Iets maken, en er tegelijk in verdwijnen CEES NOOTEBOOM HEEFT ZIJN ALLERBESTE ROMAN GESCHREVEN

EEN BOEK als een thuiskomst. Zes jaar geleden componeerde Cees Nooteboom zijn mooiste collectie met reisstukken tot De omweg naar Santiago....

Zijn beste reisboek bracht juist zijn thuishaven in kaart. En alsof hij er eerst de pensioengerechtigde leeftijd voor moest bereiken, heeft hij nu met Allerzielen zijn grootste en allerbeste roman geschreven. Pas na tientallen jaren anderen bekijken en beschrijven, is hij in staat het landschap van zijn ziel in treffende bewoordingen in te kleuren. Zoals De omweg naar Santiago zijn vita activa verbeeldt, zo is Allerzielen de neerslag van zijn vita contemplativa.

Het ene staat bij hem nooit los van het andere. Na een leven lang reportages schrijven en rondneuzen naar hoe het er bij andere mensen en in andere tijden aan toe is gegaan, heeft hij de tijd en de ruimte genomen om de constanten in zijn leven uit die baaierd aan indrukken te zeven. Ongeschikt voor het kloosterlijke, is niettemin zijn leerschool aan het gymnasium Immaculatae Conceptionis in Venray en het gymnasium Augustinianum in Eindhoven niet zomaar aan hem voorbij gegaan. De franciscanen en augustijnen die hem destijds onderrichtten zonder hem vast te kunnen houden, en die daarboven wel eens met ongerustheid het gedraaf en gezoek van hun voormalige pupil zullen hebben gadegeslagen, mogen tevreden zijn. Kijk aan, Ceesje moest eerst heer Cees worden om alsnog recht katholiek uit de hoek te komen. Door het heden gulzig op te slorpen, is Nooteboom in de jaren negentig uitgekomen bij het indringende besef dat het verleden bindend en bevrijdend is. Dat geeft rust in de tent.

Er is een klap voor nodig om hoofdpersoon Arthur Daane, de 44-jarige cineast die in opdracht documentaires maakt, terug naar huis te sturen. Een reuzendreun: Spaanse vandalen geven hem een ongenadig pak rammel, dat hem in het ziekenhuis doet belanden. Twee weken zweeft hij in het grensgebied tussen dood en leven. Als hij weer op zijn benen kan staan, neemt hij de auto en aarzelt. Naar Santiago gaan, waar hij de studente Elik Oranje kan vinden, de vrouw met wie hij intiem is geweest en die hem ook telkens weer afstoot - die ondoordringbare combinatie van tegenstellingen die Nooteboom altijd in de vrouw heeft gefascineerd?

Toch maar niet. Daane slaat niet linksaf, maar rijdt rechtdoor, in de richting van 'de wijde luchten van het noorden'. Zijn achterland, zijn vaderland, waar hij met vrouw en kind heeft gewoond, voordat zij bij een vliegtuigongeluk om het leven kwamen. Zijn rouw, die hij van zich af heeft proberen te slaan door te reizen, te kijken, kranten, weetjes en feitjes in te drinken, die kan nu een aanvang nemen. De vierhonderd bladzijden van Allerzielen zijn één lange omweg, een pijnlijke vluchtpoging om de diepste pijn nog niet te hoeven voelen.

Natuurlijk zijn er allerlei referenties aan eerder werk van Nooteboom, immers het type schrijver dat hetzelfde boek telkens anders vertelt. Philip en de anderen (1958) legde de basis voor zijn reisboeken, culminerend in De omweg naar Santiago (1992). De ridder is gestorven (1963) is achteraf te beschouwen als de aanzet tot het bespiegelende proza dat over de grenzen van het hier en nu reikt, en dat via de voorlopige meesterproef Rituelen (1980) zijn hoogtepunt vindt in Allerzielen. Hij heeft dit soort dingen allemaal vaker gezegd, maar nog nooit met een zo uitgebalanceerde en elegische toon.

En hij zégt het niet alleen, hij doet het ook. Vlak voor Daane op brute wijze bijkans uit de wereld wordt gekegeld, heeft hij zich een stuk in de kraag gedronken, nadat hij een klap in het gezicht heeft opgelopen van het meisje dat hij blijkbaar niet achterna had moeten reizen. Haar mep is de voorzet voor die grote houw, in zijn schedel. Huiveringwekkend goed roept Nooteboom de rondtollende gedachten in een dronken kop op, als een trechter waar Daane in wegzakt, voordat hij op het nulpunt van de bewusteloosheid uitkomt.

Hoeveel ideeën en ideetjes er ook worden opgeworpen, de kracht van Allerzielen is dat de hoofdpersoon, onder de hoede van de schrijver, leert af te zien van ideeën. De feiten moeten wijken voor de fictie en de poëzie. De volheid van het leven, het onophoudelijke bombardement van beelden en informatie, is vaak een afleidingsmanoeuvre, een verdovingsmechanisme om niet te hoeven toekomen aan de innerlijke onrust. Die kan door Arthur Daane ten slotte onder de wijde luchten van het noorden worden vrijgelaten. Dat gebeurt in stilte, achter de laatste pagina's van dit boek. Daar is hij verdwenen voor de lezer, maar die heeft genoeg van hem gezien door het voorbereidende werk van de schrijver. Cees Nooteboom heeft hiermee volbracht wat de droom is van zijn man met de camera: iets maken, en er tegelijk in verdwijnen.

Daar ziet het lange tijd nog niet naar uit. Op de eerste vijftig bladzijden hebben we nog te maken met de enigszins zelfgenoegzame Nooteboom-toon, die sommige van zijn reportages moeilijk genietbaar maakt. Dat ponteneur. Die houding van ik-zie-ik-zie-wat-u-niet-ziet; ik speel wel voor verslaggever maar eigenlijk ben ik een denkertje; als ú in Berlijn loopt, ziet u hijskranen en bouwputten, maar ik daarentegen voel daar aan den lijve het verleden dat krampachtig aan het zicht wordt onttrokken.

Nee, de argwanende lezer wordt bepaald niet onmiddellijk van zijn vooroordelen afgeholpen. Het leven bestaat uit brokken, kruimels, fragmenten, denkt Daane in Berlijn. De moderne mens kan de wereld niet meer als één geheel overzien, als een doorlopende film. Arthur Daane verhuurt zich aan opdrachtgevers die hem naar brandhaarden sturen, die actie en geweld willen. Stiekem gebruikt hij zijn camera ook voor zijn geheime, al jarenlang lopende project: beelden vastleggen waar geen mens aandacht voor heeft, de dingen die ook gebeuren, maar die buiten het kader van nieuws vallen. Schemeringen. De voeten van mensen in de U-Bahn. Beelden als 'het geluid van een tape vlak voor de muziek begint.' Notities van een zwijgzame observant, een kwetsbaar protest tegen alles wat vergeten en verdrongen wordt.

Hij loopt door het heden, en leest overal verleden af aan monumenten, of aan verdwenen monumenten, aan de gezichten van mensen, aan zieltogende waarden als schroom en respect, die hij tenminste nog aantreft bij zijn vriend Victor Leven (een naar Armando gemodelleerde beeldhouwer).

Nooteboom gaat een vermoeide riedel geven, is de indruk die hij aanvankelijk wekt. Maar vanaf de onderbreking van Daane's blasé klinkende mijmeringen, door een 'koor' van wakende zielen dat boven de wereld hangt en alles ziet zonder te oordelen, begin je te begrijpen waar Nooteboom naartoe werkt.

Op zijn antwoordapparaat vindt Arthur Daane 'een koor van stemmen'. Mensen die iets van hem moeten. Vrienden. Werkgevers. De tegengeluiden van het wereldse leven. Hem valt op, spiedend in Berlijn, hoe vaak hij een sirene hoort, maar hij wordt te zeer in beslag genomen door zijn werk, zijn vrienden, het in Nederland opgegroeide meisje Elik dat onderzoek doet naar een Spaanse koningin uit de elfde eeuw, om er het geluid van Sirenen in te herkennen.

Elik heeft een litteken, lang geleden veroorzaakt door haar dronken Afrikaanse vader. Arthur draagt ook een litteken, onzichtbaar voor het blote oog: dat van zijn dode vrouw en zoontje. Die herkenning brengt ze even bij elkaar, maar hun verschillende verledens houden ook de kloof tussen hen in stand.

Hij kan haar niet te dicht naderen. Als zij hem meetrekt naar een danshol vol fanatieke ecstasykoppen, loopt Daane een snijwond op doordat een dronken mof met een kapot bierglas zijn gezicht raakt. Een snijwondje, meer niet, zegt Arthur geruststellend tegen Elik. Maar dat snijwondje is de aankondiging van haar klap, die weer preludeert op de mokerslag van de Spanjolen uit de onderwereld.

Zo wervelend is de film van Allerzielen dan op gang gekomen. Een film met muziek. Arthurs vriend Arno Tieck (lees: de belezen essayist, die Nooteboom óók is) zegt het aldus: 'Geef toe dat het fantastisch is: welk schrikbeeld, welke afgrond, welke verlossing of extase je de mensen ook toeschuift, ze maken er muziek van.' We hebben verscheurde, verscheurende en harmonische, voegt hij daaraan toe. Dat gezongen en gespeelde antwoord van de mens op het raadselachtige bestaan, raakt aan de mystiek die ook over dit boek hangt, als de vraag wordt opgeworpen of het koor daarboven dat ons gemier en geworstel gadeslaat, ons misschien doet ontstaan door ons in de gaten te houden. Wij zijn er pas als we gezien worden.

Nooteboom gaat niet zo ver, die vraag naar de samenhang en de betekenis van het bestaan klaar te beantwoorden. Het zou ook hovaardij zijn. Een mens is te beperkt om grote en geldende uitspraken over de mensheid te doen. Maar zijn protest tegen de verkleining van de wereld op de televisie, tegen de ontkenning van het verleden door alle druktemakerij van de hete hedendaagsheid, tegen de verdoezeling van de doden die ons altijd begeleiden en ons zwijgend wijzen op onze sterfelijkheid, dat is luid en duidelijk te horen, en daarenboven van een oogverblindende schoonheid.

Arjan Peters

Cees Nooteboom: Allerzielen.

Atlas; 398 pagina's; * 49,90.

ISBN 90 450 0341 4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden