Huurder duurder uit dan huiseigenaar

Huishoudens met een inkomen rond het sociale minimum geven, ondanks de huursubsidie die zij meestal ontvangen, meer uit aan woonlasten dan andere inkomensgroepen....

Van onze verslaggever

Dat blijkt uit Perspectief op Wonen, de vierjaarlijkse rapportage van het Nationaal Woningbehoefte Onderzoek. Het rapport werd onlangs aangeboden aan staatssecretaris Remkes van Volkshuisvesting.

De woningmarkt is het afgelopen decennium ingrijpend gewijzigd. De koopsector groeide, de huursector bleef in omvang gelijk, maar werd verhoudingsgewijs kleiner.

Tussen 1994 en 1998 werden ruim 160 duizend huurwoningen in de verkoop gedaan, waarvan zo'n 125 duizend voorheen in eigendom waren van een woningbouwcorporatie.

De sociale huursector dreigt volgens de onderzoekers een restcategorie van de woningmarkt te worden. De typische sociale huurder is steeds vaker alleenstaand, jonger dan 25 of 65-plusser, laagopgeleid en allochtoon. Hoger opgeleiden en samenwonenden verhuizen al snel naar een beter huis.

In sommige delen van het land ontstaat een overschot aan huurwoningen. Vooral eengezinshuurwoningen in een landelijke omgeving zijn ruim voorradig. Verkoop daarvan zou een bijdrage kunnen leveren aan ontspanning van de woningmarkt, want naar eengezinskoopwoningen bestaat een grote vraag.

Toch zijn andere soorten huurwoningen nog altijd zeer in trek. Vooral bij nieuwe toetreders (jongeren, starters, buitenlanders) en vaak ook ouderen die hun koopwoning voor een (kleiner) huurhuis willen verruilen.

Het aantal allochtone huishoudens is de laatste jaren stevig gestegen. In 1994 telde Nederland 806 duizend allochtone gezinnen, in 1998 waren dat er 1,12 miljoen. De helft daarvan bestaat uit huishoudens die uit westerse en rijke landen (Japan, Amerika en de EU) afkomstig zijn. Hun woonsituatie en hun woonwensen wijken weinig af van die de rest van Nederland.

Met de niet-westerse allochtonen (Turken, Marokkanen, Surinamers en asielzoekers) ligt dat anders. Ruim 80 procent van hen woont in de grote stad. Hun gezinnen zijn groter, maar ze zijn kleiner gehuisvest en zelden eigenaar van een huis.

De tweede generatie allochtonen doet het aanmerkelijk beter. Hun woonsituatie begint die van de autochtonen dicht te benaderen. Veel vaker dan hun ouders zijn ze eigenaar van hun huis.

Opvallend is dat allochtonen vaker willen verhuizen dan autochtonen. De meesten hopen zich te verbeteren in de stad, maar het verlangen naar een landelijke woonomgeving groeit.

Het percentage huishoudens dat graag vanuit de stad naar een landelijke omgeving verhuist, is onder allochtonen en autochtonen ongeveer even groot.

De onderzoekers verbinden daar de conclusie aan dat landelijke gemeenten een bijdrage kunnen leveren aan het bestrijden van de concentratie van allochtonen in de stad.

Als er in de dorpen en kleinere gemeenten meer huizen voor hen beschikbaar komen, zullen twintigduizend meer allochtonen vanuit de stad naar het platteland verhuizen, dan omgekeerd.

De kansen van ouderen op de woningmarkt zijn sterk verbeterd. In 1994 woonden tweehonderdduizend mensen in woningen die speciaal voor ouderen waren bestemd. Vier jaar later waren dat er 360 duizend.

Dat is een forse toename die, bij gebrek aan een omvangrijk nieuwbouwprogramma, vooral moet worden verklaard uit het feit dat woningbouwcorporaties een deel van hun woningen vooral voor ouderen hebben bestemd.

Lang niet al die woningen voldoen aan de eisen (gelijkvloers) en ze zijn vaak aan de kleine kant. Naar betaalbare driekamerwoningen voor ouderen (al dan niet met zorgvoorzieningen) bestaat nog altijd een grote vraag en de grote vergrijzingsgolf komt pas vanaf 2010 op gang.

De verdeling van (inkomens)groepen over de verschillende woongebieden - grote stad, buitenwijk, dorp en platteland - heeft het afgelopen decennium weinig ingrijpende wijzigingen ondergaan.

In het hele land is het aantal mensen met een minimuminkomen licht afgenomen (van 12,9 naar 10,2 procent), terwijl het aantal tweeverdieners juist fors is toegenomen.

Dat geldt ook voor de grote steden, maar het aantal tweeverdieners steeg daar minder sterk dan in de rest van het land. Ook het aantal gezinnen met kinderen is in de grote steden lager dan elders; sociale minima (allochtone huishoudens, eenoudergezinnen, jongeren en studenten) wonen er juist meer.

In Amsterdam verhuizen steeds meer gezinnen met lage inkomens vanuit het centrum naar naoorlogse buurten en buitenwijken als de westelijke tuinsteden. In Rotterdam is juist sprake van een trek naar het centrum van de stad.

Den Haag komt er van de grote steden het slechts vanaf. Daar is sinds 1986 het aantal huishoudens met minimuminkomens toegenomen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden