Iedereen is een merk op internet

Heb je jezelf weleens opgezocht op internet? Of andere mensen die je kent, en vooral die je níet kent? Je vindt van alles....

Stel, je wilt iets weten over Max Dekker. Je kijkt of hij een profiel heeft bij Hyves. En jawel, dat is het geval: Max is net terug van wintersport met drie van zijn 249 vrienden. Linkjes op het sociale netwerk verwijzen naar zijn vakantiefoto’s op Flickr en hij laat zijn snor staan voor een goed doel. Via Google kom je op zijn blog, maar de laatste post dateert uit 2006. Wel weet je dat hij toen voor een grote multinational werkte. Gisteravond luisterde hij op last.fm naar Moke. Zijn 06 kom je op de valreep ook nog tegen.

Dekker bestaat niet echt, maar het zou kunnen. Alles staat op internet. Iemand kan daardoor in een paar minuten een beeld van je vormen. De vraag is of dat erg is. Nee, zeggen kenners, je kunt internet juist gebruiken om jezelf te laten zien. ‘Over tien jaar heeft niemand het er meer over. Dan heeft iedereen zijn hele leven op internet staan’, voorspelt internetkenner Jeroen de Bakker (40). ‘Iedereen is weleens dronken geweest. Dat vinden we normaal. En straks heeft iedereen ook weleens een rare foto op internet gezet.’

De Bakker richtte in 1997 Qi op, een bureau dat interactieve marketingconcepten maakt voor klanten als Heineken en Schiphol. Vorig jaar stond hij aan de wieg van brandgossip.nl, een zoekmachine waarmee bedrijven kunnen achterhalen waar op internet hun merken opduiken.

Als je De Bakker googlet ontdek je dat zijn vertrek bij Qi nieuws was in de marketingwereld, dat hij eind maart naar China gaat en dat een collega net een kindje heeft gekregen. Via Twitter laat hij regelmatig weten wat hij aan het doen is en hij zet foto’s op Flickr. ‘Ik denk dat ik relatief veel online heb staan, maar ik denk daar wel heel goed over na. Ik stuur het’, legt hij uit.

Dat zou iedereen moeten doen, vindt De Bakker. ‘Mensen hebben weinig benul van wat op internet gebeurt. Ik heb voor Heineken gewerkt en al jaren geleden in een presentatie laten zien op hoeveel plekken op internet over dat merk wordt geschreven. Als je zelf niet de hele dag op internet zit, heb je daar eigenlijk geen idee van. Er zaten wel mensen de krant te lezen om een knipselmap te maken, maar wat op internet gebeurde volgen veel bedrijven nog niet of nauwelijks.’

En wat voor een bedrijf of een merk geldt, gaat ook op voor personen, meent De Bakker. ‘Ik ben zelf ook een merk. Mensen hebben een beeld van je. Als je op een weblog publiceert, draagt dat bij aan hoe mensen over je denken.’

Dat herkent ook blogger van het eerste uur Merel Roze (32). ‘Mensen hebben een bepaald verwachtingspatroon van je, ze vormen een beeld. Ik schreef een keer een stukje over Idols, kreeg ik meteen reacties: maar Merel, dat past toch niet bij jou? Of, als ze me ontmoeten: ‘in het echt ben je veel stoerder en grappiger’. Ach ja.’

Merel Roze kreeg haar weblog merelroze.com in 2001 kado van een vriend, die zei dat ze leuk kon schrijven. ‘Eerst wilde ik het niet onder mijn eigen naam doen, maar hij zei: als je later schrijver bent zul je daar alleen maar profijt van hebben.’ Binnen een paar weken had merelroze.com tweehonderd bezoekers per dag. Vervolgens ging het snel: het Parool linkte haar (als leuke Amsterdamlog) en toen volgden al snel de bladen. ‘Ze dachten: wat leuk, een jong meisje dat blogt, in plaats van weer een digi-nerd.’

Haar blog werd populair. Roze heeft nu dagelijks zo’n 3.500 lezers. Uitgevers stonden dan ook in de rij om een boek van haar uit te geven. In 2006 verscheen haar debuutroman Fantastica.

Hoewel Roze er in het begin onbevangen en ongekuisd op los blogte, werd ze zich al vrij snel bewust van haar digitale identiteit. ‘In het begin was de weblogwereld een klein cirkeltje van mensen die elkaar lazen, verder had ik vrienden die mijn site bezochten en misschien vrienden van vrienden. Tot ik op een dag aangesproken werd door mijn buurvrouw op driehoog. Ik kende haar niet, maar hoorde haar wel met haar vriend, zeg maar. Daar schreef ik over op mijn weblog. Ze bleek mijn blog al een hele tijd te lezen en ze had zichzelf ook herkend. Ik schrok me rot. Een ander voorbeeld is mijn tandarts. Ik had een keer geschreven dat ik vroeger verliefd op hem was. Dat had hij ook gelezen. Ik schaamde me dood.’

Het zijn misschien onschuldige voorbeelden, erkent Roze, maar ze doen je wel beseffen ‘dat je iets bent op internet’. Zoals De Bakker zegt: je bent een merk. Roze: ‘Inderdaad, ik denk inmiddels heel goed na over alles wat ik doe op mijn pagina. Het moet wel passen bij het product merelroze.com.’

Of je moet opletten wat je allemaal online zet? Volgens Vincent Everts (48), internetkenner en tot voor kort ict-columnist bij BNR Nieuwsradio, valt dat wel mee. ‘Als je de hele tijd in parenclubs rondhangt of je bent een satanaanbidder, dan moet je wel een beetje uitkijken. Of als je in reacties op GeenStijl helemaal uit je bol gaat. Ja, dan zou ik dat anoniem doen.’

Het is een kwestie van tijd, denkt Everts. Foto’s van zijn zoontje zet hij gewoon op zijn website. ‘Zelfs mijn mobiele nummer staat online. Mijn adres, mijn presentaties, videootjes, columns, alles staat op mijn site. Niemand kijkt naar mijn kinderen, behalve als ze iets over me willen weten. Nou, dan weten ze dat ik een kind heb. So what? Ik heb nog nooit een telefoontje gehad van iemand waarvan ik denk: waarom bel je me nou? Nog een paar jaar en dan is iedereen eraan gewend.’

Gevolg is volgens De Bakker dat ook talent steeds beter te vinden is op internet. ‘Sommige sectoren lopen daarin voorop. Als ik een goede art director wil, kijk ik op internet en bel ik hem of haar gewoon even. Iedereen is straks zijn eigen bv’tje. Je moet dus wel zorgen dat je onderscheidend bent en makkelijk gevonden kunt worden.’

Er zal in de toekomst een scheiding ontstaan tussen de zichtbaren en onzichtbaren op internet, voorspelt hij. ‘Voor mij als freelance tekstschrijver is internet van fundamenteel belang’, zegt Roze ook. ‘Als ik mijn site niet zou hebben, konden mensen mij niet eens vinden.’

Vooral sociale netwerken, zoals het Nederlandse Hyves of het Amerikaanse MySpace, zijn een populaire manier om jezelf op internet een gezicht te geven. Op Hyves, een Nederlands sociaal netwerk dat heel populair is onder jongeren, versieren ‘Hyvers’ hun persoonlijke pagina met foto’s, maar ook met logo’s van merken waarmee ze zich willen associeren. Facebook of LinkedIn zijn zakelijker varianten van Hyves. Net als het Volkskrant Banen Netwerk, dat onlangs is gelanceerd voor Nederlandse professionals.

Everts heeft meer dan vijfhonderd LinkedIn-contacten. Bij vijfhonderd houdt LinkedIn op met tellen. Ze willen uitstralen dat het gaat om de kwaliteit, en niet om de kwantiteit. Maar Everts vindt het netwerk sowieso maar niets. ‘Ik haat LinkedIn, het is een vreselijk saai netwerk. Een receptie is leuk, daar is het gezellig. LinkedIn is een publieke plek om je cv op te hangen. Heel beperkt.’

Roze is het daar niet mee eens. ‘Ik werd net nog gebeld door iemand voor een opdracht. Mijn telefoon viel weg wegens slecht bereik, vervolgens heb ik haar op LinkedIn gevonden en een berichtje gestuurd. Ik krijg best veel opdrachten via LinkedIn. Niet van mensen die ik zelf ken, maar altijd via mensen die mij in hun netwerk hebben.’ *

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden