grootspreker uit de 19de eeuw Gerbrandy weet hem toch de geluiddemper van de retorica op te zetten.

Gerbrandy's belezenheid kent een ongewone samenstelling. Daardoor verrast hij steeds weer. Als Bilderdijkvorser en -bewonderaar kende ik hem; dat hij Helmers zo grondig kende, was mij onbekend. Voor zijn kennis van het werk van Beckett geldt hetzelfde. Ook in de wereld van de klassieken verrast hij door, mij onbekende, uithoeken te verkennen en te beschrijven.

Hij noemt in het 'Aan de lezer' zijn boek het boek van een lezer. Lezen is in dertig jaar voor hem van een tijdpassering een verslaving geworden. Wij lezen dus het werk van een addict. Met bewondering en verwondering over de vele zo verschillende vormen van verslaafdheid (en de middelen worden niet altijd in kleine hoeveelheden genomen). Aan de verslaving danken we ook de zekere ordeloosheid van het boek.

Een heel subtiel stuk is ook het titelstuk. Een schets van een gedicht van de door Gerbrandy bewonderde Horatius. In het gedicht staat een bron centraal. De dichter belooft die verkwikkende bron een offer. Maar wat hij bezingt is de steeneik die op de rots erboven groeit. Steniger en onvruchtbaarder lijkt het niet te kunnen: een steeneik op de rots. Maar die wordt beeld van het gedicht, in zijn zeldzaamheid en in zijn ongewone kracht. Je wordt er stil van, een effect dat Gerbrandy moeilijk kan beogen. Hij houdt toch het meest van hartstochtelijk rumoer. Daarmee vult voor hem de saxofonist Coltrane de aarde. Gerbrandy blaast zijn partij mee.

Dit is een mooie samenvatting van het boek, de zinnen komen uit het titelstuk: 'Het ijskoude water van deze bergbronnen vormt een noodzakelijk tegenwicht voor de vurige hartstocht waarmee de dichtkunst van oudsher geassocieerd wordt. De gloed van Aphrodite, Ares en Bakchos wordt getemperd door de koele analyse van Apollon, die op de Parnassos woont.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden