Iedereen weet nu dat kamp Sobibor bestond

Als overlevende van vernietigingskamp Sobibor getuigde Jules Schelvis (90) tegen de van oorlogsmisdaden verdachte Demjanjuk. Na 66 jaar stond hij fier in de rechtszaal opdat het verhaal van de 34 duizend doden niet in het donker zou blijven.

Trots? Een gevoel van triomf, dat schemert tussen het verdriet door? Jules Schelvis (90) kan de juiste woorden niet vinden om de uren te beschrijven die hij aan het woord was tijdens de rechtszaak tegen de van oorlogsmisdaden verdachte John Demjanjuk. De Oekraïner die in Sobibor bewaker zou zijn geweest, toen Schelvis met zijn schoonfamilie op 4 juni 1943 arriveerde in het vernietigingskamp.


Schelvis mag dan gelauwerde boeken hebben geschreven over Sobibor, hij is een notulist, geen romanschrijver. Hij heeft geen woorden voor het onbenoembare, zijn boeken zijn sobere verslagen. Juist vanwege die distantie geldt zijn studie naar het vernietigingskamp internationaal als een standaardwerk.


Het was niet de bedoeling van de nazi's dat Schelvis daar, in het gerechtsgebouw in München, zou kunnen getuigen. Hij heeft gevochten voor zijn leven, 22 verschrikkelijke maanden lang. Hij redde het 66 jaar geleden - uitgemergeld en doodziek - en nu stond hij in een Duitse rechtszaal, met Duitse rechters en Duitse aanklagers, en deed zijn verhaal. In Duitsland, het land van de moordenaars.


Hij somde zijn in Sobibor vergaste familieleden op, met naam, toenaam, geboortedatum en datum van de moord. Alle zestien. Luid en duidelijk klonken ze in de rechtszaal.


Hij stond fier en recht overeind. Het was uitputtend, het was emotioneel, maar het gaf genoegdoening. Het voelde als een overwinning. Het vervulde hem met... Ja, misschien komt trots het dichtst in de buurt van wat door zijn lijf gierde.


Schelvis beschreef hoe het kamp in elkaar stak. Hoe de nazi's en hun handlangers als Demjanjuk Joden de dood injoegen. Op twee grote schermen was een plattegrond van het vernietigingskamp geprojecteerd, met de laatste stand van de onderzoekingen. Waar lag wat? Waar waren de gaskamers? De exacte plek is nog steeds niet bekend. En wat er bekend is, weten we goeddeels door het onderzoek van Schelvis.


Het was de enige keer dat Demjanjuk een teken van leven gaf. De beklaagde, die het hele proces op een bed ligt en naar het plafond staart en soms zelfs ligt te snurken, richtte zich even op om naar de plattegrond te kijken.


Schelvis had dat niet opgemerkt, geconcentreerd als hij was op zijn verhaal. Hij hoorde het achteraf van andere aanklagers. Schelvis dacht niet aan Demjanjuk - doet hij nooit. Demjanjuk doet hem niks, het is een ding dat er ligt, een wezenloos ding.


Ook al weet hij dat Demjanjuk praat en lacht als hij eenmaal de zaal is uitgereden. Dat laat Schelvis ook koud. Hem gaat het om gerechtigheid. Gerechtigheid en erkenning voor zijn vermoorde familie en alle andere Joden die in Sobibor zijn vergast.


Drie uur in Sobibor

Iedereen kan nu weten dat niet alleen Auschwitz bestond, maar ook Sobibor. Eenderde van de in de Tweede Wereldoorlog vermoorde Nederlandse Joden is vergast in Sobibor. Die 34 duizend bleven in het donker, hun verhaal moet worden verteld.


Daarom heeft Schelvis al dat onderzoek gedaan, daarom heeft hij die boeken geschreven, daarom heeft hij de Stichting Sobibor opgericht. De gruweldaden mogen niet worden vergeten. Het proces tegen Demjanjuk, waarschijnlijk het laatste grote naziproces, is een waardig slotakkoord van Schelvis' levenswerk.


Drie uur is Schelvis in Sobibor geweest. Hij herinnert zich elke seconde. Hoe hij daar arriveerde met de trein vanuit Westerbork, samen met zijn 22-jarige vrouw Rachel en haar familie. Ze zaten met zestig lotgenoten opeen gepropt in een wagon - grijsaards en baby's, ziek en gezond - vijftig wagons achter elkaar.


Het was een verschrikkelijke reis, 72 uur lang, in een donkere, stinkende, stug verende goederenwagon. Hun behoefte moesten ze doen in een houten ton. Om beurten zogen ze hun longen vol met frisse lucht bij het kleine, getraliede venster. Er was ook een ton met water, eten kregen ze niet.


Ze gingen erheen om te werken, dachten ze. Van gaskamers hadden ze nog nooit gehoord. Schelvis had zijn gitaar meegenomen. Bij een kamp hoort een kampvuur en horen liedjes. De eerste aanblik was vriendelijk, een paar barakken met gordijntjes. Die bleken van SS'ers te zijn.


Hij liep naast Rachel, maar die was opeens verdwenen. Zij was afgeslagen, hij moest rechtdoor lopen. Toen hij dat bemerkte, keek hij achterom. Dat was verboden, werd hem toegesnauwd. Even later zat hij op een grasveld. Te wachten om naar de gaskamer te worden gebracht. Dat wist hij toen niet.


Tachtig jonge, sterke mannen stonden aan de rand van het veld. In een flits dacht Schelvis dat hij in die rij moest zien te komen. In zijn beste driejarige hbs-Duits vroeg hij aan een SS'er of hij zich bij hen mocht voegen. Dat mocht.


Ze bleken te zijn geselecteerd om turf te steken in Dorohucza, een kamp drie uur verderop met de trein. Even later waren ze ernaar op weg. De hoop dat hij Rachel snel weer zou zien, werd een paar dagen later de grond ingeboord. Een jeugdige Pools-Joodse medegevangene wist hem te vertellen wat er gebeurde met mensen die in Sobibor achterbleven.


Ook het turfstekerskamp was een hel. Het loodzware werk sloopte de ondervoede mannen, Schelvis zag ze bij bosjes bezwijken. Hij moest maken dat hij er weg kwam - weer lukte het hem, niet voor de laatste keer. Zijn odyssee voerde hem langs het getto van Radom, Auschwitz en Duitse werkkampen. Telkens ontsnapte hij aan de dood.


Hij zag opgehangen mannen, hij hoorde executies. Hij sjouwde vijftig kilo zware zakken cement, hij hakte stenen in een steengroeve en gooide bomkraters dicht die de geallieerden hadden geslagen in de landingsbanen van een vliegveld.


Een ontsteking aan zijn voet behoedde hem voor een barre voettocht naar Dachau. Het was uiteindelijk vlektyfus die hem sloopte. Doodziek lag hij op een brits toen de Fransen hem op 8 april 1945 in een werkkamp vlak bij Stuttgart bevrijdden.


Schelvis heeft lang gezwegen, er moest weer een toekomst worden opgebouwd. Terug in Nederland wilde hij de ellende zo snel mogelijk van zich afschudden. Dat kostte al moeite genoeg. Zijn schoonfamilie was uitgemoord, zijn vader was omgekomen in Sachsenhausen. Zijn huis was bewoond, de inboedel was verdwenen. Het koperspul dat Schelvis bij zijn werkgever in bewaring had gegeven, was verpatst.


Zijn moeder en zus hadden Bergen-Belsen overleefd. Ook zij zwegen. Iedereen zweeg, niemand was in staat te spreken over de gruwelen.


Schelvis bouwde een mooie carrière op, waarin hij van drukker opklom tot hoofd algemene zaken en personeelszaken bij Het Vrije Volk. Hij hertrouwde, kreeg twee kinderen en drie kleinkinderen. Sinds 2001 is hij voor de tweede keer weduwnaar.


Eenmaal in de vut kreeg hij een onweerstaanbare drang te getuigen. Hij wilde weten wat er met zijn vrouw en zijn schoonfamilie was gebeurd. Hij wilde weten wat er met hem zou zijn gebeurd als hij in Sobibor was gebleven.


Alles wilde hij weten van Sobibor, waarvan niets bekend was. Na een neergeslagen opstand van zogenoemde werkjoden in 1943 had de SS het kamp met de grond gelijk gemaakt en alle sporen gewist. In anderhalf jaar waren er minstens 170 duizend moorden gepleegd.


Hij reisde heel Europa af, sprak met overlevenden en dook in archieven om de waarheid te achterhalen. Tot in de gruwelijkste details heeft Schelvis die vastgelegd. Het vernietigingskamp had geen barakken om de aangevoerde Joden op te vangen; ze werden op de dag van aankomst vergast.


Hoe hij het heeft overleefd, is niet te geloven, vindt Schelvis zelf ook. Hij heeft mazzel gehad, om het op zijn Jiddisch te zeggen. Maar je moet ook lef hebben en initiatief tonen, je moet je niet willoos laten meevoeren op de golven van de zee.


Het vertellen over zijn gruwelijke ervaringen valt hem minder zwaar met het verstrijken van de jaren. Niet dat er één wond is geheeld, maar de gebeurtenissen die aanvankelijk vlijmscherp op zijn netvlies stonden, zijn toch een beetje vervaagd. De scherpe randjes zijn eraf. De ernst heeft een andere gedaante aangenomen.


Er gaat geen dag voorbij dat Schelvis niet aan de oorlog denkt. Sommige herinneringen staan te diep in zijn geheugen gegrift. Sobibor, de plek waar hij zijn vrouw en schoonfamilie verloor, de bombardementen van de geallieerden op een vliegveld. Terwijl de bewakers dekking zochten, moesten de gevangenen doorwerken in het open veld.


Als Schelvis spelende kinderen ziet, ziet hij ook de kinderwagen in de trein naar Sobibor. De jonge ouders hadden de wagen met veel moeite de wagon in gewurmd. Mensenlief, als Schelvis bedenkt wat er met dat baby'tje is gebeurd, en al die andere kinderen die zijn vermoord, dan wordt Schelvis' stem schor en kan hij even niets meer zeggen.


Het proces

Die kerels hadden een uniform aan, ze hadden allemaal hetzelfde smoelwerk, dezelfde pet of helm op. Het was zaak uit hun buurt te blijven. De Oekraïense bewakers waren wreder dan SS'ers', zegt Jules Schelvis, die dat in een ander kamp aan den lijve heeft ondervonden.


John Demjanjuk zou bewaker zijn geweest in Sobibor, 4 juni 1943, de dag dat Schelvis drie uur in het vernietigingskamp van de nazi's was, in Polen, vlak bij de Russische grens. Of Schelvis de negen maanden oudere Oekraïense krijgsgevangene heeft gezien? Hij weet het niet. Zelfs twee overlevenden die er een half jaar zijn geweest als zogenoemde werkjood hebben verklaard hem niet te herkennen.


Schelvis is ervan overtuigd dat Demjanjuk bewaker is geweest in Sobibor. De documenten bewijzen het, waaronder een identiteitskaart waarvan experts uit de hele wereld de echtheid hebben bevestigd. Het papier, de nietjes, de foto, de inkt - alles is minutieus onderzocht.


Bewakers voerden Joden over de Himmelfahrtstrasse naar de gaskamers. Als die tegenstribbelden, werden ze erheen geranseld met zwepen. Demjanjuk was van maart tot oktober 1943 in Sobibor. In die periode zijn er 27.900 mensen vermoord.


Als nabestaande van in Sobibor vermoorde Joden is Schelvis medeaanklager in het proces tegen Demjanjuk. De rechtszaak begon in november 2009. Ruim honderd procesdagen zijn er geweest, Schelvis heeft er acht bijgewoond. De openbare aanklager heeft zes jaar geëist tegen Demjanjuk. Deze week wordt de uitspraak verwacht.


Hij moet schuldig worden bevonden, daarna mag hij gaan en staan waar hij wil, betoogde Schelvis vorige maand voor de rechtbank in München. De stokoude kampbewaker moet zijn laatste jaren in vrijheid kunnen doorbrengen. Schelvis is humanistisch opgevoed, zijn eis is een eerbetoon aan zijn ouders.


In 1988 werd Demjanjuk in Israël ter dood veroordeeld wegens oorlogsmisdaden. Hij was herkend als Iwan de Verschrikkelijke, een beul van het vernietigingskamp Treblinka. Een paar jaar later doken uit de archieven van de Russische geheime dienst getuigenverklaringen op, waaruit bleek dat Iwan de Verschrikkelijke de bijnaam was van Iwan Martsjenko. In 1993 sprak het Israëlische Hooggerechtshof Demjanjuk vrij.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden