Hulp aan gewelddadige Palestijnen ter discussie

De Palestijnse intifada stelt de donorlanden voor een dilemma. Ze proberen het vredesproces financieel te ondersteunen, en daarom willen ze de geldkraan liever niet gebruiken om de Palestijnen onder druk te zetten....

De Duitse minister van Buitenlandse Zaken zou Yasser Arafat het afgelopen weekeinde zelfs hebben bedreigd met het intrekken van de zo cruciale hulp als hij niet akkoord ging met een staakt-het-vuren. Politieke overwegingen hebben de discussie over de hulp al eerder gekleurd, maar er zijn ook veel praktische obstakels, zeker sinds het uitbreken van de gewelddadigheden.

Commandant Castro Salameh van de Palestijnse Speciale Politie in Nablus zit mismoedig op een plastic stoel temidden van het puin van wat ooit zijn barak was. De dikke muren van het oude Arabische gebouw zijn aan één kant weggeblazen door de bom van een Israëlische F 16.

Dat gebeurde na de zelfmoord;aanslag in Netanya, tweeënhalve week geleden, waarbij vijf Israeli's werden gedood. In de barak in Nablus markeren kransen en gesmolten kaarsen de plaats waar elf agenten om het leven kwamen. 'Waarom waren wij nou het doelwit, we hielpen de Israëli's juist', klaagt Salameh.

De speciale eenheid in Nablus hield zich voornamelijk bezig met oproerbestrijding. Een rol die door de internationale gemeenschap als cruciaal werd beschouwd voor het vredesproces. Dat was ook een van de redenen dat de Nederlandse regering hielp bij de opleiding van de agenten.

Ruim een week voordat de barak werd vernietigd had een Nederlandse delegatie in het zelfde gebouw nog gesprekken gehouden over voortgang van de hulp onder de moeilijke omstandigheden van de intifada, vertelt Salameh.

'Sinds het begin van de intifada is er geen hulp meer mogelijk geweest', aldus de commandant. Hij was daarom juist zo verheugd over het Nederlandse bezoek. Er werd onder meer gesproken over de mogelijkheid om agenten in het buitenland te trainen, zoals in het verleden ook al was gebeurd. De Israëlische afgrendeling van de Palestijnse gebieden maakt het trainers en hulpverleners immers moeilijk om naar de Palestijnen toe te komen.

De evaluatie die de Nederlandse delegatie uitvoerde is kenmerkend voor wat er over de hele linie gebeurt. Alle donoren bekijken hoe de hulp onder de huidige omstandigheden kan worden voortgezet en of er geen tijdelijke verschuivingen moeten plaatsvinden in de geldstroom om beter te kunnen inspelen op de nieuwe behoeftes.

Volgens Mohammed Samhouri, economisch adviseur van het Palestijnse ministerie van Planning en Internationale Samenwerking, heeft de Palestijnse Autoriteit als gevolg van de intifada vooral een groot tekort aan geld om de lopende rekening te betalen. De Arabische landen springen al bij en de Europese Unie heeft geld beloofd, maar slechts op voorwaarde dat er strikt toezicht op wordt gehouden. De donorlanden hebben slechte ervaringen met directe begrotingsondersteuning, omdat die vermoedelijk nogal eens in de verkeerde Palestijnse handen is terechtgekomen.

Volgens Samhouri komt de Palestijnse Autoriteit na de hulp uit de Arabische landen en de EU nog steeds zo'n tien miljoen dollar per maand tekort. Onder meer aan Noorwegen en Nederland is gevraagd om bij te springen.

De discussie over de toekomst van de donorgelden is cruciaal voor de Palestijnse Autoriteit, die al vanaf het begin, in 1993, overeind wordt gehouden door internationale hulp.

Volgens Samhouri is de donorhulp, zo'n 400 miljoen dollar per jaar, tot een schijntje verminderd als gevolg van de intifada. Het geld werd vooral besteed aan de infrastructuur (water en riolering), de opbouw van instituties als de politie, en aan gezondheidszorg en onderwijs. De EU en de individuele lidstaten leveren de grootste bijdrage.

Voorzover Samhouri kan vaststellen, is de meeste hulp slechts opgeschort uit praktische overwegingen, zoals de onveiligheid en de afgrendeling van Palestijnse gebieden door Israël. Hij weet niet van 'politieke beslissingen' om bepaalde gevoelige projecten te staken.

De buitenlandse donoren zelf doen nauwelijks een mond open over hun plannen met de hulp. 'Alles ligt ook zo gevoelig', zei een betrokkene, 'je stuurt zo makkelijk een verkeerd signaal aan een van beide partijen, bijvoorbeeld dat de Palestijnen gestraft worden voor de intifada.'

Dat is volgens sommige Palestijnen echter precies wat er al vanaf het begin aan de hand is. 'De donorlanden hebben meteen al gezegd dat ze niet willen meebetalen aan de intifada', beweert een waarnemer die goed zicht heeft op de coördinatie van de hulpstroom. 'Dat gebeurde allemaal binnenskamers, want het mocht vooral niet uitlekken welk land zo'n standpunt inneemt.'

Een van de getroffen projecten is de haven die met hulp van Nederland zou worden gebouwd in Gaza. 'Het is gewoon te groot en te politiek beladen om onder de huidige omstandigheden door te gaan', zegt een van de coördinatoren van de hulp.

Israël heeft vanaf het begin al gestaan op strikte veiligheidsafspraken omtrent de haven. Toen een paar weken geleden een boot werd onderschept met wapens voor de Palestijnse Autoriteit, werd in Israël openlijk gezegd dat er opnieuw naar de haven moet worden gekeken.

Een andere kwestie waar de donorlanden zeer nerveus van worden is de Palestijnse politie. De veiligheidsdiensten van de Palestijnse Autoriteit werden, zelfs door Israël, gesteund om ze in staat te stellen hun verplichtingen na te komen. Nu schieten sommige van die zelfde diensten op de Israëli's.

'Mijn agenten hielden juist de demonstranten weg van de Israëlische legerposten, opdat het niet tot confrontaties zou komen', zegt commandant Salameh in Nablus verongelijkt. Andere eenheden van de Palestijnse politie- en veiligheidsdiensten zijn echter wel degelijk actief betrokken bij de strijd, tot schrik van de donorgemeenschap.

Sommige landen zijn bang voor pijnlijke situaties, meent de speciale adviseur van de EU bij de Palestijnse veiligheidsdiensten, Nils Ericson. Hij doelt onder meer op Nederland en Zweden. Alle schijn van steun aan organisaties die op Israëli's zouden kunnen schieten, moet worden vermeden.

Volgens Ericson, die zich vooral bezighoudt met het programma voor terrorismebestrijding Coter, komt die druk echter meer uit de nationale parlementen dan uit het veld. 'We hebben er bij Coter over gesproken en voorlopig is de conclusie dat we beter betrokken kunnen blijven, om zo onze invloed te behouden. Trouwens, op een dag, als de intifada voorbij is, zullen we alles toch weer van de grond af moeten opbouwen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden