IJsbeer bij de boeg!

Een expeditiecruise naar Spitsbergen voert toeristen langs magische natuur, blije wetenschappers, grondstoffendelvers en resten van de vroegere walvisjacht. Als het meezit, zie je ijsberen....

Verder gaat niet. IJs breekt in schotsen tegen de romp. De schotsen komen omhoog, kantelen, spoelen weg in de vrieszee. Geen kapitein die het zal wagen onder deze omstandigheden naar het oosten te draaien, naar de Liefdefjord, naar Amsterdam Eiland, naar Smeerenburg of Hinlopen Straat. Het pakijs is dik en drijft van hot naar her. Binnen een paar uur kan het schip omsingeld en dagenlang gegijzeld zijn.

‘Het leven is hard’, zegt de kapitein, die graag noordelijker had willen varen, naar de ijsberen. En hij keert de boeg.

80 graden noorderbreedte – 10 graden verder ligt de Noordpool, en aan bakboord steken de kliffen van Spitsbergen magisch uit het water. De bergen dragen bruidsjurken van verse sneeuw, en daartussen kronkelen gletsjers, die brokken blauw ijs de zee in duwen.

Het is een stoer schip dat de schotsen breekt. Een oude, smalle, roodgeschilderde marineboot die lichtgebogen door het water gaat. Trotse boeg. Hoog achterschip. Binnen ruikt het naar olie.

De kapitein is een Chileen die zich met decorum onder zijn gasten begeeft en trots is op zijn strepen – ook hier, in de van vrijwel alles verlaten arctische wildernis.

Zijn gasten zitten in het restaurant op het achterdek. Het zijn toeristen. Door de hoge ramen zien ze tijdens de driegangenlunch de poolzee voorbijtrekken, zonder dat ze de kou in hoeven. Ze drinken er Pinot Grigio bij.

Als de zon door de wolken breekt, explodeert het landschap.

Tachtig toeristen vervoert de Antarctic Dream – dat is te weinig voor een cruiseschip en te veel voor een expeditieboot, dus noemt de reder zijn reizen expeditiecruises. Het schip steekt ondiep genoeg om de fjorden te kunnen bevaren die in de eilanden van Spitsbergen snijden, en het heeft een ijsversterkte boeg die schotsen wegduwt of doormidden kraakt. In de benauwde hutten binnen maakt dat een krassend lawaai van metaal op metaal.

De boot verkent de westkust. Omdat daar verder niet veel is, is voor acht dagen water en proviand meegenomen. Waar mogelijk brengt de bemanning de gasten aan land, met acht zwarte rubberboten.

Steenbreek
Aan land ontluikt de zomer: uit de gletsjers gorgelt water, ivoormeeuwen schieten over de schotsen. De zomer in Spitsbergen duurt nooit lang. Drie maanden per jaar dringt er iets van warmte door in het anders diepgevroren eilandenrijk. Velden paarse steenbreek klimmen uit de sneeuw, en duwen de kou weg. Soms bloeien de bloemen op de toendra al onder de sneeuw. Het is alsof de natuur zoveel mogelijk plezier wil hebben van de arctische zomer. De lente slaat ze over.

De toeristen komen voor de wildernis in het algemeen en de pooldieren in het bijzonder, en de ijsbeer in het meest bijzonder. ‘The fluffy white one’ noemt expeditieleider Troels Andersen ijsberen graag – eerder had hij uitgelegd dat het moorddadige wezens zijn die hun vrouw en kinderen eten als het moet. En mensen. Aan land draagt Troels daarom een geweer. Alle gidsen die meevaren, dragen een geweer – een ijsbeer schieten is verboden, behalve in geval van zelfverdediging, en dat gebeurt op Spitsbergen drie keer per jaar.

Op de brug staan Troels en zijn collega-gidsen soms urenlang door verrekijkers het pakijs te bespieden, op zoek naar beweging. Een walrus, een walvis, een zeehond – altijd mooi tegen deze dramatische achtergrond. Maar zonder ijsbeer is de reis niet geslaagd.

‘Daar!’, zegt Troels tegen de kapitein. Maar het is geen beer, het is een geel brok ijs in het landschap.

‘Jammer’, zegt de kapitein.

Het aantal kleine expeditieboten dat ’s zomers rond Spitsbergen vaart groeit; dit jaar zijn het er 21. Als het pakijs halsstarrig blijft liggen en de boten de archipel niet kunnen ronden, zitten ze elkaar nogal eens in de weg, want de toeristen mogen alleen landen op plekken die daarvoor zijn aangewezen. Sinds de jaren negentig groeit het toerisme sowieso hard: voor die tijd was Spitsbergen voorbehouden aan een handvol avonturiers en biologen, nu komen er 27 duizend mensen per jaar.

Spitsbergen is interessant geworden, en niet voor toeristen alleen. De kolonie wetenschappers die er van oudsher huist – biologen, meteorologen, ingenieurs – dijt uit. De harde kern woont in de voormalige mijnkolonie Ny Alesund, waar het schip voor anker gaat. Meer dan een collectie houten huizen aan het Kongsfjord is het niet – maar de nederzetting leeft en groeit als nooit tevoren, en dat onder deze barse omstandigheden.

De Chinezen hebben er een huis gebouwd op de toendra, met voor de deur twee leeuwenbeelden. Ze onderzoeken het noorderlicht. De Koreanen zijn gearriveerd; ze delen een huis met de Fransen. Aan het onderkomen van de Indiërs hangt een beeld van Ganesh. Het zijn wetenschappelijke uitvalsbases, maar tegelijk politieke voetafdrukken: met het wijkende ijs wordt het Noordpoolgebied interessant vanwege de grondstoffen die er verborgen liggen.

Bovendien is Spitsbergen van iedereen. Het eilandenrijk is in beheer bij de Noren, die het Svalbard noemen, maar ieder land dat het Verdrag van Spitsbergen heeft ondertekend, mag er aan de slag – zolang het maar geen militaire onderneming is.

‘Het is allemaal wereldpolitiek’, zegt bioloog Maarten Loonen, bezig aan zijn twintigste zomer in Ny Alesund, waar hij de brandgans onderzoekt. ‘Elk land wil nu in het poolgebied zijn. Dat helpt bij de financiering van mijn onderzoek. Ik denk weleens: de enige reden dat ik hier dit onderzoek kan doen, is dat ik klompen draag.’

Verslaafd
Maarten Loonen is verslaafd aan Spitsbergen, zoals er meer zijn die nooit los zullen komen van het ijle leven daar. Gids Yvonne Rinne woonde twee poolwinters lang in Ny Alesund, waar ze het noorderlicht onderzocht, en kon thuis in Oslo nooit meer wennen.

Het Noordpoolgebied, zegt de Antwerpse hoogleraar biologie Louis Beyens, die ook als gids aan boord is, sluipt je hart in en dan wil je het nooit meer kwijt.

Toch is leven op Spitsbergen altijd meer verbonden geweest met wereldpolitiek en economie, dan met emotie en natuur. De resten die dat bewijzen liggen verspreid langs de kust. Merkwaardige ondernemingen zijn hier neergestreken, in dit barse koninkrijk van permafrost en gletsjertongen, waar ’s winters de poolnacht heerst en ’s zomers de pooldag en de mens zich altijd vervreemd voelt van zichzelf.

Toen Jacob van Heemskerk en Willem Barentsz de archipel ontdekten, tijdens hun epische reis naar het noorden in 1596, vonden ze volle walvisgronden, die in de jaren erna zijn leeggeroofd door Hollanders, Britten en Russen. Wat ze achterlieten, is deels blijven liggen.

Expeditieleider Troels zet de rubberboten uit in de Hornsund en leidt zijn gasten langs de resten: vetovens en geraamten van geslachte walvissen liggen verspreid over de toendra. Het moet er een horror zijn geweest van vuur en bloed en walvisolie, en van gebroken mannenlevens. Net zoals het een horror is geweest in de mijnen, waarvan her en der de resten tevoorschijn komen uit de tanende sneeuwvelden: gietijzeren machines, schuilhutten, treinrails. Een dappere industriële geschiedenis, al werden de mijnwerkers er vooral naartoe gedreven omdat de omstandigheden thuis nog erger waren. Zoals dat nog steeds zo is in het Russische, in rotzooi gewentelde mijndorp Barentsburg, dat vooral bewoond wordt door Roemenen, die een hard leven leiden om het leven thuis minder hard te krijgen.

Naar Barentsburg, zegt Troels, vaart het schip liever niet. Het is er te lelijk, en zijn gasten komen voor de dieren.

Langzaam schuift het schip door de schotsen, door een kapotgeslagen spiegel van ijs.

Dan is het zover.

Louis Beyens ziet hem het eerst. ‘Everybody’, zegt Troels door de intercom, ‘Polar bear, at the bow. Polar bear number one, everybody.’

Een gele stip in de overbelichte poolvlakte, een beer, een ursus maritimus, alleen en onderweg. Hij loopt snel, alsof het decor achter hem wordt weggetrokken. Hij duikt een schots af en zwemt; zijn trechtervormige snuit boven water, zijn bonkige berenlichaam eronder. Hij klimt op een schots, schudt het water uit zijn vacht, kijkt naar de tachtig toeristen die over de reling hangen en duizenden foto’s van hem maken, het beest waarop ze hadden gewacht.

De beer kijk nog een keer en loopt dan verder de leegte in, alsof hij weet waar hij moet zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden