Iedereen zijn eigen geld

Geld wordt steeds persoonlijker. regelen we deze zaken ook zelf, of nemen we liever een financiele huisarts of specialist in de arm?...

De vraag wat er met ons geld gebeurt als we ziek, oud of zelfs dood zijn, is steeds minder een zaak van het collectief en steeds meer een zaak van onszelf. Individualisering, een terugtredende overheid, welvaartsgroei; een reeks ontwikkelingen heeft personal finance tot volksvermaak gebombardeerd. Hoe gaan we daarmee om? In 'de branche' doet het ideaalbeeld van de financiële huisarts de ronde. Maar wie wil er een huisarts die verdient aan de hoeveelheid en de soort pillen die hij voorschrijft?

Een goed voorbeeld: de pensioenen. In Nederland zijn die opgebouwd als een drietrapsraket. De eerste trap is de volksverzekering aow. Het premie-inkomen voor die collectieve verzekering nam de afgelopen tien jaar flink toe, van 29,1 miljard gulden in 1990 tot 40,4 miljard gulden in 1998. Dat is een stijging van 36 procent.

Maar wat is flink? De tweede trap, het pensioen dat niet voor iedereen is, maar alleen voor mensen met werk, wordt opgebouwd in de zogenoemde pensioenfondsen van werkgevers en bedrijfstakken. En die hadden in 1990 een premie-inkomen van 11,6 miljard gulden en in 1998 van 20,1 miljard. Dat is een stijging met maar liefst 73 procent.

Maar ook die toename valt in het niet bij wat we meer zijn gaan doen op individuele basis, bij levensverzekeraars. Dat kunnen koopsompolissen zijn, of lijfrenteverzekeringen, of allerlei andere soorten vermogensvorming voor later. We stortten in 1990 20,1 miljard premie in hun potjes, en in 1999 bijna 45 miljard gulden. Dat is een toename van 124 procent en daarmee wordt de stijging van de twee collectieve pensioenvormen ruim overtroffen.

Geld wordt persoonlijker. Collectieve regelingen worden afgebroken, we individualiseren, flexibiliseren, liberaliseren. Bedrijven - banken, verzekeraars, beleggingsmaatschappijen - nemen taken over van de overheid als het gaat om verzekeren en pensioenen. Meer marktwerking is er ook als het om inkomens gaat. Prestatiebeloning en optieplannen binden de schaarse werknemer, collectieve arbeidsovereenkomsten worden afgeschaft.

Geld wordt niet alleen persoonlijker, het wordt ook meer. Het aantal mensen dat meer dan 60.000 gulden bruto verdient (zie grafiek), is in tien jaar tijd gestegen van twee miljoen naar ongeveer drieëneenhalf miljoen.

Ons spaarsaldo is in die tien jaar met zo'n honderd miljard, en alsof dat nog niet genoeg is, lenen we er steeds meer bij. In 2001 stonden we zo'n vijftien miljard gulden meer in het rood dan de twintig miljard uit 1993.

Een en ander heeft personal finance doen uitgroeien van een speeltje voor de rijken tot een volwaardige industrie die inmiddels een belangrijk onderdeel vormt van de gehele 'financiële dienstverlening', een bij tijd en wijle onoverzichtelijke verzameling van productaanbieders - banken, verzekeraars en beleggingsmaatschappijen - en adviseurs - accountants, belastingspecialisten, verzekeringstussenpersonen, pensioenadviseurs, bankmedewerkers en wat dies meer zij.

Wat doen 'wij', de klanten, daarmee? Maken we dankbaar gebruik van die industrie, lopen we de deur plat bij de tussenpersoon en de bank? Kunnen we er inderdaad niet genoeg van krijgen, zoals de cijfers suggereren?

Het beeld is wat genuanceerder, zo blijkt uit een onderzoek van het Amsterdamse Centrum voor Marketing Analyses, gepubliceerd in Banking Review. Het centrum houdt elke twee jaar tweeduizend vraaggesprekken met 'financiële beslissers' van 'welstandige' huishoudens - vanaf een modaal inkomen - en vraagt dan naar de afgesloten regelingen, het type advies dat daarbij is gebruikt en naar de algemene houding ten opzichte van geldzaken en met name het plannen daarvan. Die houding blijkt volgens het onderzoek uiteindelijk meer bepalend te zijn voor de mate waarin men zaken geregeld heeft, dan sociaal-economische en demografische kenmerken zoals leeftijd, opleiding en omvang van het vermogen. Vandaar dat er veel aandacht is gegeven aan de 'dimensies' die deze houding bepalen.

Dat zijn er drie. Ten eerste de mate waarin mensen neigen tot plannen. Aan het ene uiteinde staan de mensen die nu al nadenken over de vraag hoe hun financiële situatie over dertig jaar zal zijn. Aan de andere kant staan de mensen van wie de financiële blik hooguit tot het einde van het jaar reikt. Een tweede dimensie is de mate van vertrouwen in financiële adviseurs. Enerzijds degenen die zich volledig verlaten op professionele adviseurs, anderzijds degenen die zich laten leiden door een uitgesproken wantrouwen ten opzichte van deze beroepsgroep.

Een derde graadmeter voor de houding ten opzichte van geldzaken is de interesse daarin. Er zijn mensen, aldus het cma, 'die hun persoonlijke geldzaken voor de langere termijn een zeer interessant en boeiend onderwerp vinden, waar ze niet genoeg over kunnen lezen en waar ze zo veel mogelijk advies over willen verkrijgen'. Het andere uiterste is de persoon die een en ander volstrekt koud laat, en er dan ook geen enkele aandacht of tijd aan wil besteden.

Op grond van die drie dimensies worden in het onderzoek de financiële beslissers van welstandige huishoudens in vier segmenten verdeeld. De grootste groep (32 procent) wordt gevormd door de zogenoemde zelfstandige planners. Ze scoren hoog op planningsgerichtheid, laag in het vertrouwen in adviseurs, en zijn zeer vertrouwd met geldzaken. Het inkomen is bovenmodaal, het opleidingsniveau hoog. In deze groep zijn mannen oververtegenwoordigd, en de gemiddelde leeftijd is 45 jaar.

In omvang de tweede groep (28 procent) vormen 'adviesgevoelige planners'. Ze zijn op planning gericht, hebben veel vertrouwen in adviseurs en zijn ook zelf vertrouwd met geldzaken. De financiële beslisser is gemiddeld jonger (41 jaar) dan de zelfstandige planners. Het opleidingsniveau is hoog; vrouwen zijn relatief oververtegenwoordigd.

Dan volgen er twee groepen die ieder 20 procent van het totaal vormen. Ten eerste de zogenoemde zorgenloze passieven. Er is nauwelijks interesse in geldzaken, en de planmatigheid en adviesgevoeligheid is middelmatig. De financiële beslisser is gemiddeld wat ouder (48 jaar), het inkomen is modaal en de kostwinners in deze huishoudens zijn relatief laagopgeleid.

Tot slot worden de 'onbereikbare vermijders' onderscheiden. De planningsgerichtheid van deze mensen is bijna nul, er is weinig vertrouwen in adviseurs en ze hebben een beperkte interesse in geldzaken. Het inkomen is modaal, of iets lager. De gemiddelde leeftijd is 47 jaar.

Is het slecht nieuws voor de toekomst van personal finance, dat bijna de helft van de potentiële klantenkring eigenlijk helemaal niet zit te wachten op dienstverlening, en dat nog eens ruim een kwart - de zelfstandige planners - eigenlijk niets moet hebben van adviseurs?

Ze hebben het blijkbaar aan zichzelf te danken. 'Nederland moet betere adviseurs krijgen, en financiële consumenten kunnen een stuk kritischer worden,' zegt Ivo Valkenburg, directeur van Wildbaan ifc Groep in Zaandam, een kenniscentrum voor financiële planners.

Vooral het gebrek aan transparantie doet zich gelden, vindt Valkenburg. 'De consument heeft nauwelijks houvast om te bepalen of iemand hem aan het adviseren is over wat het beste voor hem is, of dat hij hem iets aan het verkopen is.'

De provisiestructuur in het verzekeringsbedrijf is daar vooral debet aan. We weten allemaal wel dat de meeste bank- en verzekeringsadviseurs provisie ontvangen, maar zolang er nog geen lijstje met de (verschillende) percentages in hun etalage hangt, wordt het ons wel erg gemakkelijk gemaakt het vasthoudende advies van de man of vrouw te wantrouwen.

'Het is een grote groep van zo'n zes ... zevenduizend assurantietussenpersonen die gezichtsbepalend is als het om financieel advies gaat. De onderste laag bestaat uit louter verkopers. In het midden heb je een grote groep die je verkopend adviseur zou kunnen noemen. Dan is er nog een kleine toplaag van professionele planners. Dat zijn er in Nederland hooguit enkele honderden.'

Die laatste groep werkt veelal met een fee, een uurtarief, of met een van tevoren afgesproken tarief voor het maken van het hele financiële plan. Mocht uit het plan volgen dat de aanschaf van financiële producten gewenst is, dan verwijst de adviseur naar productaanbieders - banken, verzekeraars en vermogensbeheerders.

Valkenburg: 'Veel consumenten blijken terug te schrikken voor deze vorm van beloning voor de adviseur. Je zal je echter moeten afvragen: betaal je liever vierduizend gulden 'verborgen' provisie, of een honorarium van drieduizend gulden voor bijvoorbeeld een onafhankelijk en degelijk hypotheekadvies?'

De genoemde schroom bij de klant heeft er toe tot geleid dat het merendeel van wat Valkenburg adviserende verkopers noemt, toch kiest voor een provisiestructuur, maar dan wel eentje die geheel doorzichtig is. 'Vind ik ook een keurige oplossing. Het gaat erom dat mensen weten waar ze voor betalen.'

Valkenburg is teleurgesteld in het kennisniveau van de gemiddelde tussenpersoon die zich financieel adviseur noemt. 'Voor zelfstandige vestiging als bijvoorbeeld hypotheek- of pensioenadviseur is een paar weken studie voor een assurantiediploma voldoende. Het is de hoogste tijd dat financieel adviseurs binnen de assurantiebranche een aparte status krijgen, waarbinnen zaken zoals kennis, opleiding, beroepsaansprakelijkheid, integriteit en een klachtenregeling gewoon goed zijn geregeld. Dan kan de ware adviseur zich duidelijk onderscheiden van de beunhaas.

'Een stap in de goede richting is de certificering door de Federatie Financiële Planners. Daar zijn inmiddels 1200 adviseurs bij aangesloten. Het zijn nog wel vaak mensen die bij banken of voor andere productaanbieders werken, dus de onafhankelijkheid is niet altijd gewaarborgd, maar met het kennisniveau van deze ffp'ers zit het goed.'

Valkenburg vindt dat de nieuwe beroepsgroep van financiële planners zich zou moeten ontwikkelen tot een status van financiële huisarts. 'Als je nu met je vragen bij een belastingadviseur komt, zal die toch vooral in fiscale oplossingen denken. Een bank zal vooral in termen van sparen, beleggen en lenen denken, een verzekeringsagent in verzekeringsproducten. Maar wat je nodig hebt, is een generalist die de vertaalslag kan maken tussen de behoefte van zijn cliënt en de verschillende producten en productgroepen. Als het dan echt ingewikkeld wordt, kan de huisarts zijn cliënt altijd nog doorsturen naar de specialist.'

Maar wederom lijkt de huidige provisiestructuur dit ideaal in de weg te zitten. Welke patiënt gaat naar een huisarts wiens inkomen afhankelijk is van het aantal en de soort pillen die hij voorschrijft?

Daarom: tot die dokter met onbevlekt blazoen verschijnt, blijft ook zelfwerkzaamheid een redelijk alternatief. 'Planning kan ook nooit een doel op zich zijn,' bezweert Ivo Valkenburg. 'Het belangrijkste moet je toch altijd zelf doen: bepalen wat je wil. Nog te vaak zitten mensen tegenover een adviseur zonder dat ze hun doelen duidelijk voor ogen hebben. Ze hebben in hun hoofd gehaald dat ze ook iets moeten plannen, maar eigenlijk weten ze helemaal niet waarom. Ga dan maar weer gauw naar huis, zou ik zeggen, en leef lekker verder tot je wel weet wat je wil.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden