Iedereen zijn eigen ras

Nederlanders verschillen onderling veel sterker dan Nederlanders van Afrikanen. Maar dat er maar één ras is, het menselijke, zoals de Verenigde Naties deze week beweren, is ook te simpel....

TWEE BOKSERS, een zwarte en een witte, staan in de ring. Zoals gebruikelijk draagt de ene een licht en de andere een donker short. In tegenstelling tot wat men zou verwachten spreekt de commentator niet over de witte en de zwarte man, het meest opvallende verschil, maar over de man in de donkere broek en de bokser in het wit. Ooit zag prof. dr. André Köbben een dergelijk verslag. 'Politiek correct, maar bizar', concludeert de emeritus hoogleraar antropologie in Leiden.

'Ik zie niet in dat het een taboe moet zijn dat mensen uiterlijk van elkaar verschillen', zegt Köbben, die liever de term 'somatische kenmerken' (lichaamskenmerken) gebruikt in plaats van 'rassenkenmerken'. 'Echter, in hoeverre zulke andere somatische eigenschappen ook andere geestelijke eigenschappen impliceren is verre van duidelijk.'

Daarmee legt Köbben de vinger op de zere plek: de behoefte om mensen in te delen naar ras. Een indeling die al gauw kan leiden tot een andere houding ten opzichte van 'de andere' en gemakkelijk verwordt tot racisme. Een mondiale plaag waarover de Verenigde Naties zich deze week in het Zuid-Afrikaanse Durban buigen tijdens de Wereldconferentie tegen racisme, rassendiscriminatie, xenofobie en verwante intolerantie.

Het document dat de afgevaardigden bespreken, laat er geen misverstand over bestaan dat het concept van ras een sociale constructie is die vaak voor politieke doeleinden wordt gebruikt. En, aldus het document, er bestaat een overweldigende hoeveelheid wetenschappelijk bewijs dat het een mythe is dat mensen eenduidig zouden kunnen worden ingedeeld in een aantal rassen. 'Er is maar één ras - het menselijk ras', besluit de centrale paragraaf. In gedachten zien we de vuist strijdbaar omhoog gaan.

Helaas hebben de opstellers van de tekst maar gedeeltelijk gelijk. Dat het begrip 'ras' een sociaal concept is dat vaak voor politieke doeleinden wordt misbruikt, is evident. Maar dat mensen niet - in de nabije toekomst - eenduidig in rassen zouden kunnen worden ingedeeld, is onjuist. Met geavanceerd genetisch onderzoek zal nauwkeurig iemands afstammingsgroep bepaald kunnen worden. Of je die groep een ras zal kunnen noemen, is twijfelachtig en of je er wat aan hebt, is nog minder zeker.

Ten derde is de mens geen ras, maar een soort. Scherpslijperij wellicht, maar toch. De meest gangbare definitie van een soort is een groep van individuen die onderling wel met elkaar kunnen kruisen en vruchtbare nakomelingen opleveren, maar daarbuiten niet. En alle mensenrassen kunnen met elkaar kinderen verwekken, wat ze tot één soort maakt. Wellicht dat een mens en een chimpansee nog samen baby'tjes kunnen maken, maar vruchtbaar zullen die niet zijn.

Maar is de mens verder opgedeeld in rassen? 'Misschien moet je eerder spreken van ondersoorten of variëteiten dan van rassen. Maar als je dat zou doen, krijg je de hele wereld over je heen', zegt dr. Rienk de Jong, insectenkundige bij Naturalis in Leiden. 'De systematische indeling in de biologie kent geen indeling naar ras. Dat is een term die afkomstig is uit de plantenveredeling en de dierfokkerij, waar bewust geselecteerd wordt op slechts één of enkele kenmerken en die kunstmatig van elkaar gescheiden worden gehouden.'

Die scheiding is essentieel, want als rassen naast elkaar voorkomen, zullen ze mengen tot één soort. In feite gaan de discussies over rassendiscriminatie ook over scheiding. Nu de geografische scheiding steeds meer wordt opgeheven door de grote mobiliteit van de mens, wordt de culturele scheiding pregnanter. Een culturele scheiding die kan leiden tot de intolerantie en discriminatie waarover de Verenigde Naties bezorgd zijn.

De verschillen tussen mensen zijn al snel vertaald in termen van superioriteit. En niet alleen door de Europese kolonisten, hoewel de discussies in de literatuur vooral gingen over de superioriteit van de technische Europeaan/Amerikaan ten opzichte van 'de zwarte'. 'Dat is elitair en het heeft geen zin er op die manier over te praten. Het gaat om de beste aanpassing aan klimaat en leefomgeving', zegt dr. Peter de Knijff, hoofd van het forensisch laboratorium voor DNA-onderzoek van de Universiteit Leiden.

Een bevolkingsgroep ontwikkelt die lichamelijke kenmerken en technieken die ze in haar omgeving nodig heeft om te overleven, benadrukt hij. Een Europeaan zou het op de Noordpool of in de bossen van Afrika nog geen week uithouden. De Knijff: 'En als wij een IQ-test van de pygmeeën in Zaïre zouden moeten maken, falen we jammerlijk.'

M

AAR ANDERS dan bij dieren zijn de verschillen binnen de menselijke ondersoorten veel groter dan daartussen. Als je de totale variatie, dus alle aanwezige verschillen tussen twee groepen, op 100 procent zou stellen, dan wordt bij mensen 80 procent van die variatie veroorzaakt door verschillen binnen de groep en 20 procent door de verschillen met andere groepen. Bij zoogdieren en vogels is dat precies andersom. Mensen van verschillend ras lijken dus vaak meer op elkaar dan mensen van hetzelfde ras.

De Knijff: 'Dus binnen Nederlanders onderling is vier tot vijf keer zoveel variatie dan tussen Nederlanders en Afrikanen. Tot die conclusie komen we steeds weer. Of je nu naar verschillen in bloedgroepen, eiwitten of DNA kijkt. We kunnen nu niet met zekerheid zeggen tot welk ras iemand behoort.' Daarbij komt nog dat de genetische opmaak van de bevolking op het Zuid-Afrikaanse continent veel gevarieerder is dan die op welk ander continent ook.

Want alle mensen die op aarde rondlopen, zijn afkomstig uit de eerste mensen die ooit in Afrika ten zuiden van de Sahara het levenslicht zagen en zich verspreidden. Eerst naar Azië en toen naar Europa. Die afstamming valt overigens wel (globaal) te volgen door DNA te analyseren. De Knijff: 'Genetisch zijn wij in Europa maar een klein onderdeeltje uit de enorme rijkdom aan menselijke genen in de Afrikaanse bevolking.'

Daarbij komt dat wat wij rassen of bevolkingsgroepen noemen, gebaseerd is op uiterlijke kenmerken en niet op de genetica. Ook al blijkt de vader van de taxonomie Carolus Linnaeus het met zijn indeling naar uiterlijke kenmerken als meeldraden, stampers, blaadjes, aantal pootjes en voelsprieten het niet zo slecht gedaan te hebben. De moderne DNA-technieken hebben zijn indeling eerder aangescherpt dan op z'n kop gezet.

De huidskleur bijvoorbeeld, traditioneel een belangrijk raskenmerk, is slechts voor een deel genetisch bepaald door twee of drie verschillende genen. Eén daarvan is bekend. De Knijff: 'De meest algemene vorm daarvan die bij 80 procent van de Afrikanen voorkomt, komt ook bij 30 procent van de Nederlanders voor. En die zijn allemaal blank. Er is geen keiharde aanwijzing dat je met een beperkt aantal varianten met zekerheid kunt voorspellen tot welke groep iemand behoort. In de toekomst wellicht wel, maar dan met veel meer genen tegelijk en met verschillende DNA-systemen naast elkaar.'

Maar terug naar het uiterlijk. Wie er een beetje kijk op heeft kan toch zien of iemand uit Zuidoost-Azië, Centraal Azië of de Noordpool komt. Er zijn zelfs mensen die een Katwijker of iemand uit Sneek menen te kunnen herkennen. De prototypen gaan echter geleidelijk in elkaar over en dat maakt indelen zo moeilijk. De Knijff: 'Er is bijvoorbeeld geen prototype van de Afrikaan. De Afrikaanse Masaï zijn wel twee meter lang en de Pygmeeën die een paar honderd kilometer verderop wonen zijn slechts 1,40 meter. Dat geldt ook voor Afrikanen met een lichte en donkere huidskleur. Omdat er geen herkenbare zekerheden zijn, zoals bij zoogdieren en planten, zijn populatiegenetici opgehouden om over rassen te spreken.'

Dr. ir. Gerard te Meerman vindt die voorzichtige politieke correctheid als het over mensenrassen gaat, ongewenst. 'Ook al zijn de overeenkomsten soms groter dan de verschillen, dat betekent toch niet dat je er niet over zou mogen praten? Bij honden hebben we er geen problemen mee om de Mastino Napoletano te onderscheiden van andere pitbulls', zegt de statistisch geneticus van het Academisch Ziekenhuis Groningen. 'Het gaat erom of je vindt dat die verschillen relevant zijn en of dat je ze op racistische wijze gebruikt. Het ontkennen ervan heeft geen zin.'

Net zo min overigens als het ontkennen van overeenkomsten zin heeft. Zo behoren Israëli en Palestijnen genetisch gezien tot één groep. Te Meerman: 'Op grond van hun DNA kun je geen onderscheid maken. Ze voeren daar een broederstrijd, maar dat wil natuurlijk niemand horen.' De meeste overeenkomsten en verschillen tussen rassen zijn verborgen, benadrukt Te Meerman. 'Nog niet één procent van de genetische variatie is skin deep.'

Doordat mensen steeds mobieler worden en steeds meer buiten 'hun groep' paren, wordt de menselijke genenpool langzaam maar zeker gevarieerder. Dat kan tot onverwachte resultaten leiden.

Te Meerman: 'Als twee ouders met een Kaukasisch - blank - uiterlijk in hun afstammingslijn allebei Chinees bloed hebben, kunnen ze een kindje krijgen met een scheve stand van de oogas. Dat is voor honderd procent genetisch bepaald. Dat geldt ook voor andere kenmerken. Ik vind zo'n variatie in genen en uiterlijk juist prachtig, maar ik kan mij voorstellen dat de ouders er misschien raar van opkijken. Vooral ook omdat broertjes en zusjes daardoor helemaal niet op elkaar hoeven te lijken.'

Dat meer kennis over de genen zal leiden tot eugenetica vreest Te Meerman niet. Hoewel hij wel constateert dat 'mensen zo stom zijn dat ze alles wat ze verkeerd kunnen doen ook zullen doen'. Een zekere genetische screening op uiterlijke kenmerken acht hij voorstelbaar, maar fokprogramma's voor 'de ideale mens' niet.

'Zelfs bij de meest geavanceerde fokprogramma's zouden daar toch minstens tien generaties voor nodig zijn. Gelukkig is de wereld politiek te onstabiel om zo'n langdurig programma te volvoeren.'