Idealist in de rol van bedelaar

Geen betaald voetbal meer in de derde stad van Nederland, zoveel scheelde het niet. Nog maar enkele jaren geleden geleden leek ADO ten dode opgeschreven....

ALLE GROTE en ook kleine rollen in de voetballerij vertolkte de Haagse volksjongen Karel Jansen wel zo'n beetje in het werkzame deel van zijn leven.

Was de eerste speler die zich voor zijn passes en voorzetten in het Zuiderpark liet betalen.

Kickte tien jaar in het eerste elftal van ADO.

Schopte het als kanthalf tot aanvoerder van het Haagse voetbalbolwerk.

Bracht het tot drie optredens in wat in die tijd ietwat vaaglijk als het voorlopig Nederlands elftal werd aangeduid (en is daar tot op de dag van vandaag in niet geringe mate trots op).

Kwam al tijdens zijn actieve ADO-jaren tot de bittere constatering dat 'voetballers waren overgeleverd aan de grillen van de heren bestuurders. We betaalden ons scheel aan boetes en werden desondanks geacht te dansen naar de pijpen van de heren. We waren behoorlijk rechteloos.'

Moest in zijn eerste profjaren genoegen nemen met verbazingwekkend lage premies. Een geeltje voor een overwinning, een hele rijksdaalder voor trainingsbezoek.

Ontpopte zich derhalve als de bedenker en grondlegger van de vakbond voor spelers in het betaald voetbal, VVCS.

Diende de KNVB gedurende twee termijnen als lid van het sectiebestuur betaald voetbal en beheerde in die jaren bij voorkeur de portefeuille technische zaken.

Een fantastische levensloop voor een jongen uit een Haagse volksbuurt zonder fatsoenlijke schoolopleiding. Als kind wilde hij al meester in de rechten worden, meer in het bijzonder advocaat. Geen schijn van kans natuurlijk. Zijn vader werd werkloos in de jaren dertig en kleine Karel was niet het enige kind thuis. Er moesten nóg acht kindermonden worden gevuld. Net genoeg om te leven, net niet te weinig om te sterven.

Als kanthalf in het Zuiderpark hield Karel Jansen gelukkig voldoende tijd over om zijn kennis op allerhande gebied bij te spijkeren. Volgde cursussen, leerde zijn talen spreken en op een goed moment wist hij dat hij zich qua kennis en zeker ook qua welsprekendheid met iedereen kon meten. 'Ik heb geleerd dat het onzinnig is op te kijken tegen lieden die in het bezit zijn van een academische titel. Nooit van mijn leven heb ik me laten imponeren door geleerde heren met titels en quasi-geleerde praatjes.'

Al die rollen vervulde Karel Jansen met verve en daarom is het zo navrant dat hij nu, tien jaar na zijn officiële pensionering, als krasse knar van 75 lentes, een volkomen nieuwe rol moet spelen.

De rol van bedelaar.

Dat zit zo.

Drie jaar geleden overleed zijn vrouw, zijn grote steun en toeverlaat, zijn grote liefde. Haar heengaan was een geweldige klap. Het leven had ineens zo gek veel zin niet meer. 'Ik viel in een duizelingwekkend diep gat. Ik verpieterde, werd een dood vogeltje.' Op een goede dag stond ene Henk de Haan, de voorzitter van ADO's businessclub, voor de deur. Of hij alsjeblieft weer iets voor ADO zou willen betekenen.

Of hij zo goed zou willen zijn dan maar meteen het voorzitterschap van de zakenclub op zich te nemen.

Jansen weigerde. Hij was er nog niet klaar voor, het rouwproces was nog niet voltooid. Vandaar.

Een jaar later werd hij opnieuw benaderd door de businessclub. En nu zei hij wel ja. Hij werd geen voorzitter van de club, dat vond hij te veel eer, maar vice-voorzitter.

Foutje.

Als vice-voorzitter wordt hij geacht zieltjes te winnen voor de businessclub, alvast stoelen te verkopen aan Haagse neringdoenden in het stadion dat hij in zijn onverbeterlijke optimisme over een jaar ziet verrijzen nabij de fly-overs van het Prins Clausplein, een stadion dat zijn weerga in Nederland niet zal kennen. 'Het wordt niet zomaar een stadion, het wordt een theater, een theater voor de gewone man.'

Karel Jansen als bedelaar. Of meneer de zakenman zo aardig wil wezen om voor ADO wat te schudden. Veel hoeft het niet te zijn. Een business-seat hoeft toch geen probleem te zijn, want wat kost dat nou helemaal. Amper drieënhalve mille op jaarbasis.

Maar dat geld is juist wel een probleem, ondervindt Jansen tijdens zijn bedelaarstrips langs het zakenleven in Den Haag en omstreken. Niet zelden komt het voor dat hij in de directiekamers op weerstand stuit, op uitgesproken weerzin zelfs. Moet hij praten als Brugman - wat hem bepaald goed af gaat - om de heren met geld aan het verstand te peuteren dat het met het supportersgeweld vandaag de dag wel meevalt. Dat het veiligheidsbeleid van club en gemeente vruchten begint af te werpen. Dat het gajes bereid lijkt ADO terug te geven aan de stad. Dat het weer gezellig toeven is bij de thuiswedstrijden in het Zuiderpark. Bijna net zo gezellig als in de jaren dat Jansen als kanthalf furore maakte en midvoor Theo Timmermans op de centimeter nauwkeurig bediende.

In die jaren was ADO een grote club, een authentieke volksclub met een trouwe aanhang in de volkswijken rond het Zuiderpark. Een club die bekers vergaarde, nu en dan furore maakte in Europa en amper onderdeed voor Ajax en Feyenoord. De klad kwam erin toen in de jaren zestig de rooie wethouder Piet Vink aanstuurde op een fusie van SHS en ADO, een samengaan van de viskoppen uit Scheveningen en de stadsen rond het Zuiderpark. De socialist dacht oprecht dat een fusie een grote, sterke club zou opleveren. Zoiets als Ajax, maar dan Haagser.

Verkeerd gedacht. De van oudsher grote supportersschare werd bijna met het jaar minder groot. 'Mensen die een binding hadden met SHS bleven weg. Daardoor verloor ADO een flinke supporterskern. De fusie had ook tot gevolg dat we geen stadsderby's meer hadden, niet meer mochten rekenen op twee keer per seizoen een volle bak. Jammer dat die fusie er indertijd zo fors is doorgedrukt. Een stad als Den Haag, in inwonertal de derde van het land, had moeiteloos twee profclubs aangekund.'

DE FUSIECLUB werd amper gepruimd door de Scheveningers (en al helemaal niet door de Haagsche kak van HBS en VUC) en steeds minder ook door de aanhangers van het eerste uur. Die trokken in de jaren zestig en zeventig weg uit de hectiek van de stad, weg uit de grote volksbuurten rond het stadion in het Zuiderpark, weg uit Spoorwijk, Laakkwartier en Schilderswijk. Kochten huizen met tuintjes aan de randen van de almaar uitdijende stad of verder nog, in Zoetermeer en Wateringen.

De buurten rond het stadion verschoten steeds meer van kleur. Wit maakte plaats voor zwart. Allochtonen kregen de overhand, allochtonen die geen binding hadden met voetbal en al helemaal geen binding met ADO. 'Die mensen gingen op zondag niet naar het stadion. Waarom zouden ze ook? Ze hadden hun eigen recreatiepatroon en daarin paste ADO niet. Die club zei hun niks.'

ADO holde achteruit. Steeds minder toeschouwers, steeds lagere recettes, steeds minder geld om topspelers aan zich te binden, steeds minder hoge posities op de ranglijst. De club degradeerde, keerde terug op het hoogste niveau en daalde in 1992 opnieuw af naar de kelder van het betaald voetbal. Nu voor eens en voor heel lang.

De club geraakte in een draaikolk van tegenslagen. Bestuursleden kwamen en gingen weer. 'Er was een enorm verloop, wat op zijn zachtst gezegd de bedrijfsvoering niet ten goede kwam. Zelfs een man als Dé Stoop werd binnengehaald, hoewel hij een ras-Amsterdammer was en geen enkele band had met ADO. Hij heeft het nog niet eens zo slecht gedaan, maar hij hoorde hier natuurlijk volstrekt niet thuis.'

De crisis leidde tot slechte resultaten op het veld, tot onmacht in de bestuurskamer en toen ook nog eens raddraaiers, deugnieten en gewelddadige mafkezen uit de obscure wereld van beroepsextremisten als Glimmerveen en Janmaat het Zuiderpark ontdekten als schouwtoneel voor hun duistere praktijkjes was de ondergang van de aloude club nabijer dan ooit.

(Het heeft Jansen altijd gestoken dat de supportersrellen in het Zuiderpark consequent de pers haalden, terwijl clubs als FC Utrecht, Ajax en Feyenoord ook werden geterroriseerd door kwaadwillenden en ander gespuis. Als er, zegt Jansen, in Den Haag wat loos was waren de rapen gaar, werd er overdreven heftig over geschreven in de landelijke bladen).

Dieper dan diep zinken is onmogelijk, maar ADO bleek daar in de jaren negentig toch toe in staat. Zelfs veelgeroemde talenten uit de Haagse voetbalschool, zoals daar zijn Roy Knopper (eerst Feyenoord, later Ajax) en Cedric van der Gun meden de club en ontvluchtten de stad. 'We hebben die kanjers naar elders laten gaan omdat er geen geld voor hen was. Hadden ze hier bij ADO moeten zorgen dat het geld er wél was. Moet je knokken, bedelen, alles uit de kast halen als bestuurder. Dat is helaas niet gebeurd. Toenmalige bestuurders hebben het allemaal laten betijen en op hun manier bijgedragen aan de verloedering van de club.'

Hoe het ook zij, in het tweede part van de jaren negentig ging ADO onstuitbaar snel op weg naar het einde, naar een een faillissement. De club, in die jaren wat al te consequent aangeduid als FC Den Haag, zag er geen gat meer in. De politiek hield zich afzijdig en zelfs de KNVB meende dat de overlevingskansen waren geslonken tot nul, of zelfs nog minder dan dat.

Gelukkig voor ADO maakte Mister ADO uitgerekend in die tijd deel uit van het sectiebestuur betaald voetbal. Als portefeuillehouder technische zaken was Jansen in het college van voorzitter Jos Staatsen een man met aanzien en macht. En hij was er, ADO zal hem er nu nog dankbaar voor wezen, niet te beroerd voor die macht te laten gelden.

Het gebeurde in 1996 dat de patiënt dan eindelijk op sterven na dood was. Het einde leek nabij. Helemaal toen de KNVB besloot ADO's proflicentie niet te verlengen. Het was alleen nog maar een kwestie van een paar krabbels onder het voorstel en het doodvonnis was getekend. Alle sectiebestuurders tekenden, behalve Karel Jansen. 'Daar kon ik natuurlijk mijn handtekening niet onder zetten. Ik heb dat geweigerd en Staatsen dringend gevraagd de club nog een paar weken respijt te geven. Het was mijn diepste overtuiging dat ik het niet kon maken zo'n belangrijk voetbalbolwerk met die rijke historie met een simpele pennenstreek om zeep te brengen.'

ONDER LEIDING van de welgestelde voorzitter John van Ringelenstein, nota bene een onvervalste Scheveninger, en directeur Robert Langenbach krabbelt de club na een koude sanering weer langzaam overeind . 'Er is weer hoop, er gloort duidelijk licht aan het eind van de tunnel. Langenbach heeft de wind er goed onder en de harde supporterskern van midden-noord begint te beseffen dat het verstandig is zich fatsoenlijk te gedragen.'

Daarnaast kan ADO rekenen op de warme sympathie van burgemeester Wim Deetman. Geen burgemeester zo goed als Deetman, beweert de in diplomatieke kunsten zeer bedreven Jansen met grote stelligheid. 'Dankzij hem komt de slapende reus in het Zuiderpark weer langzaam bij zijn positieven. Zijn voorgangers hebben nooit een visie ontwikkeld over het belang van ADO voor de stad. Deetman heeft die visie duidelijk wel. Dit college heeft de leiding genomen in het gezondmakingsproces van ADO en gaat, het kan echt niet op, ook nog eens een stadion bouwen. Niet zomaar een stadion, maar een schouwburg, een schouwburg voor de kleine man.'

De eerste paal zal binnen een jaar de grond ingaan, maar de gemeente hoopt en verwacht dat de club alvast meegaat op reis, op reis naar de top van de eerste divisie en vervolgens naar de eredivisie. Dat gaat lukken, zegt Jansen uit de grond van zijn hart, en daarom frappeert het hem dat niet iedereen in de stad zich ervan bewust is dat 'we samen op reis zijn, de gemeente en ADO. Samen op reis naar de eredivisie. Ze geloven het niet, omdat de te veel narigheid is gebeurd, te veel degradaties en te weinig promoties.'

En dat stadion, met een voorlopige capaciteit van 16.000 zitplaatsen, moet straks natuurlijk vol. Dat gaat niet vanzelf. Daar moet, zegt Jansen, voor geknokt worden. Niet alleen door de Amsterdamse hoofdtrainer Rinus Israel en zijn Haagse compagnon Lex Schoenmaker, maar ook door het bestuur en door authentieke ADO-verslaafden als Karel Jansen. 'We moeten de jonge gezinnen voor ons zien te winnen, de gezinnen die de afgelopen jaren zijn neergestreken in de groeikernen rond de stad. Daar ligt misschien wel onze grootste uitdaging.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden