Interview Frans Leeuw oud-directeur WODC

Iedereen heeft zijn zegje over de WODC–affaire gedaan. Behalve Frans Leeuw, de directeur die moest opstappen

Na een hoogoplopende zaak over politieke beïnvloeding vertrok Frans Leeuw als directeur van het WODC, het onderzoeksinstituut van het ministerie van Justitie & Veiligheid. Bij het Kamerdebat vandaag reageert hij voor het eerst. ‘Ik vond het wel karaktermoord, ja.’

Frans Leeuw: ‘Er zijn etiketten geplakt, enorme schoenen aangetrokken met uitspraken over mijn stijl van leidinggeven.’ Beeld Linelle Deunk

Eindelijk spreekt Frans Leeuw. Hij was de ­directeur van het onderzoeksinstituut WODC van het ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V). Leeuw stapte vorig jaar juni op na berichten over politieke beïnvloeding van WODC-onderzoek door het ministerie, onder zijn verantwoordelijkheid. Iedereen heeft tot dusver zijn zegje gedaan, behalve Leeuw. Wat hem over de drempel hielp: onder andere een hoofdartikel in NRC waarin werd gesuggereerd dat dit nog maar het topje van een berg ellende in het WODC zou zijn. Leeuw zelf is bij J&V met pensioen. Resteert als opdracht schadebeperking aan het instituut dat hij vijftien jaar lang heeft geleid.

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie.

Waarmee is het begonnen?

‘Ik kreeg een belletje van een journalist. Dat was Bas Haan van Nieuwsuur. Eerst stak hij de loftrompet over het instituut, een heel belangrijk instituut, misschien wel belangrijker dan universiteiten. Ik zei nou nou, maar er waren nu dingen die dat in een ander daglicht stelden en daarover wilde hij praten. Toen is hij langsgekomen en daar kwam een brief op tafel, met klachten van een medewerkster. Ik was daar zeer verbaasd over. Vier jaar eerder hadden we inderdaad een conflict gehad, over een drugsonderzoek. De verhoudingen waren weer helemaal oké, althans dat dacht ik. Zij was met pensioen. We komen allebei uit Limburg en op haar afscheid hebben we samen nog Immer wieder geht die Sonne auf gezongen. Ze had nog een artikel ­geschreven op basis van een van de ­betwiste onderzoeken. Dus zo slecht kon het ook weer niet zijn.’

De hoofdklacht was dat Leeuw in een ­onderzoek naar de wietpas dingen had veranderd en zou hebben ‘gecontextualiseerd’. Dat woord had hijzelf gebruikt, maar werd een soort ­codetaal voor politiek gemotiveerd gefoezel. ‘Gecontextualiseerd, dat woord heb ik gebruikt. Maar dat is heel gebruikelijk in mijn tak van wetenschap. Ik was zelf verantwoordelijk voor dit onderzoek en ik vond de ­interpretatie te beperkt. Ik heb context gehaald uit eerdere versies van het rapport. Er is meermalen gesproken, met zo’n veertig bestuurders, ambtenaren, officieren van justitie. Die gesprekken lieten een breder palet zien dan in de ­samenvatting te lezen was. Aan de bevindingen van het onderzoek zelf ben ik niet gekomen.’

Na de uitzending van Nieuwsuur ontplofte de zaak van de politieke beïnvloeding van het WODC meteen. Leeuw zelf had in de studio willen zitten om uitleg te geven. Dat mocht niet van Nieuwsuur, het ging immers niet over hem maar over het ministerie. De gast werd minister Ferd Grapperhaus, die meteen zei dat er dingen niet goed waren gegaan. ‘Hij kon moeilijk anders. Het ging over drugs, het ging over onderzoek, en over iemand die door de leiding niet serieus was genomen. Dat was in elk geval het beeld. En de minister was natuurlijk brand new.’

Er werden tientallen Kamervragen gesteld, het instituut was een augiasstal die meteen moest worden uitgemest. Er kwam ook bijval voor Frans Leeuw, bijvoorbeeld van collega emeritus hoogleraar Wim Derksen, voorheen directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving. Hij sprak over ‘trekpopprofessoren’ die op journalistieke afroep bereid zijn op televisie te roepen dat het een schande is. Maar er was al geen redden meer aan. Over de rol van de Kamer, die vandaag debatteert over een grotere afstand van het WODC tot het ministerie, wil Leeuw niets zeggen. En ook niet over de mevrouw die de klok luidde omdat hij haar drugsonderzoek zou hebben aangepast op verzoek van de minister. ‘Ik heb geen seconde met de toenmalige minister Opstelten of staatssecretaris Teeven gesproken over of ze dit beleid wel of niet zus of zo. Ik heb in mijn hele carrière nog nooit dit soort belletjes van een minister gehad. Ik ben meteen in oude stukken, mails en notities van mezelf gaan kijken, omdat ik een heel andere herinnering had aan deze kwestie. Dat is het voordeel van deze digitale tijd, je kunt het allemaal terugzoeken in je eigen dossiers. Ik zag iets heel anders dan deze verdenking, maar de beeldvorming was na de uitzending kraakhelder. ­Jinek had het in haar programma al over ‘een WODC’tje doen’. Daar valt niet tegenop te argumenteren.’

Minister Grapperhaus stelde vervolgens niet één maar drie onderzoekscommissies in, om te vermijden dat er ook maar één onderste steen niet bovenkwam. Drie commissies, vond hij dat niet krankjorum? ‘Ik wil dat woord niet gebruiken. Ik vond het, eh, hevig groots. Hoe dat is gebeurd ging buiten mij om, maar zoiets krijgt in zo’n departement zijn eigen dynamiek.’ Een van de onderzoeken ging over de zaak zelf: was er inderdaad beïnvloeding geweest door het ministerie? Een tweede ging over de vraag of de klacht tegen Leeuw gerechtvaardigd was. En het derde zou meer algemeen aan het licht brengen of de rapporten van dit gerenommeerde instituut aan de maat waren. Leeuw vond het met een understatement ‘een beetje veul’. Hij is zelf naast zijn directeurschap hoogleraar evaluatieonderzoek, en is specialist in het beoordelen of sociaal-wetenschappelijk onderzoek volgens de regelen der kunst is gedaan. De ironie wil dus dat Leeuw bij uitstek de figuur is die kan overzien of zijn eigen beoordeling de toets der kritiek kan doorstaan.

Als eerste rapporteerde de commissie die zich over de klacht tegen Leeuw had gebogen, voor de zomervakantie, en weer bij Nieuwsuur. De klok was terecht geluid, aldus de voorzitter. Het vonnis was geveld. ‘Het was heel raar. Het was een ­behoorlijk finaal oordeel over mij, maar zei niets over het drugsonderzoek. Lees de laatste zin. De commissie doet geen uitspraak over de kwaliteit van het rapport, of over de vraag of de integriteit in het geding was. Want daar waren ze niet voor. Er zijn etiketten geplakt, enorme schoenen aangetrokken met uitspraken over mijn stijl van leidinggeven. Die zou bedreigend zijn, ik zou onvoldoende open zijn en misverstanden kweken. Als ze dat allemaal over mij schrijven ga ik geen vechtpartij beginnen. Dat is slecht voor het instituut. Dus ik ben opgestapt. Maar ik vond het wel een vorm van character assassination. ­Karaktermoord ja.’

Een half jaar later kwam rapport nummer twee. Het aantal belangstellende ­camera’s bij de presentatie was flink uitgedund. De directeur was ­immers toch al weg. De titel van dat rapport luidde ­Betrouwbaar onderzoek en de strekking was dat er bij het WODC weinig aan de hand was. Het omstreden drugsrapport was door de contextualisering van Frans Leeuw ­inderdaad beter geworden. En zijn slechte bejegening van zijn medewerkster bleek niet veel meer dan een arbeidsconflict.

Was dit nu een soort postume ­rehabilitatie?

‘Ik heb wel van die affaire geleerd. Mijn motto is altijd geweest: tegenspraak brengt ons verder. Dat komt van de beroemde kritisch-rationalistische filosoof Karl Popper. Ik ben van de scherpe dialoog, en daarom vind ik ook niet dat beleidsambtenaren zich helemaal buiten het onderzoek moeten houden. Ja, natuurlijk moet onderzoek onafhankelijk zijn. Maar onafhankelijkheid is niet een eendimensionaal begrip. Het gaat om de onafhankelijkheid van de gebruikte ­methode, van de procedures binnen een instituut en om de beeldvorming. Gezag en geloofwaardigheid, daar draait het om, maar er mag best contact en wederzijdse invloed zijn. Dat staat goed in dat rapport. Maar ikzelf had dat model van dialoog, van strijd en scherpte beter en menselijker moeten vormgeven en inkleuren. Ik vind het naar dat er mensen gekwetst zijn. Ik dacht dat na dat conflict de verhoudingen weer goed ­waren; kennelijk niet, als zoiets zoveel later boven komt.’

Drie commissies, veel verwarring

Na de uitzending van Nieuwsuur in december 2017 stelde minister Grapperhaus drie onderzoekscommissies in naar het WODC. Dat leidde tot verwarring. De commissie onder leiding van arbeidsjurist Evert Verhulp die in juni vorig jaar als eerste rapporteerde over de klacht onder de titel De melding terecht was officieel commissie III. Het tweede rapport, Betrouwbaar onderzoek, kwam in november en stond onder leiding van Jacques Overgaauw, vicepresident van de Hoge Raad. Dat was officieel commissie I. De derde commissie, formeel nummer II, publiceerde haar bevindingen onder leiding van de rechtssocioloog Marc Hertogh in januari onder de titel Ongemakkelijk onderzoek. Hoe de zo beslissende volgorde van publicatie van de rapporten tot stand is gekomen bleef onduidelijk. 

Frans Leeuw had intussen een ro­yaal ­afscheid gekregen, met een vriendenboek en een klinkende speech van Mark Bovens, nummer één op de apenrots van de Nederlandse sociale wetenschappen. Op dat moment moest rapport nummer drie nog ­komen. Dat verscheen in januari en daarin werd kortweg met zowel het WODC als de vertrokken directeur de kachel aangemaakt. Kop van het persbericht: onafhankelijkheid WODC geschaad. Uit de tekst: regelmatige pogingen om onderzoek te beïnvloeden; waarborgen schieten tekort; deugdelijkheid van onderzoek staat onder druk. Maar ook, aan het eind van de eerste alinea, het zinnetje: ‘geen aanwijzingen dat opzet, uitvoering of conclusies van WODC-onderzoek op grote schaal zijn aangepast.’

Hoe kon dat derde rapport zo in strijd zijn met het tweede?

‘Dat derde rapport laat enorme mist bestaan, over die beïnvloeding. Gaat het over pogingen, zijn die succesvol geweest, wat is er precies gebeurd, wie probeerde dan invloed uit te oefenen? Was dat onbehoorlijk? We kunnen geen uitspraak doen over de deugdelijkheid van WODC-onderzoek, staat er. Maar ‘andere geluiden’ zijn van dien aard dat wij toch structurele problemen zien. Het is een idee over oorzaak en gevolg dat ik, hoe zal ik het zeggen, niet erg geloofwaardig vind.’

Wat Leeuw vooral wil bestrijden, is het idee dat elke poging tot beïnvloeding slecht is. Onderzoekers moeten tegen een stootje kunnen. Hij heeft een artikel meegenomen, ‘van collega Pleger uit die Schweiz. Die schrijft: ik kan jou als onderzoeker proberen te beïnvloeden en dat kan gericht zijn op verbetering. Ik wijs je er bijvoorbeeld op dat je een belangrijke bron vergeten bent. Het is niet zo dat ­onderzoekers alles weten en dat beleidsmakers domme idioten zijn. Een krachtige dialoog is nodig. Maar je hebt ook (stem gaat omlaag) ­undermining. Trucjes uithalen, ingewikkeld doen, en dan heb je distortion, dat je als beleidsmaker beweert dat een en een toch drie is. Dat zijn onderscheidingen die iedereen die zich met deze tak van sport bezighoudt hoort te kennen. Ik snap dus niet dat de tweede commissie dit wel gebruikt en de laatste commissie niet. Waarom hebben ze goddosie niet aangesloten bij de kennis van het voorafgaande?’

CV 

Frans Leeuw

1953 Geboren te Meerssen

1983 Gepromoveerd als socioloog.

1992-96 Algemene Rekenkamer, directeur doelmatigheidsonderzoek

1992-2005 Bijzonder hoogleraar evaluatieonderzoek Universiteit Utrecht

2000-03 Inspectie van het Onderwijs, Hoofdinspecteur – Directeur

2003-18 Directeur WODC, ministerie van Justitie en Veiligheid

2005-heden Hoogleraar recht, openbaar bestuur en sociaal-wetenschappelijk onderzoek, Maastricht University 

Professor Wim Derksen gaat in een blog nog een stapje verder. Hij zegt dat commissie drie zich schuldig maakt aan hetgeen ze Leeuw verwijt: naar het resultaat toeredeneren. Hij kreeg bijval van Paul ’t Hart, een van de belangrijkste bestuurskundigen.

‘Laat dat vooral door Wim Derksen gezegd zijn. De waarnemend directeur zei in een interview na die drie commissies: het WODC heeft de botsproef doorstaan. Ze hebben geen onoorbare beïnvloeding gevonden. Natuurlijk was er contact met ‘beleid’. Duwen en terugduwen, zo hoort het. Die Pleger van daarstraks zei zelfs over beleidsonderzoekers: they should never surrender. Onderzoekers zijn niet van suiker. De ene commissie pluist onze rapporten heel precies uit, met grote diepgang. Daar komt uit dat we ons werk goed gedaan hebben. En dan komt de laatste commissie vaststellen dat ongeoorloofde beïnvloeding heeft plaatsgevonden. Van de zestienhonderd ­onderzoeken uit de laatste twintig jaar pikken ze er vier uit, met gevoelige ­onderwerpen. Daar worden pogingen tot beïnvloeding geconstateerd. Minister Grapperhaus heeft in zijn reactie navraag laten doen bij de betrokken hoofdonderzoekers. Alle vier hebben ze gezegd dat ze nog vierkant achter hun onderzoek staan. En dat de beïnvloeding geen enkel effect heeft gesorteerd. Dat werk van die commissie is dus gewoon…(valt stil)… nee ik zeg niks.’

Hoe zou u tot slot de hele gang van zaken typeren?

‘Ik heb altijd afstand bewaard, ik ben nooit leeggelopen. Ik heb een soort Hugo Claus-achtige verwondering. Ik wijs op de commissie die vaststelde dat ons onderzoek volgens de regelen der kunst is verlopen. Die vroeg ook aandacht voor een journalistieke procedure die ‘betrokkenen onverwacht en onevenredig’ heeft geraakt. Dat ­citeert niemand. Ons werk kan heus beter, maar dat betekent niet dat je nooit meer wrijving of strijd hebt. Dat zou zelfs verkeerd zijn. Ja, tegenspraak brengt ons verder, om nog een keertje Sir Karl Raimund Popper aan te halen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden