Hulp & Vraag

Net terug uit Tunesië - moe, maar zeker niet levensmoe - tref ik tussen de post een pakketje van de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie....

STEPHAN SANDERS

De begeleidende brief is uiterst kort en luidt als volgt: 'Naar aanleiding van uw column van 11 maart stuur ik u hierbij ter informatie het boek Zelf Beschikt van dr B.E. Chabot.'

Dat is aardig en attent; eigenlijk veel aardiger dan ik verdien, want het had me niet verbaasd wanneer de Vereniging had geschreven dat ik eerst maar eens mijn huiswerk moest doen, voordat ik uitspraken deed over zaken waar ik geen verstand van had, en dat dit boek wellicht enig inzicht zou kunnen geven in een materie die mij kennelijk vreemd et cetera, et cetera.

Maar nee. De benadering is koel maar correct - dat laatste woord drukt precies de afgemeten beleefdheid uit.

In het bedoelde stukje had ik Chabot bekritiseerd, de psychiater die zijn patiënte Netty Boomsma (pseudoniem) drieënhalf jaar geleden de middelen verstrekte om zichzelf te doden, zonder dat deze vrouw overigens leed aan 'een ernstige lichamelijke (. . .) of psychiatrische ziekte', zoals Chabot zelf stelde. Zij wilde er een einde aan maken, en hij besloot, na kort twee maanden bedenktijd, haar daarbij te assisteren. Boomsma was immers 'wilsbekwaam', zoals dat heet, bij haar volle verstand.

Ik vind die laatste uitdrukking veel beter dan de eerste; niet alleen omdat ze minder naar jargon riekt, maar ook omdat de mogelijkheid van het 'lege verstand' er door wordt opgeroepen - en dat is niets anders dan het depressieve brein, waardoor volgens mij Boomsma geplaagd werd.

Het is wel verstandig, zo'n brein, maar dan volgens een eigen ontredderde en gemankeerde logica; en ik geloof niet dat het uitgerekend de taak is van psychiaters die te volgen.

Ik was overigens verre van de eerste om dat te vinden: vanaf het moment dat de Hoge Raad besloot dat Chabot 'aanvaardbaar' had gehandeld, hebben mensen als Emma Brunt, Hans Achterhuis en Willem Jan Otten zich met de zaak bemoeid: ik noem dat zo, omdat bemoeizucht het eerste woord is dat professionals te binnen schiet, zodra iemand het niet met ze eens is die tot een andere beroepsgroep hoort. Het debat verandert dan meteen in een competentie-kwestie: wie heeft zich nu eigenlijk gespecialiseerd in de doodswens, vragen de psychiaters met opgeheven kin. Wie is hier bekend met de dood?

Het antwoord moet natuurlijk luiden dat de doodswens inderdaad tot het vakgebied van de psychiatrie hoort, maar dat psychiaters van de dood net zoveel verstand hebben als vliegtuigbouwers van vogels.

In beide gevallen gaat het om een goedbedoelde benadering.

Wij zijn hier, levend en wel, per definitie als leken onder elkaar.

Zelf Beschikt, is een verslag van de gebeurtenissen die uiteindelijk geleid hebben tot de dood van Netty Boomsma, en het is tevens een poging van Chabot zijn handelen te verantwoorden. Ik had in verschillende artikelen al over het boek gelezen, maar de moedertekst zelf nog niet onder ogen gekregen.

Dat viel niet mee. Willem Jan Otten bijvoorbeeld, die gerust als een criticus van de psychiater mag gelden, vindt dat Chabot 'sober formuleert' en 'terughoudend vertelt'. Ik had hem graag gelijk willen geven, maar na lezing kan ik alleen maar concluderen dat Chabot sober en terughoudend formuleert in vergelijking tot Netty: zij probeert hem door middel van brieven en gesprekken ervan te overtuigen dat ze 'geholpen' moet worden, en dat doet ze op een geëxalteerde, zo goed als punctieloze wijze: 'Ik wil je wat vertellen dat zal je wel begrijpen. (. . .) Het verdriet de wanhoop alles is zo vreselijk. Wat wie en waarom wordt/is dit alles.'

Elk weerwoord van Chabot klinkt na dit zielsoproer gedistantieerd, al was het alleen maar omdat de man komma's weet te plaatsen; dat is ook wel het minste wat je mag verwachten, want hij is tenslotte psychiater, zij z'n patiënt en het moest er nog bij komen dat hij haar zou antwoorden met: 'Ik wil je wat vertellen ik wil je helpen je wanhoop je verdriet is zo vreselijk ook voor mij.'

Maar ook Chabots observaties zijn warrig en allerminst afstandelijk. De eerste keer dat Netty zich in zijn spreekkamer meldt, stelt ze hem de vraag: 'Wil je mij middelen geven om met zekerheid dood te gaan.'

Chabot schrijft: 'Op papier leest dat misschien dreigend, maar zoals zij het zegt klinkt het als een open vraag.'

Ik kan natuurlijk niet oordelen over de exacte toonzetting omdat ik er niet bij was, maar hoe je het ook wendt of keert, de vraag is net zo min open als 'Kan je me zeggen waar het pistool ligt' of 'Wil je met me naar bed'.

Ander voorbeeld: wanneer Chabot uiteindelijk aan Netty vertelt dat hij besloten heeft haar de middelen te geven 'vliegt zij overeind en pakt mij vast, huilend en schokkend over haar hele lichaam'. Dat is een heftige, ja bijna levenslustige reactie voor iemand die uitgeblust is en opgebrand. Chabot lijkt dat ook te beseffen, en haast zich eraan toe te voegen dat Netty 'bij het bespreken van dit alles een volstrekt rustige indruk maakt'.

Het lijkt erop dat Chabot hoe dan ook moest bewijzen dat Netty te allen tijde gezond was of 'wilsbekwaam', zoals de regel voorschrijft, en dat hij als psychiater zich op geen enkele manier door haar heeft laten chanteren.

In beide gevallen is mij het ijs te dun om op te schaatsen.

Maar het meest ben ik geschrokken van het hoofdstuk 'Overwegingen', waarin Chabot zichzelf de vraag stelt of Netty Boomsma een psychiatrische patiënt is:

'Het onderscheid tussen ziekte en stoornis (. . .) wordt in belangrijke mate door onze cultuur ingevuld. Homoseksualiteit bijvoorbeeld werd nog slechts dertig jaar geleden door psychiaters als een 'seksuele stoornis' beschouwd, nu als een normale variant van de seksuele voorkeur. Zo kan ook de keuze voor de eigen dood vandaag de dag soms ten onrechte als een aanwijzing voor ziekte bestempeld worden.'

Het is nog niet eens eenvoudig te beslissen waar je moet beginnen deze warboel te ontrafelen; het ligt misschien voor de hand erop te wijzen dat zelfs in de tijd dat Nederlandse psychiaters meenden dat homoseksuelen ziek waren, de meesten dat niet met de dood hoefden te bekopen.

'Ja, een erge ziekte', zou Gerard Reve verzuchten 'maar je kan er nog stokoud mee worden.'

Dat nu kan Netty Boomsma hem niet nazeggen.

Maar Chabot heeft nog om een andere reden de verkeerde vergelijking getrokken; want de vraag is niet of Netty's doodswens gerechtvaardigd was - dat lijkt me voor niemand vast te stellen - maar of hij haar daarbij van dienst moest zijn.

Met andere woorden: er komt een man bij de psychiater die hem ervan probeert te overtuigen dat hij homo is. Als dat de man gelukt is, kent hij nog maar een verlangen:

'Nu wil ik het doen ook. En u moet me daarbij helpen.'

Waarna de psychiater besluit het bed met de man te delen.

Dat is in het kort wat B.E. Chabot heeft gedaan.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden