Hulpgeld naar ondernemers, ten koste van wie?

Minister Ploumen presenteert haar beleid van ontwikkelingshulp plus handel met veel aplomb als de nieuwe koers, maar in het wereldje van de kenners en uitvoerders van ontwikkelingssamenwerking heerst veel scepsis.

KINSHASA - Roland Verbiest laat minister Lilianne Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zijn transportbedrijf zien. De Haagse ondernemer heeft zijn bedrijf Grand Pousseur opgezet voor vrachtvervoer in de regio. Hij woont en werkt net als zijn medewerkers in een container. Beeld anp

Een groot aantal van hen was op donderdag 11 april naar het tropeninstituut in Amsterdam gekomen om te debatteren over de zegens en manco's van het particuliere bedrijfsleven als nieuw troetelkind van ontwikkelingshulp. Follow the money, georganiseerd door het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT), het vakblad Vice Versa en het CFC (Common Fund for Commodities).

Vooraf belde ik met twee van de deelnemers om de stemming te peilen. 'Verwacht geen wonderen van het bedrijfsleven', zei Emily Darko van het Overseas Development Institute, sprekend vanuit de Britse ervaringen, maar ze gelooft wel in het nut van samenwerking.

Weinig nieuws onder de zon
Jeroen Kwakkenbos van Eurodad zag weinig nieuws onder de zon: het bedrijfsleven heeft altijd meegedaan en veel graantjes meegepikt. Dus van een keuze 'wel of niet met het bedrijfsleven' is helemaal geen sprake. De grote kwestie is: hoe? Hij heeft het onderzocht en opgeschreven in een sterk rapport: Private Profit for Public Good? Enkele conclusies: de westerse bedrijven profiteren verreweg het meest en deze stroom hulpgeld wordt slecht geëvalueerd en in de gaten gehouden.

In het Volkskrant-artikel vatte ik de dilemma's bij bedrijven en hulp zo samen: De meeste landen in Afrika maken een groeispurt mee, dat heeft niets te maken met ontwikkelingshulp. Waarom zou daar ook nog eens belastinggeld in moeten worden gepompt? En waarom zouden echte ondernemers eigenlijk aankloppen bij de veeleisende bureaucratie van ontwikkelingssamenwerking?

Antwoorden op die vragen werden ook op het symposium gegeven, of liever gezegd: verwoord als twijfels, dilemma's, en nieuwe vragen.

Voor minister Ploumen werd het woord gevoerd door haar 'ambassadeur voor de particuliere sector', Jeroen Roodenburg. Het was uniek dat hulp en handel nu bij één minister was ondergebracht, dat geeft veel kansen volgens Roodenburg.

Wel kon hij zich voorstellen dat de minister in het ene land vooral minister van Internationale Handel is (China of India) en in het andere juist in de eerste plaats minister van Ontwikkelingssamenwerking (arme landen, waarmee Nederland weinig handel heeft). Dan kun je je natuurlijk wel weer afvragen waar dan het voordeel van de combinatie is gebleven.

Veel geloof, weinig feiten
Er is teveel 'geloof' in het bedrijfsleven als motor van ontwikkeling, terwijl je van de minister harde feiten mag verwachten, stelde Bart de Steenhuijsen Piters van het KIT. Uit de meeste studies blijkt dat armen bijzonder weinig hebben aan het promoten van het bedrijfsleven, voor voedselzekerheid betekent het niets. We hebben het hier over belastinggeld, dus de besteding moet aan sociale eisen voldoen.

Dat is ook de stellingname van de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO), bij monde van Roos van Os. Hulpgeld zou helemaal niet naar bedrijven moeten vloeien, maar als er dan wordt samengewerkt, is strikte controle een vereiste, zei ze.

Gewoon failliet gaan
Haar opponent voor deze discussie André Dellevoet van AECF (African Enterprise Challenge Fund) gaf grif toe dat de bedrijfjes die zijn organisatie in Kenia helpt veel beter in de smiezen kunnen worden gehouden. Maar dat vergt veel organisatie. En in het echte vrije marktleven gaan slechte projecten gewoon failliet - in zijn Keniaanse portefeuille ook een flink deel.

Daar dook het grote verschil op in de werelden van het bedrijfsleven en die van de hulpverleners. De harde markt is de evaluatie bij bedrijven. Bij hulpprojecten is faillissement uitzonderlijk, steeds is er wel weer een potje om het leven te rekken, vaak tegen beter weten in. Niet de markt, maar duur betaalde consulenten moeten onderzoeken en bepalen wat de levensvatbaarheid is. Pas als de hulp ophoudt, donderen heel wat projecten alsnog in elkaar.

Dure evaluaties
Dat lijkt toch niet goed samen te gaan. De roep om evaluatie en monitoring wekt weerzin bij het bedrijfsleven, maar ook veel deskundigen uit de hulphoek hebben er hun buik vol van: het lijkt soms wel dat meer geld en energie verloren gaat aan dure evaluaties dan er bij de armen terechtkomt.

Het zou me niet verbazen als hulp de meest geëvalueerde sector in de wereld is. Het is een systeem dat zichzelf in stand houdt en de bijnaam 'ontwikkelingsmaffia' heeft gekregen.

Roos van Os (SOMO) en André Dellevoet (AECF); links achter gespreksleider Andrew Makkinga. Beeld ViceVersa

Op de vraag waarom subsidie aan het bedrijfsleven zou moeten worden gegeven in het kader van ontwikkelingssamenwerking kwamen uiteenlopende antwoorden.

Multinationals beïnvloeden?
Het zou multinationals kunnen sturen in de richting van socialer en duurzamer beleid. Het zou kunnen helpen geld uit het bedrijfsleven te halen voor ontwikkelingsprojecten. Het zou bedrijven die geen winst zien in bepaalde gebieden net over de streep kunnen trekken.

Maar de ervaringen zijn niet best, bleek ook uit de studie van Kwakkenbos. De PPP's, de privaat-publieke partnerschappen, bestaan al heel lang (minister Van Ardenne was er tien jaar geleden al erg van gecharmeerd), maar ze lijken meer op projecten dan op bedrijven: zonder subsidie houden ze ermee op, want ze waren vergeten winst te maken.

Het enige (en sympathieke) voorbeeld van het nut van subsidie gaf Koen Hamers van Agentschap NL, dat innovatieve investeringen in ontwikkelingslanden subsidieert. Het is juist zo inspirerend om kleine ondernemers uit Nederland en uit ontwikkelingslanden samen te brengen: die begrijpen elkaar. Die Nederlandse MKB'ers halen veel voldoening uit hun inspanningen, maar ze hebben zelf het geld niet om het contact en de advisering te bekostigen.

Helpers worden ondernemers
Maar de interessantste trend is niet die van ondernemers die interesse krijgen in hulp, maar van initiatieven vanuit de hulpwereld om zich te richten op het particuliere bedrijfsleven.

Ik zag daar een goed voorbeeld van in Angola bij de Development Workshop, die bijvoorbeeld een bank voor microkredieten en een timmerfabriek hadden helpen opzetten, waarvan DW aandeelhouder bleef na de verzelfstandiging. Hij wilde geen subsidie meer (die komt toch al mondjesmaat), maar leningen.

Op de dag in de kleine zaal van het Tropeninstituut (dat is het oude Soeterijntheater dat door bezuinigingen in Den Haag moest sluiten) werd dat geluid vertolkt door Thierry Sanders van BiD Network, dat het opzetten van bedrijven in ontwikkelingslanden ondersteunt met coaching en trainingen. Hij wil ook leningen in plaats van subsidie.

Voor kleine en middelgrote bedrijven in ontwikkelingslanden is het echter vaak niet eenvoudig leningen bij banken te krijgen - dan kunnen speciale fondsen soelaas bieden. Dan nog moet je accepteren dat 40 procent van de nieuwe bedrijfjes in een vroeg stadium ten onder gaan - zoals gebruikelijk op de vrije markt, zei hij.

Hij had nog een wijze les: we moeten ons ook niet blind staren op het bedrijfsleven en entrepreneurs, die zijn maar voor een deel van de ontwikkeling van belang - voor onderwijs en gezondheidszorg heb je er volgens hem weinig aan.

Wat vinden de Afrikanen?
Waren er nog deelnemers uit ontwikkelingslanden op het symposium en wat vonden die van deze kwesties? Paternalisme steekt al gauw weer de kop op in dit soort debatten: maar wat willen de Afrikanen voor samenwerking?

Chief Michael Bangura, een zakenman uit Sierra Leone, was toevallig in Nederland voor zaken en hij hield een toespraakje, waarin hij vooral ontwikkelingsgeld voor kleine entrepreneurs toejuichte.

Hij was ooit een kruimelende chauffeur van taxi's en vrachtwagens, maar had zich nu opgewerkt tot een grote ondernemer in de transportsector. Hij voerde ook vrachtauto's in. Met subsidie kon hij ook minder commerciële activiteiten ontplooien, zei hij. Trainingen aan jongeren, kleinere vrachtwagens inzetten die makkelijker de dorpen kunnen bereiken. Zo profiteerden ook de kleinere boeren van afzet van hun producten.

Op de gang trof ik Christoph Damalie, een Ghanees uit Amersfoort. Hij heeft een eigen ontwikkelingsorganisatie (ngo): Thirdway, Human Rights&Development. Damilie maakte zich wel wat zorgen over de hernieuwde voorkeur voor kleine ondernemers. Die subsidies uit de pot van ontwikkelingssamenwerking worden ergens anders vandaan gehaald, zei hij.

Hij vreest dat een mensenrechtenclub als de zijne het kind van de rekening wordt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.