'Iemand heeft iedereen lief': Bernlef over het vertalen van poëzie in die regel klinkt de twijfel

In Alfabet op de rug gezien bracht de schrijver J. Bernlef de belangrijkste vertalingen samen, die hij in de loop der jaren van het werk van buitenlandse dichters maakte....

WIE DE P.C. Hooftprijs krijgt, dient een deel van de beloning te besteden aan een project dat zijn werk ten goede komt. Twee jaar geleden besloot winnaar Gerrit Komrij zijn poëzie te bundelen in een mooie en toch publieksvriendelijk geprijsde uitgave. J. Bernlef, wiens poëzie in '94 bekroond werd, vindt dat potsierlijk: 'Drie jaar na het Verzameld Werk komt er weer een nieuwe bundel. Had even gewacht, denk ik dan. Ik wil pas verzameld worden als ik onder de groene zoden lig, of zeker weet dat ik nooit meer een gedicht schrijf. Maar ik heb niet het gevoel iets voltooid te hebben, dus interpreteer ik de prijs ook niet als de definitieve punt achter mijn werk.'

Bernlef stelde Alfabet op de rug gezien samen, een bloemlezing van door hem gemaakte poëzie-vertalingen van zeventien favoriete auteurs, die hij beschouwt als verwanten: 'Dit boek is een commentaar op mijn werk. Ik heb ook proza vertaald, eenvoudig omdat ik er geld mee verdiende, maar poëzie is een terrein dat zich geheel aan de economie onttrekt. Niemand verdient er iets aan, of je nu poëzie schrijft, uitgeeft of vertaalt. Bij dat laatste kun je je geheel laten leiden door je voorkeuren.

'Het idee kwam van Jan Kuijper, redacteur bij uitgeverij Querido. De vertalingen van ruim dertig jaar heb ik verzameld. Daarna begon het selecteren uit die berg. Dingen die ik in opdracht heb gedaan voor Poetry International, vielen vaak af. Lawrence Raab, een Amerikaan van wie ik zelfs een hele bundel heb vertaald, is ook gesneuveld. Zijn poëzie is een maniertje, een charmant maniertje vond ik destijds, maar het was me niet genoeg. De gedichten die stand hielden, bleken sterke banden met mijn eigen werk te hebben. Nogal wiedes, zeg je achteraf. Neem alleen De kunst van het verliezen, de titel van mijn bundel uit 1980. Dat is een regel van Elizabeth Bishop.'

In Alfabet op de rug gezien wordt elke dichter kort ingeleid. Bernlef rangschikte hen in de volgorde waarin hij ze heeft ontdekt. De originele versies liet hij weg. 'Dat roept kommaneukerij op. Mensen die het origineel ernaast zien staan, beginnen meteen te vlooien. Niet dat ik bang ben voor kritiek, maar een vertaling hoort op eigen benen te staan. Druk je de oorspronkelijke tekst ook af, dan ziet men je werk al snel als een tweederangs oplossing. De ambitie van een vertaler moet hoger liggen.

'Van Marianne Moore heb ik geleerd hoe je met een collage-techniek uiteenlopende tekstsoorten in een gedicht kunt onderbrengen. Dat was in de tijd dat ik met K. Schippers en Gerard Brands het tijdschrift Barbarber ('58-'71) maakte, waarin Moore's lichtvoetigheid ons goed van pas kwam, net als 'Musée des Beaux Arts' van W.H. Auden. We herkenden het. Zulke mensen moesten we toen op eigen houtje ontdekken, want de voorafgaande generaties hadden de deur naar het buitenland stijf dicht gehouden. Hoornik, Aafjes, Den Brabander, die lazen de grote Nederlandse dichters en hooguit een pietsie Rilke. Maar Amerikaanse of Engelse poëzie? Geen notie hadden ze ervan. Interesseerde ze niet. Na de oorlog was alles wat uit Amerika kwam omgeven met een aura. Het begon met kauwgum en sigaretten, en het eindigde met poëzie. Met nieuwe vormen ook.

'De Zweedse dichter Tomas Tranströmer, van wie ik in '92 bijna het complete werk in vertaling publiceerde (Het wilde plein), plaatst verschillende beelden naast elkaar zonder verbindende schakels, zodat hij erop moet vertrouwen dat bij de lezer de vonk overspringt die de verbinding tot stand brengt. Een manier om de anekdotiek in een gedicht te doorbreken. In mijn laatste bundel, Vreemde wil, staat een cyclus over een wespennest dat ik vorig jaar in mijn huis had. Het eerste en het vierde versje gaan daar duidelijk over. In de tussenliggende twee maak ik een sprong naar iets abstracters en indirecters. Die techniek heb ik geleerd via het vertalen van Tranströmer.

'Toen ik in '79 zijn poëzie in het Zweeds onder ogen kreeg, had ik sterker dan bij wie ook het gevoel: dit had ik zelf moeten schrijven! Een kennismaking die dodelijk voor mijn eigen werk zou zijn, als ik vijfentwintig was geweest en nog in ontwikkeling. Nu was ik niet bang voor epigonisme. Uit bewondering voor de kwaliteit en kracht van Tranströmer ben ik hem gaan vertalen. Ik vond dat Nederlandse liefhebbers hem ook moesten kunnen lezen. Het is moeilijk te zeggen waarom een dichter je ineens aanspreekt. Tranströmer had ik al eerder zien staan in bloemlezingen. Deed me toen weinig. Je moet iemand ook op ''het goede moment'' lezen, zoals Kees Fens het heeft genoemd.'

In bijna alle vertalingen heeft Bernlef voor deze uitgave wijzigingen aangebracht. De meest ingrijpende in die van lang geleden, want hij 'kan het nu beter', zoals hij bij het samenstellen merkte. Zijn oren zijn beter, hij vond 'muzikalere oplossingen'. In 'Vogel-verstand' van Marianne Moore (1887-1972) dat hij in '68 vertaalde, waren drie jonge spotlijsters nog 'schaars bedekt'. Nu heten ze 'teder gevederd', waardoor Bernlef binnenrijm binnensmokkelde. In 'Het monument' van Elizabeth Bishop (1911-1979) veranderde 'ordinair figuurzaagwerk' in 'kitscherig sierzaagwerk', waardoor een assonantie gewonnen werd.

Van Moore liet Bernlef enkele prekerige verzen weg. 'Zij was excentriek. Eén van haar vreemde kanten was dat ze zo preuts en precieus was. Ruwe taal was uit den boze. Ze leefde onder de glazen stolp van moeders vleugels, heeft nooit in het leven gestaan.'

Moore zelf sleutelde na eerste publicatie nog aan haar gedichten. In twee gevallen heeft Bernlef haar wijzigingen niet gerespecteerd. Dat zou in de wetenschap niet toegestaan zijn. Waarom dan wel in een vertaling?

'Eén van haar beroemdste gedichten is ''Poëzie''. Daarvan schrapte ze later alles, behalve de eerste strofe. Alleen de mededeling dat alles onderwerp van poëzie kan zijn, bleef over. Een open deur. Juist de rest van het gedicht, een adstructie van die stelling, maakte het leuk. In de laatste geautoriseerde uitgave van haar gedichten koos ze die verminkte tweede versie. Maar in de noten - vaak idiote notities die de raadsels alleen maar vergroten, volgens mij een ironische knipoog naar de gewichtige noten die Pound en Eliot bij hun gedichten voegden -, nam ze die oude weer op. Ja, wat wil je nou! Kennelijk heeft ze ook zelf geaarzeld.

'Een ander gedicht, 'De leidekker', kreeg er bij een herdruk drie strofen met een ellenlange natuurbeschrijving bij. Er kwam een knik in het gedicht, door die nodeloze opsomming van dieren en planten. Die extra strofen heb ik er niet tussen gezet.'

Elizabeth Bishop dicht over de onverwachte ontroering bij het zien van een smerig pompstation. De slotregel 'Somebody loves us all' had Bernlef aanvankelijk vertaald met 'Iemand heeft ons allen lief.' Nu is dat 'Iemand heeft iedereen lief' geworden. Een lichte betekenisverschuiving.

'Het is maar net hoe je het leest. Ik ken een opname van haar optreden op Poetry International 1976. Ze was zo verlegen, dat ze de neiging had alles af te raffelen, maar ik hoorde haar de klemtoon leggen op ''Somebody''. Het geheimzinnige aan die regel is de twijfel die eruit spreekt: Is er wel iemand? Je kunt het lezen als: ''Het moet wel zo zijn dat er iemand is die iedereen lief heeft.'' In mijn eerste versie, ''ons allen'', krijgt het een kerkse ondertoon, een orgelpunt achter de zin. 't Lijkt wel een godsbewijs. Met ''iedereen'' ben ik dus minder letterlijk, maar ik kom tegelijk dichter bij de twijfel die Bishop ook heeft bedoeld uit te drukken. En daarbij, ''Iemand heeft iedereen lief'' is mooier van klank.

'Zulk soort klank en rijm boeien me meer dan eindrijm. Oneerbiedig heb ik het wel eens gehad over ''het protestantse traporgel van Achterberg'', die dreun van het laatste woord waar hij altijd naar toe schrijft. Zelf maak ik ook geen berijmde poëzie in de klassieke zin van het woord. De vormvaste Komrij kan makkelijker een berijmde vertaling maken dan ik. Mijn voorkeur gaat uit naar moderne beeldende poëzie, gebaseerd op een geobserveerde werkelijkheid. Ik hou van kunst die op een geraffineerde manier net doet alsof het moeiteloos tot stand is gekomen. Mij gaat het minder om stellingen, filosofie of pure klankgedichten. Wallace Stevens heb ik willen vertalen, maar zijn taalmuziek kon ik niet meenemen. Als alleen de mededeling overblijft, is het me te weinig. Misschien dat het een andere vertaler lukt. Werner Aspenström, een groot Zweeds dichter, krijg ik maar niet onder de knie. Veel lulliger dan het origineel, denk ik als ik mijn pogingen lees. Zo krijgen ze in het buitenland Gorter en Van Ostaijen nooit behoorlijk in het Engels vertaald. Die sensitieve versjes en die naïeve kinderliedjes, het lukt ze niet zonder dat het een verarming oplevert.'

Over zijn ontdekking Weldon Kees, de obscure Amerikaan die in 1955 van de aardbodem verdween, maar wiens auto werd gevonden bij de Golden Gate Bridge in San Francisco, schreef Bernlef ooit een essay. In hoeverre vertroebelt Kees' sombere biografie het zicht op zijn poëzie?

'Hij is een twijfelgeval, net zoals bij Sylvia Plath de secundaire literatuur nooit zo overdreven omvangrijk was als ze niet die tragische levensloop had gehad. Zelden heeft Kees iets geschreven dat van begin tot eind sterk is. Er zitten regels tussen, dat je denkt: Jezus, wat goed! Daar komt dan alleen geheid een serie zwakke regels achteraan. Weldon Kees was in een heleboel dingen goed - schilderen, pianospelen in een jazzbandje, filmen, fotograferen, schrijven, dichten -, maar nergens blonk hij in uit.

'Er is geopperd dat Kees een nieuw leven in Mexico zou zijn begonnen. Uiterst onwaarschijnlijk. Ik heb op die Golden Gate Bridge gestaan en de stroming beneden gezien. Nou, als hij geen hulp van iemand met een bootje heeft gehad, kan dat alleen maar op zelfmoord wijzen.'

Met twee grote Zweedse dichters die in het boek staan, onderhoudt Bernlef persoonlijk contact: Lars Gustafsson en Tomas Tranströmer. 'Dat gaat om vragen over nuances. Een slotregel uit een vers van Tranströmer is ''De lente en ik springen elkaar tegemoet'' of zoiets. Daar had ik ''bespringen elkaar'' voor in gedachten: 't is compacter en agressiever, maar het krijgt er dan ook een seksuele connotatie bij. Ik twijfelde, en legde het aan Tomas voor. ''Ben je helemaal besodemieterd'', riep die meteen. Daar wou hij niets van weten.

Toen heb ik het maar niet gedaan. Inderdaad, als ik het de dichter niet had kunnen vragen, zou de kans groot zijn dat ik die andere oplossing had verkozen.

'Tranströmer stuurt mij elk nieuw gedicht toe. Zijn nieuwe bundel zal gelijktijdig in Zweden en in Nederland uitkomen. Ook ben ik van plan een tweede bundel met werk van Lars Gustafsson te maken. Aan Seamus Heaney wil ik me graag eens wagen, fantastische poëzie is dat. Ik aarzel nog, omdat Peter Nijmeijer zich ook al met hem bezighoudt.

'Kijk, ik heb vroeger teksten van Francis Ponge vertaald. Maar toen de Ponge-vertaling van Piet Meeuse uitkwam (Namens de dingen, 1990), dacht ik: die is beter. Hier moet ik afblijven. Dat moet die gast doen.

'Genereus? De literatuur beschouw ik, met dank aan Borges, als een groot web dat over de wereld reikt, en waar allemaal spinnetjes hun eigen stukje aan breien. De individuele beestjes zijn niet belangrijk. Het gaat om het netwerk, waarvan jij een minuscuul onderdeel bent. Als je er zo tegenaan kijkt, heb je niet veel problemen met je ego.'

J. Bernlef: Alfabet op de rug gezien. Poëzie-vertalingen. Querido, ¿ 35,-

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden