Huisvriend uit één stuk

Extreem is het verschil tussen de boerenhuiskamer uit de jaren vijftig en de 'radicale flat' van Rietveld uit diezelfde tijd....

Zo open als Rietvelds overbekende rood-blauwe armstoel uit 1923 is, zo gesloten is de stoel die Marti Guixé in 2001 ontwierp. Van Private is in eerste instantie niet meer dan een plaat multiplex te zien, op een halve meter van de wand. Pas van dichtbij blijkt daarachter een zitting schuil te gaan, geklemd tussen multiplex en muur. Rietvelds stoel opent de tentoonstelling Ideaal!wonen in de Stallen van het Centraal Museum in Utrecht, die van Guixé sluit de expositie af.

Streng zijn beide stoelen, gemaakt van hetzelfde materiaal, maar wat de ontwerpers er mee willen, is radicaal verschillend. Waar Rietveld zocht naar een vorm die de ruimte zo veel mogelijk intact zou laten, koos Guixé voor een hyperindividualistische stoel die bijna uitschreeuwt dat de gebruiker nou eindelijk eens met rust gelaten wenst te worden.

Verschillende vormgevers, verschillende ideeën over wat een meubel moet zijn. 'De meeste mensen denken over meubelen in termen van mooi en lelijk. Ik hoop dat wie hier geweest is, beseft dat vrijwel alle meubelen ontstaan vanuit een bepaalde opvatting over hoe de mens leeft en woont', zegt Ida van Zijl, een van de samenstellers van de tentoonstelling.

Van Zijl en haar collega's groepeerden meubelen - vooral stoelen - in thema's die min of meer chronologisch tonen hoe de opvattingen over 'ideaal wonen' in de loop van de twintigste eeuw veranderen, van het modernisme in de eerste helft van de eeuw (de strenge, geometrische vormen van De Stijl, de buismeubelen van Bauhaus), tot de reactie daarop in de tweede helft van de eeuw (de speelsheid van de hippie-jaren, de biomorfe vormen in de jaren tachtig, het individualisme van de jaren negentig).

Elke groep kreeg zijn 'icoon', een meubel dat model staat voor een bepaalde stroming. Ze zijn neergezet op een verhoging. Daaromheen staan, op iets lagere plateaus, de meubelen van ontwerpers die door hetzelfde gedachtengoed werden geïnspireerd, terwijl op de kale vloer stoelen staan waarop de bezoeker desgewenst mag gaan zitten - nieuwe uitvoeringen van de Rietveldstoel of van Le Corbusiers chaise longue LC 4, of een van de vele exemplaren van de Frosta, de schaamteloze kopie die Ikea-designer Gillis Lundgren in de jaren zeventig maakte van het krukje no. 60 dat de Fin Alvar Aalto in 1932 uit gebogen blank hout ontwierp.

Dat Ikea-krukje staat er niet voor niets. Het gaat de samenstellers er niet alleen om de idealen van steeds nieuwe groepjes pioniers te laten zien. Ook de verwaterde vorm van het vooruitstrevende gedachtengoed, de massaproducten zoals die hun weg naar menig interieur vonden, staan op de tentoonstelling te kijk. In de woorden van museumdirecteur Sjarel Ex in zijn inleiding in de catalogus gaat het erom 'het slagveld te zien tussen droom en realiteit, tussen origineel en massaproduct, oftewel, tussen de utopie en het gebruik daarvan door u.'

Naast de rood-blauwe Rietveldstoel, 'icoon' van De Stijl, staat daarom pontificaal op hetzelfde plateau de witte kunststof tuinstoel van de firma Hartman, die voor een euro of vijf bij Blokker te koop is, en waarvan sinds 1975 wereldwijd al meer dan 500 miljoen exemplaren zijn verkocht. Hartman, moet die nevenschikking zeggen, heeft bereikt waarnaar Rietveld streefde: een product te maken voor de massa.

Want Rietveld zocht niet alleen naar een transparante vorm, hij zocht ook een stoel die machinaal, dus relatief goedkoop, te vervaardigen zou zijn, opdat ze beschikbaar zou komen voor iedereen.

Dat is nooit gelukt - de Rietveldstoelen bleken niet zo eenvoudig te produceren, ze waren te avant-gardistisch om gewild te zijn, en lekker zitten doen ze ook al niet. Tegenwoordig heeft de Italiaanse firma Cassina, gespecialiseerd in designklassiekers, ze in productie, maar dan moet er rond 2000 euro voor worden neergelegd - een veelvoud van wat Ikea voor een eenvoudige stoel rekent.

De Hartmanstoel staat opnieuw op een ereplaats tussen de 'stoelen uit een stuk', en opnieuw is de rechtvaardiging dat de stoel zo geslaagd is als massaproduct. Niet het idee, maar de vertaling ervan naar een groot publiek wordt hier beloond. De Hartmannen, de Ikea's, de Jan des Bouvries (wiens witte kubusbank uit 1969 wordt getoond) konden wat een Rietveld niet lukte: zij bereikten de massa.

De uitverkiezing van de Hartmanstoel is niettemin licht provocerend. Kwantiteit wordt kwaliteit, want moeilijk kan worden volgehouden dat de tuinstoel het 'moederontwerp' is: de 'afgeleide' meubelen eromheen dateren stuk voor stuk uit een eerder tijdperk, er werd al sinds de jaren dertig met stoelen uit een stuk geëxperimenteerd. De zigzagstoel van Rietveld komt uit 1932 (hij smokkelde door er vier planken voor te gebruiken), de houten stoel van Verner Panton uit 1956, de rode kunststof stoel van dezelfde ontwerper uit 1958-1967.

Die buitengewone aandacht voor een ordinaire tuinstoel of voor het democratic design waar Ikea mee schermt, heeft als doel bezoekers te prikkelen, ze het museum in te trekken uit nieuwsgierigheid naar de museale kwaliteiten van wat ze thuis hebben staan.

Als deze tentoonstelling iets wil zijn, is het laagdrempelig. Om een zo breed mogelijk publiek te interesseren, ligt de catalogus overal te koop, als bijlage bij het oktobernummer van het tijdschrift Elle Wonen. In de filialen van Ikea, een van de sponsors, hangen posters om de tentoonstelling aan te kondigen. Ook zijn er buitenmuseale activiteiten: in de Vinex-locatie Leidsche Rijn stond tot eind september het kunstenaarsduo Orgacom klaar om Eerste Hulp Bij Inrichting te verstrekken, en het Centraal Museum is vertegenwoordigd op de woonbeurs in de RAI in Amsterdam.

Toch is de realiteit zoals je die thuis kunt zien niet het aardigste onderdeel van de tentoonstelling. Dat blijft de opeenvolging van ideeën in hun pure vorm, en de reactie en tegenreactie die zo zichtbaar worden gemaakt.

Functioneel moest het meubilair zijn in de eerste helft van de twintigste eeuw, en die functionaliteit kon op verschillende manieren worden bereikt. Rietveld en zijn navolgers binnen De Stijl beschouwden het interieur als een 'totaalkunstwerk', als een ideaal, harmonisch omhulsel voor de mens. Zij streefden naar zuiverheid, naar geometrische vormen en primaire kleuren. Het Bauhaus, de architectuuropleiding in Weimar, experimenteerde rond diezelfde tijd met gebogen buizen, met moderne materialen als glas en staal, en met een voor het interieur ongekende kleur als zwart - de achterpootloze buisstoel S33 van Mart Stam (1926) is in Utrecht het icoon van die stroming. In Frankfurt, waar in de tweede helft van de jaren twintig een grootschalig volkshuisvestingsproject werd opgezet, moesten meubelen degelijk, hygiënisch, goedkoop te produceren en vooral efficiënt zijn. Als voorbeeld van die visie is in Utrecht de standaardkeuken te zien die Piet Zwart in 1935 ontwierp nadat hij nauwkeurig had opgemeten welke ruimte een huisvrouw nodig had.

Al die industriële materialen leidden tot hernieuwde belangstelling voor hout, dat organischer en 'warmer' werd geacht. De gebogen houten fauteuil Paimo die Alvar Aalto in 1931 ontwierp voor het sanatorium in de gelijknamige Finse stad bestaat helemaal uit ronde vormen. Toen Aalto de opdracht kreeg het sanatorium in te richten, had hij aan buismeubelen gedacht, maar bij nader inzien vond hij die 'psychologisch te hard' voor zieke mensen.

Tot ver in de jaren vijftig lag de nadruk op efficiëntie, op de praktische waarde van de inrichting, op het zo goed mogelijk gebruik maken van de ruimte - de woningnood uit die jaren was daaraan niet vreemd. Op de tentoonstelling zijn fragmenten te zien uit Polygoonjournaals over meubelbeurzen. Jaar na jaar keert een stevige fascinatie terug voor meubelen die op verschillende manieren gebruikt kunnen worden: drie stoelen die (altijd 'in een handomdraai') veranderen in een bank, een hoge tafel die ook dienst kan doen als bijzettafel. 'De functionele vormgeving is thans algemeen aanvaard', stelt de gedragen commentaarstem bij een verslag van een meubelexpositie in de Rotterdamse vestiging van de Bijenkorf, in 1961.

Op een inmiddels tamelijk hilarisch voorlichtingsfilmpje, dat het ministerie van Landbouw in de jaren vijftig liet maken, wordt boeren geleerd hun huis in te richten. Want het vee mocht goed worden gehuisvest, er was 'te weinig aandacht voor het gezin'. De voorbeeldhuiskamer, in de Noordoostpolder, staat vol met zware meubelen, en is gestoffeerd met een overdadig behang en een druk bebloemde vloerbedekking. Dat gaat er allemaal uit, wat de kamer 'veel ruimer en veel plezieriger' maakt, 'doelmatiger' ingericht, 'eenvoudiger en vooral met meer ruimte op evenveel vierkante meters'.

Nog in 1958 presenteerde Rietveld zijn 'radicale flat' in het Nederlandse paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Brussel. Op een oppervlakte van negen bij negen meter zag hij plaats voor een woonkamer, een kitchenette, een natte cel en twee slaapkamers, die hij zo doelmatig mogelijk inrichtte, met eigen en andere Nederlandse ontwerpen, zoals Bruynzeelkasten, Aupingbedden en tafels van Gispen. De enige frivoliteit die hij zich veroorloofde, was een gekleurde baan in de vloerbedekking en het behang. Uiterst funcioneel was die radicale flat, maar een dikke veertig jaar later oogt hij vooral saai.

Natuurlijk kwam er een reactie op die nadruk op het functionele, en ook dat laat het Centraal Museum zien. Eerst was het verzet nog oppervlakkig, met speelgoedachtige meubelen: de zitzakken, de opblaasstoelen, de kunststof trolleys op wieltjes uit de jaren zestig. Vrolijke meubelen, maar nog steeds meubelen die in de eerste plaats bedoeld waren voor gebruik.

In de jaren tachtig verandert dat. Meubelen zijn niet langer uitsluitend nuttig, bruikbaar, functioneel, ze worden dingen om van te houden, een soort huisdieren, waarmee de eigenaar een persoonlijke band kan onderhouden. Het icoon van die ontwikkeling is de kleurige, open kast Carlton van Ettore Scottsass, uit 1981, een kast als een totempaal, met een mannetje erbovenop. Philippe Starck gaat nog verder met een kitscherig krukje in de vorm van een kabouter die een boomschijf boven zijn hoofd houdt, Allen Jones laat een bedrieglijk echte halfnaakte dame een glazen tafelblad dragen. Ook de vormgeving van de Alessi-spullen in een vitrine aan de wand past bij deze biomorfe opvatting: de kurkentrekker, Anna G, die op een vrouwtje lijkt, een flessenopener als een lachend duiveltje, een dienblad met een rand waaruit dansende mannetjes zijn gestanst.

Tegen het einde van de tentoonstelling staan meubelen waarin een belangrijke rol is weggelegd voor hergebruik - niet, of niet uitsluitend uit milieuvriendelijke overwegingen, maar ook om van elk object een unicum te maken. Zoals de (peperdure, want unieke) schots en scheve stapeling van tweedehands laden, You can't lay down your memory, die Tejo Remy in 1991 maakte. Die is zo functioneel als Rietveld zich maar kon wensen: in een kast met allemaal verschillende laatjes is in een oogopslag te zien waar je je spullen hebt opgeborgen - de liefdesbrieven in het roze laatje, de bankafschriften in de metalen la. Maar een massaproduct is zo'n kast per definitie niet.

Een kijkje in de toekomst wil de deeltentoonstelling Smart Alice geven, in de Rietveldvleugel aan de overkant van het museum. Daar is het Bed in business van Hella Jongerius te zien, een bed met computers aan het voeteneinde, of de autarkische keuken ontworpen door Buro Schie 2.0 uit Rotterdam, die water zuivert via een plantenbak, of de sensorgestuurde grasmaaier van Husqvarna, een aandoenlijk blind robotje dat met grote accuratesse obstakels en randen waar het af kan vallen vermijdt, zodat het voor de duur van de tentoonstelling gevangen zit op een veel te klein plateau zonder gras.

Gaan we de kant op van de smart technology, of die van recyling en duurzaamheid? Wie op de hoofdtentoonstelling in de Stallen Verner Pantons toekomstvisie uit 1970 heeft gezien, zal die vraag niet durven beantwoorden. Op de Visiona die de firma Bayern tussen 1968 en 1971 liet inrichten op de meubelbeurs in Keulen presenteerde Panton zijn Phantasy Landscape, een baarmoederachtige ruimte, met gedempt licht en zachte bekleding tegen vloer, wanden en plafond. In 2000, wist Panton, werd er in huizen gekookt noch gewassen, ze werden uitsluitend nog gebruikt om er te luisteren naar muziek, te kijken naar films, om er te praten en, natuurlijk, voor erotiek.

Van dat toekomstvisioen is weinig overgebleven. Het modernisme, waarop het een reactie was, is daarentegen wel degelijk doorgesijpeld in de interieurs van nu, waar barokke, vergulde krullen en overdadig houtsnijwerk nauwelijks meer te vinden zijn. De witte bank van Jan des Bouvrie, het houten krukje van Ikea kunnen symbool staan voor de definitieve overwinning van het modernisme in het interieur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden