Humor van Rabelais is anders dan die van Youp

Pantagruel is leuker dan Gargantua viel me op, toen ik tijdens het Kerstreces beide zestiende-eeuwse schelmenverhalen voor het eerst na twintig jaar weer eens las....

Op de dag dat Pantagruel hem buiten de stadsmuren van Parijs ontmoet, zegt Panurge, die ook het Duits, het Italiaans, de antipodentaal, het Patelijns, het Laternijns en nog zo wat talen machtig is: 'Herre, ie en spreke anders gheen taele dan kersten taele: My dunct nochtans, al en seg ie u niet een wordt, myuen nood verklaart ghenonch wat ie beglere; gheest my unyt bermherticheyt yet waer un ie ghevoet magh zunch.'

Op de eerste zin na, 'Heer, ik spreek geen andere taal dan de taal der christenen', zal het voor Nederlandse lezers nog niet zo eenvoudig zijn uit te maken wàt Panurge nu eigenlijk tegen Pantagruel zei, maar we kunnen gevoeglijk aannemen dat die woorden voor de zestiende-eeuwse Franse lezers abacadabra zijn geweest. Het is precies wat de schrijver van deze 'romans', de door de eeuwen heen beroemd gebleven François Rabelais, moet hebben beoogd: zijn lezers in de veiling nemen, maar dan zó dat die lezers dat niet onmiddellijk doorhadden. Zij, als ingewijden, moeten hebben genoten van het koeterwaals dat Panurge bij zijn ontmoeting met Pantagruel te berde bracht, in de wetenschap dat anderen misschien oprecht geloofden dat de geleerde Rabelais al die talen zo'n beetje kende.

Dat is humor, maar of wij Nederlandse twintigste-eeuwers daar nog steeds gevoel voor hebben, is zeer de vraag. De humor inzien van Gargantua en Pantagruel is iets anders dan lachen om Youp van 't Hek. Voor een goed begrip van de rabelaisiaanse humor, moet je toch enigszins het vermogen hebben je te verplaatsen naar een haast nog middeleeuwse, studentikoze wereld, beheerst als die werd door het christendom en verbale kunsten als de retorica, die aan de klassieken waren ontleend.

In Pantagruel komt een juridisch dispuut voor, waarin het naar de vorm om serieuze pleidooien gaat, maar inhoudelijk wordt er zulke evidente onzin verkondigd, dat je daar zelfs nu nog wel om kunt lachen, al kwam dat bij mij mede doordat ik moest denken aan de buitengewoon ernstige pogingen van de surrealisten om door middel van de écriture automatique verborgen lagen van het onderbewuste bloot te leggen. Je kunt ook aan een Kamer-debat denken. Ik bedoel maar: de onzin waarmee Rabelais ons opscheept, zijn idiote overdrijvingen, zijn lust om zich in poep en pies te verliezen (en zijn voornemen een uitgebreide studie over de gulp te schrijven) is aan ons in zekere zin wel besteed, als we zijn te gekke boeken maar in het licht van de geschiedenis zien.

Op een bepaald moment - er zijn ernstige studies over geschreven - is de onzin in de literatuur produktief geworden. Het verschijnsel greep om zich heen alsof er een nieuwe mogelijkheid was ontdekt om je uit te drukken. Alsof er een uitvinding was gedaan. Ik zou uit mijn blote hoofd niet zo een, twee, drie kunnen zeggen op wiens naam die uitvinding geschreven moet worden, maar dat Rabelais een gegadigde is, lijkt me wel zeker. Het zou aardig geweest zijn als de nieuwe vertaling van Gargantua en Pantagruel, die door Théo Buckinx werd gemaakt, van een nawoord was voorzien waarin wat meer over Rabelais, zijn tijd en het fenomeen humor was verteld, al was het maar om de indruk weg te nemen dat zo'n historische tekst voor de huidige lezer vanzelfsprekend is.

De lezer die met dit boek in handen voor het eerst aan Gargantua en Pantagruel begint, krijgt wèl steun van een flinke voorraad onmisbare noten. Bovendien is een chronologisch overzicht van Rabelais' leven en wapenfeiten opgenomen. Dat kan er mee door, al is het minimaal. De vertaling lijkt mij uiterst comfortabel leesbaar, zeker als je Buckinx' versie vergelijkt met die van J. A. Sandfort, die we kennen in de mooie AP-editie van 1956. Sandfort is hier en daar bloemrijk op het onbegrijpelijke af en soms wat gymnasiaal ouderwets in zijn taalgebruik. Voor een beter begrip van Rabelais' verhaal over 'de vechtlustige en gulzige reus Gargantua' en diens zoon Pantagruel zal de lezer veel aan Buckinx' vertaling hebben (Bert Bakker, ¿ 45,-).

'Er was eens een man, Albinus genaamd, die in Duitsland woonde, in Berlijn. Hij was rijk, respectabel, gelukkig; op een dag liet hij zijn vrouw in de steek voor een jonge maîtresse; hij had lief; werd niet liefgehad; en zijn leven eindigde rampzalig.'

Zo begint een tweede roman die ik, tussen allerlei komische schaatstochten door, de afgelopen dagen las, maar nog wonderlijker dan een dergelijk begin, is wat de schrijver daarop laat volgen: 'Dat is het hele verhaal.' Het hele verhaal? Maar waarom had ik dan een boek van 208 pagina's in handen? Moest ik na die eerste vijf regels nog wel verder lezen? Ja, dat moest en ik las: 'Dat is het hele verhaal en we zouden het er verder bij hebben kunnen laten, als aan het vertellen ervan geen profijt en plezier verbonden was; en hoewel een grafzerk ruimschoots groot genoeg is om, ingebonden in mos, de verkorte versie van een mensenleven te bevatten, zijn details altijd welkom.' (De vertaling is van Peter Bergsma.)

Wie zulke regels tot zich genomen heeft, gaat natuurlijk door, uiteraard omdat je benieuwd bent met welke 'details' Vladimir Nabokov - want hij is de schrijver van Een lach in het donker, de roman waaruit de geciteerde zinnen afkomstig zijn - zijn triviale plot zal gaan opsmukken en dat viel niet tegen.

Ik heb zelden een boek gelezen waarin zo evident niets oorspronkelijks aan de orde kòn komen en dat me zo mateloos vermaakte. Je leest een verzonnen schertsverhaal, dat zelfs door de schrijver niet au sérieux genomen wordt, en tegelijkertijd raak je nog onder de indruk van de tragische lotgevallen van die sullige Albinus ook!

Het heeft vanzelfsprekend geen zin als ik hier een verhaal dat door de schrijver zelf in de eerste zin al is samengevat, nog eens kort ga weergeven. Zo'n verhaal over een man in zeer goede doen, die een beetje uitgekeken is op zijn vrouw (en lelijke dochtertje) en verliefd, wat zeg ik, totaal buiten zinnen raakt van een ogenschijnlijk lieftallig snolletje en met haar naar het Zuiden reist om daar in het paradijselijke licht van de Méditerranée de ware hartstocht deelachtig te worden, zoé verhaal hoef je niet na te vertellen. Zeker niet als je ook nog weet dat de schone Margot haar èchte minnaar mee smokkelt op die verboden, alternatieve huwelijksreis en zij beiden - tot overmaat van ramp - elkaar beminnen in het bijzijn van de veelgeplaagde hoorndrager (die na een auto-ongeluk blind is geworden). Want wie zó'n verhaal navertelt, heeft niet goed begrepen wie en wat Nabokov in de veiling neemt.

Als voetbalkeeper, als student literatuur en vlinderkunde in Engeland en als schrijver van aanvankelijk weinig opgemerkte romans (totdat Lolita uitkwam!) had Nabokov heel goed door wat literatuur eigenlijk is. In zijn colleges in Amerika heeft hij daar fraaie dingen over gezegd, maar het mooiste is natuurlijk als je het talent hebt (zoveel talent als Nabokov had) om aanschouwelijk onderwijs in de letterkunde te kunnen geven.

Dat deed Nabokov niet alleen met Een lach in het donker, maar ook in Pale Fire (Bleek vuur), de 'roman' over de canto's van de Amerikaanse bard John Shade, die door dr. Charles Kinbote op geheel eigen wijze worden becommentarieerd, een subliem commentaar waarin de lezer net als in de Ideeën van Multatuli telkens weer aanzetten tot nieuwe romans en soms zelfs hele romans aantreft, alsof het bloed kruipt waar het niet gaan kan en de reflecterende geest bij het minste en geringste in de oeverloze ruimte van de herinnering en de fantasie tuimelt, - boeiend om als 'proces' te volgen.

De eerste druk van Bleek vuur verscheen in 1972 in de vertaling van Peter Verstegen. In zijn nawoord bij de nu verschenen editie in de reeks Verzamelde Romans van Nabokov maakt de vertaler gewag van de welwillendheid waarmee de kritiek Bleek vuur indertijd ontving. 'Maar', laat hij daarop volgen, 'de critici concentreerden zich in hun besprekingen op de complexiteit van het boek, waardoor de indruk kon ontstaan dat het slechts voor fijnproevers was bestemd, terwijl deze roman zo meeslepend is, zozeer een zinnelijk genot om te lezen, dat hij kan worden gerekend tot Nabokovs toegankelijkste werk.'

Dat laatste lijkt me wat overdreven, maar als het kan helpen om nieuwe lezers voor Bleek vuur warm te laten lopen dan heb ik niks gezegd. De vertaling is door Verstegen herzien en verbeterd, dus daar kan het niet aan liggen. Bleek vuur kost ¿ 51,90 en Een lach in het donker ¿ 43,90 (De Bezige Bij).

Ook Dada stak, soms bloedserieus, de draak met de literatuur (en de kunst in het algemeen). Een rebelse reactie tegen de opgeblazen, classicistische burgermanskunst. Nederland kreeg er een tik(je) van mee. Zie Holland Dada van K. Schippers. Bij de Amsterdamse uitgeverij Ravijn verscheen alweer een poosje gelezen een aardig boekje, dat hier mooi bij aansluit. Het heet Holland's bankroet door Dada en bevat 'documenten van een dadaïstische triomftocht door Nederland' van de hand van Theo van Doesburg en Kurt Schwitters. Hubert van den Berg bundelde ze en schreef een nawoord (¿ 24,90).

De Amerikaanse schrijfster E. Annie Proulx (1935) was, als ik het goed begrepen heb, volslagen onbekend in de Verenigde Staten toen zij in 1988 debuteerde met de verhalenbundel Heart Songs and Other Stories. Vorig jaar publiceerde De Geus een vertaling van haar roman Scheepsberichten over de onhandige slungel Quoyle die in Newfoundland als verslaggever van de Gammy Bird een nieuw leven begint. Proulx sleepte met dit boek in haar eigen land zowel de National Book Award 1993 als de Pulitzer Prize 1994 in de wacht, wat toch wel iets zegt.

Vol verwachting begon ik daarom aan haar tweede roman, die nu vertaald door Regina Willems is uitgekomen onder de titel Ansichten (Postcards). Waren het in Scheepsberichten de zeemansknopen uit het knopenboek van Ashley, die de hoofdstukken met elkaar verbonden, in Ansichten zijn het. . . inderdaad: ansichtkaarten (dat wil zeggen de tekstzijde daarvan). Die boodschappen, levenstekenen als ze zijn, begeleiden de tocht waaraan Loyal Blood tijdens de Tweede Wereldoorlog in Amerika begint, nadat hij woedend het primitieve boerenmilieu thuis is ontvlucht. In een vlaag van drift heeft hij zijn vriendin Billy vermoord.

Gaandeweg wordt de reis van Blood een aaneenschakeling van avonturen, ontberingen, gevaren èn herinneringen, waardoor Proulx er - meer dan in Scheepsberichten vind ik - in slaagt te blijven boeien. De primitiviteit, rampspoed en tegenslag die haar hoofdpersoon het hoofd moet bieden, krijgt door de manier waarop Proulx haar verhaal in korte, compacte scènes gestalte geeft iets zo overtuigends, dat je, zoals de Amerikaanse kritiek al gedaan heeft, kunt spreken van 'de keerzijde van The American

Dream'. Maar of zij met dit boek 'een magnifieke persiflage op de klassieke pioniersgeschiedenis, de trek van New England naar het westen' heeft geschreven, zoals de uitgever wil, ging er bij mij niet in. Misschien geeft deze of gene bespreker me daar 'harde bewijzen' voor. Dan kom ik erop terug (De Geus, ¿ 49,90).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden