Hubert-Jan Henket

Hubert-Jan Henket werkt als een van de zeven uit verkoren architeC-ten aan plannen voor de verbouwing van het Rijksmuseum. 4 APRIL VALT DE BESLISSING....

Zoals afgesproken, verwittigt Hubert-Jan Henket (60): 'Zullen we het niet over het Rijksmuseum hebben.' Hij is een van de zeven architecten, vier buitenlandse en drie Nederlandse, die meedingen in 'de Rijksmuseum-prijskamp', de strijd om wie de opperbouwmeester wordt van de nationale schatkamer aan de Stad houderskade in Am ster dam. Zijn plannen en zijn herinrichtingsconcepten wil hij eerst laten zien aan de jury.

'Het is een gebouw dat moet worden opgeschud, dat staat vast', zei Henket tegen Vrij Nederland toen hij van de rijksbouwmeester een briefje kreeg dat hij was uitgekozen. 'Het museum is dichtgegroeid; het kan veel toegankelijker, veel opener.' In de loop der tijd heeft het museum door het dichtbouwen van de binnenplaatsen een onoverzichtelijk, labyrintachtig karakter gekregen. Het maakt een duistere, soms zelfs bedompte indruk. De hoognodige renovatie van het rijks museum gebouw, waarvoor 445 miljoen gulden wordt uitgetrokken, werd in september 1999 door de Tweede Kamer uitgeroepen tot millenniumproject. Staatssecretaris Rick van der Ploeg zette het, naast de hsl-stations en de magneetzweeftrein, op de lijst van negen Neder landse Grote Projecten voor de komende tien jaar.

Maandag 13 juli 1885 galmden bij de opening in Pierre Cuypers' monumentale museumgebouw hooggestemde woorden: 'Ons Rijks museum wordt een tempel nu 't heel een natie op zijn drempel tot kunstgenot te samen roept.' Ook toen was, onder vier architecten, een prijsvraag uitgeschreven. Na veel bakkeleien en grimmige debatten kreeg Cuypers de opdracht. Toen hij werd benoemd, schreef hij aan de secretaris van het bouwcollege, Victor de Stuers, dat 'er goddank dan eindelijk een einde is gekomen aan die benauwde Museum-quaestie!'

Het is nu niet anders. In 1985 bestond het Rijksmuseumgebouw honderd jaar. Henk van Os, die toen nog geen directeur was, hield de feestrede. Badinerend stelde hij voor het gebouw, dat dringend gere noveerd moest worden, een andere bestemming te geven. Maak er een Rijksbuurthuis van, zei Van Os, 'onbekommerd sjoelbakken in de eregalerij, pingpong in de Druckerzalen, Blijf van mijn Lijf in het Aziatisch porselein en nvsh-stoeigroepen in de afdeling Nederlandse Geschiedenis.'

Desnoods moet het Rijks worden gesloopt, luidde onlangs een stelling in Het Parool over de toekomst van het museum, 'laten we met dit geld een nieuw, open en vooral minder katholiek museum bouwen.' De Cuypers-geschiedenis herhaalt zich. Op dinsdag 7 februari debatteerden enkele honderden deskundigen en geïnteresseerden over het Rijksmuseum tijdens een 'officieel debat' in de Beurs van Berlage en een 'alternatieve bijeenkomst' in Felix Meritis, iets verderop aan de Am ster damse Keizersgracht. Het museum en het ministerie hebben een 'debatboekje' samengesteld met honderd, soms bizarre, stellingen over de toekomst van Nederlands schatkamer. De veertigste is van beeldend kunstenaar en schrijver Jan Wolkers. 'Hoewel ik de Van Nel le-fabriek te Rotterdam heel wat boeiender vind dan het Rijks muse um, dat bakstenen droogboeket', schrijft Wolkers, 'zou ik toch niet graag zien dat het uitgebreid wordt met moderne architectuur, een symbiose die maar al te vaak de indruk wekt dat er een botsing heeft plaatsgevonden tussen een jongejuffer en een robot.'

Intussen werkt het bureau van Hubert-Jan Henket, in de luwte ergens in de bossen tussen Boxtel en Esch, aan de plannen voor Het Nieuwe Rijks museum, zoals het project gedoopt is. Op verzoek van de museumdirectie maakte architect Hans Ruijssenaars al in 1995 de eerste ontwerpschetsen van het Masterplan. Directeur Ronald de Leeuw veegde die plannen van tafel. In 1999 werd Ruijssenaars van de ene op de andere dag ontslagen. Aanvankelijk vreesde een beduusde Ruijs se naars 'dat De Leeuw vooral gefascineerd was door jetset-architecten'. Voor de grote verbouwing doken na zijn vertrek de namen op van een Frank Gehry of een Daniel Libeskind. Maar uiteindelijk werden zeven andere architecten gevraagd plannen en ideeën te ontwikkelen voor het museum met als dwingende opdracht: keer terug naar Cuypers!

Henket houdt niet van overdonderende gebouwen. Less is more, vertelt hij in een in 1999 door de nps gemaakt televisieportret, De man van staal, glas en hout, een documentaire van Niels Cornelissen. Voor zijn gehele oeuvre kreeg hij dat jaar de prijs van het Prins Bernhard Cul tuurfonds voor toegepaste kunst en bouwkunst. In 1969 studeerde Henket cum laude af bij zijn leermeester Aldo van Eyck aan de afdeling bouwkunde van de TH in Delft. 'Ik ben in de familie de vierde generatie Delftenaar. Die ingenieurskant zit er toch wel in. Mijn vader werkte bij De Staatsmijnen. De manier waarop wij hier in het bureau met architectuur omgaan, heeft veel met ingenieurskunst te maken. Wij proberen de schoonheid van het gebouw te vinden in de manier waarop je je materialen detailleert. De esthetiek komt uit de haalbaarheid van de techniek. Waar ligt de grens? Wat is er technisch mogelijk? De logica van het ding wordt bepaald door zijn technische eigenschappen. Ik ben het niet eens met oude modernisten die zeggen: functie is de reden, techniek is het middel en vorm is het resultaat. Dat is niet zo. Je manipuleert de vorm wel degelijk. De vorm is niet het resultaat, vorm is meer dan dat, want je gebruikt je techniek omwille van een esthetische beleving, dat is uiterst belangrijk in architectuur. Alleen is de vraag: hoe doe je dat? Wij hier ontlenen dat aan functie en techniek, aan materiaaleigenschappen die wij zo veel mogelijk uitbuiten. Daarom proberen wij elke vorm van decoratie achterwege te laten om een zo evenwichtig en ook functioneel mogelijk ding te maken.'

Hij kreeg de prijs van het Prins Bernhard Cultuurfonds voor de manier waarop hij oud en nieuw met elkaar weet te verzoenen, een nieuw gerechtsgebouw in de oude binnenstad van Middelburg, de aanbouw bij het Haarlemse Teylers Museum, het Utrechtse Catharijne Con vent en het Arnhems Gemeentemuseum, de verbouwing van het Singer Museum in Laren en de uitbreiding van het Rotterdamse Mu se um Boijmans Van Beuningen. 'Ik vind, in tegenstelling tot mensen als Rem Koolhaas die zegt: fuck the past en fuck the context, dat juist het verleden en de context uiterst belangrijk zijn. Tachtig jaar geleden was alles verburgerlijkt, je had klassen die geen rechten hadden, er was geen medezeggenschap voor vrouwen. Dat je dan zegt: tabula rasa, gooi het verleden maar helemaal weg, het is afgelopen en we beginnen opnieuw, dat klinkt heel logisch. En het is ook spectaculair dat dat ooit gebeurd is.

'Maar om daarmee nu door te gaan, om maar te blijven roepen dat het verleden niet belangrijk is, dat is ook weer niet waar. In een samenleving die steeds dynamischer wordt, hyperdynamisch, worden alle begrippen van ruimte en tijd op hun kop gezet. Het wordt allemaal anders, en dan heb je steeds meer behoefte aan een genuanceerde beleving van ruimte en tijd zoals je die vroeger kende. Ik vind dat de context, juist in een globale wereld, de mens terugbrengt naar het lokale, naar de plek, naar de betekenis daarvan in het leven. Dus ik vind dat je respect moet hebben voor het oude. Vervolgens ben je natuurlijk bezig met het nieuwe, omdat alles permanent in beweging is, alles verandert, de vragen zijn anders, de gegevens zijn anders, je wilt het anders. Democratie is de kern van verandering, las ik ergens. Een dictatuur wil dat niet, daar is alles statisch. Je moet naar het verleden luisteren, ga daarmee niet in concurrentie. Probeer daar iets nieuws bij te zetten, de som beter te laten zijn. Dat is een nieuw soort architecturale poëzie: zonder het oude begrijp je het nieuwe niet, zonder het verleden geen moderniteit.'

Voor de Volkskrant maakte Henket ooit een lijstje van de tien belangrijkste bouwmeesters van de afgelopen eeuw. Bovenaan Jan Duiker, wiens Sanatorium Zonnestraal 'een van de hoogtepunten in de architectuurgeschiedenis is'; op de tiende plaats staat zijn grote leermeester Aldo van Eyck, want 'er is geen poëet die hem evenaart in het verbeelden van gebouwen met woorden'. Natuurlijk had Van Eyck ook bovenaan de lijst kunnen staan, preciseert Henket, 'want ik heb verschrikkelijk veel aan Aldo te danken. Maar ik hink op twee benen. Aldo vond geen bevrediging in techniek en in materialen. Ik vond mijn inspiratie vooral bij Duiker of bij Leen van de Vlugt, de architect van de Van Nel le-fabriek, en bij de oude Renzo Piano en Norman Foster. Hun sociale en ecologische bewogenheid spreken mij zeer aan. Het klinkt ouderwets: ze hadden allen moraliteit.

'Wat mij bij Duiker zo fascineert, is zijn verhaal over geestelijke economie. Je moet niet alleen in materialen zo economisch mogelijk denken, maar in alles. Minder, steeds minder; eenvoudiger, steeds eenvoudiger. Probeer de dingen te reduceren. Dan bereik je het beste even wicht. Alleen materialenoptimalisatie is onzin, alleen functionele optimalisatie is onzin, alleen esthetische optimalisatie ook, het is de combinatie van de drie. Dat vind ik erg mooi, maar je ziet dat dat niet gemakkelijk is, het verwatert.'

Met Wessel de Jonge richtte Henket jaren geleden de stichting Docomomo op, 'om enige orde in de chaos te scheppen', een organisatie die zich richt op het verkommerde erfgoed van de moderne beweging. Hij vecht al jaren voor de restauratie van de voormalige tuberculose-nazorgkolonie Zonnestraal in het Hilversumse Loosdrechtsebos. Hij wil het sanatorium niet behouden om het te behouden, want in de geest van Duiker zou de ruïne eigenlijk met de grond gelijk moeten worden gemaakt, 'omdat zij op geen enkele manier meer correspondeert met de beginselen waar het indertijd om was begonnen'. Henket gelooft in de filosofie van Duiker, zoals hij die in 1934 formuleerde: 'Architectuur worde dus niet bekeken door een heemschutsbril of als een landschapsmeubel, neen, zuiver als organisme met nieuwe functies, beantwoordend aan de eeuw van de machine.'

Na jaren lobbyen wordt Duikers Zonnestraal eindelijk gerestaureerd. In de zomer van vorig jaar verleende staatssecretaris Van der Ploeg zijn toestemming voor de restauratie van het hoofdgebouw. Zulke onderhandelingen, weet Henket, zijn niet gemakkelijk. Je krijgt te maken met een allesoverheersende bureaucratie.

Zo ook in Middelburg. Op de schappen van het opdrachtenarchief in het bureau van Henket staat een vijf meter lange rij kartonnen dozen met vuistdikke dossiers en honderden paperassen waarin alle eisen zijn verzameld 'waaraan je allemaal moet voldoen'. Hoe kun je die verzoenen met het geheel, het gebouw, 'dat ook nog betaalbaar moet zijn?' Het gerechtsgebouw in Middelburg, met zijn opvallende luifel, was voor Henket een zware klus, 'met een zeer complex eisenpakket', zoiets als 'een vierdimensionale Rubiks cube'. In tien jaar tijd, zo besloot het ministerie van Justitie in 1989, 'moeten veertien gerechtsgebouwen worden gerenoveerd, verbouwd of vernieuwd'. De overheid gaf die opdracht aan een projectontwikkelaar die alle werkzaamheden voor zijn rekening neemt en vervolgens de gebouwen aan het rijk verhuurt. De gerechtsgebouwen moeten zo ontworpen zijn, 'dat ze op termijn ook als gewone kantoren verhuurd kunnen worden'. Het was een onzalige opdracht.

Een architect wordt nerveus, begrijpelijk, als je ziet hoe moeilijk die opdracht is. Het is verschrikkelijk. 'Het is een algemeen verschijnsel', zucht Henket. 'Ik was onlangs op een vergadering voor een gebouw in Parijs. Er zaten niet minder dan 22 Franse ambtenaren aan tafel, en dan vraag je je af: wat komen jullie hier allemaal doen?

'Er komen steeds meer mensen bij, en dat maakt het proces steeds ingewikkelder. Al die flut daaromheen is voor het ontwerpproces uiterst verstorend. Iedereen verzint maar iets. Er is veel te veel regelgeving. Het duurzame bouwen begint niet bij het aanbod, maar bij de vraag. Je moet je vraag temperen, mijnheer Het Rijk, mijnheer De Ge meente, enzovoort. Regels maken is niet zo moeilijk, maar innoverend bouwen, dat is pas ingewikkeld.'

Henket gelooft rotsvast in het credo van Berlage: als architect ben je een dienaar. 'Je moet geen standbeeld voor jezelf maken, maar een goed gebouw. Het mag best opwindend zijn, maar als het niet nodig is, dan moet je het vooral niet doen.' Het opzichtige Groninger Muse um van Alessandro Mendini werd ooit door een Duitse collega aan het einde van een maaltijd onder de loep genomen. In zijn bord met bessensap rangschikte hij zijn ijsbolletjes, stak er een opgerold wafeltje in en zei: dit is nu Mendini's museum in het water. Iedereen gaat op zoek naar spektakel; iedereen spiegelt zich aan het New Yorkse Gug gen heim-slakkenhuis of aan het Guggenheim in Bilbao. 'Ik zat met een aantal collega's en museumdirecteuren in de jury voor een Ber lijns museum. Dat was heel interessant. Alle directeuren wilden Frank Geh ry, de architecten kozen voor vakbroeders die respect hadden voor het oude gebouw. De museumdirecteuren wilden vuurwerk, en wij architecten zeiden: daar krijg je nog spijt van, want in Bilbao is dat perfect, maar Berlijn heeft dat niet nodig. Het raakt uit de tijd, uit de mode. Als je het gezien hebt, heb je het ook gezien. Je hoeft niet meer naar Groningen om dat ding van Mendini te zien.

'De geschiedenis van de musea is een verlichtingsverhaal. Zo is het begonnen. Encyclopedisch wil je de dingen op een rij hebben en vervolgens wil je met je collectie onderwijzen. Het was een archiverend-wetenschappelijk iets. Onderzoek en onderwijs. Teylers is daarvan een goed voorbeeld. Ze gebruikten kennis uit het verleden om verder te komen. Teylers was een echt laboratorium. Steeds meer echter zijn musea zich gaan richten op het object an sich, dan kijk je niet meer naar het geheel maar naar een schilderij of een beeld. Het museumgebouw werd een neutrale achtergrond, een witte wand. Je bekeek het kunstobject niet alleen meer uit wetenschappelijke interesse, maar meer en meer ook om ervan te genieten. Dan ga je naar een museum om tot rust te komen, om eens over iets anders na te denken. Even afstand, zoals vroeger mensen naar de Mariakapel in Den Bosch gingen, waarschijnlijk niet alleen om te bidden, maar om op adem te komen. Nu, in onze tijd, is het museum vooral een evenementenplek voor mensen met steeds meer vrije tijd.'

Wanneer je vanaf het Haarlemse Spaarne het Teylers Museum betreedt, het oudste museum van Nederland, kom je in de betoverende wereld van een jongensboek. Het is, schreef Henk Hofland, 'het museum der musea', een museum waarin het gebouw en de manier van tonen deel uitmaken van wat er geëxposeerd wordt. Maar langzamerhand zakte het weg in het drijfzand van de geschiedenis. Er was, zeiden ze in Haarlem, 'minder klandizie'. Als niets ondernomen zou worden, zou Teylers in de loop der tijd afbladderen. De wonderbaarlijke machines in 'het museum van de Verlichting', die als stomme getuigen herinneren aan wat we nu 'de proefondervindelijke tijd' noemen, waren fossielen in het digitale tijdperk. Wie van Teylers houdt, dacht directeur E. Ebbinge, moet daar wat aan doen. Het museum smeekte om modernisering, om zo Teylers' principe gestand te doen, als tempel van het menselijke intellect.

'Teylers is een tijdmachine. Er is nooit iemand aangekomen, en dat is het bijzondere van dit museum.' Toen hij er kwam, om ideeën op te doen voor zijn ontwerp, zag Henket in een van de mooiste binnensteden van Nederland een Teylers 'waarin de tijd al honderd jaar stil bleek te staan'. Maar tegelijk was het ook een zooi, schreven critici, 'een Doornroosje van fabelachtige schoonheid, maar zo dood als een pier'. Het was een uitermate delicate en lastige opdracht, en als je dat mist, dacht Henket, 'dan ben je een rund, een écht rund'. Het was een veel moeilijker opdracht dan Boijmans. Er waren afschuwelijk veel eisen: het interieur van het al bestaande museumdeel moest hij intact laten, de lichtval mocht niet veranderen.

Het is de grote verdienste van Henket dat alles bij het oude is gebleven. Zelfs het daglicht. 'Kijk naar het Rijksmuseum, wat is daar gebeurd? Dat licht, dat kan toch niet? Bij Teylers heb je schitterend daglicht, en dan is het vier uur 's middags, ja, dan is het afgelopen, dan moet je naar huis want je ziet niks meer. Dat is toch prachtig? Wij zijn natuurlijk helemaal anders naar licht gaan kijken. Hoe zou het voor de uitvinding van het kunstlicht zijn geweest? Veel genuanceerder, denk ik. We zijn veel nuances kwijt.'

Haarlem is een prachtige stad met schitterende gevels, pleinen en hofjes. 'Waarom zou je dat moeten afbreken? Je kunt het alleen slopen als dat een meerwaarde oplevert. Volgens mij is die stad zo krachtig, dat kun je niet doen. Je moet respect hebben voor wat er is, want wie geeft je het recht te zeggen: fuck de oude binnenstad? Dat is toch raar?'

Een stad is een collage, een veelvoud van stijlen. 'Bij een interieur speelt hetzelfde. Bij de meeste mensen thuis vind je een pluriforme inrichting. Dat maakt een sfeer hebbelijk. Al je maar één stijl hebt, alleen maar Mies van der Rohe of alleen maar rococo, dan krijg je onplezierige en statische ruimten. De pluriformiteit geeft dynamiek. Dat is ook zo in een stad, en dat betekent dat diegene die aan de collage meewerkt wel moet luisteren naar zijn buurman. Dat is het gegeven. Solitaire gebouwen kunnen niet leiden tot een opwindende stedelijke ruimte.'

Henket zoekt naar een evenwicht tussen het prozaïsche of utilitaire en het poëtische, want 'je wilt kennelijk iets dat blijft en dat functioneert, maar de eisen veranderen in de tijd, en ook musea willen steeds weer iets anders'. Hoe realiseer je dat evenwicht tussen dynamiek, het nieuwe, en continuïteit, 'datgene wat onze voorvaderen allemaal gedaan hebben, want die dachten ook aan de toekomst?'

Hij gelooft dat de gebouwde omgeving bijdraagt tot het verheffen van ons allen. Henket is een architect met een roeping, een maatschappelijke rol. 'Moet je horen, wij consumeren maar. Wij rijden hier met al die auto's rond en wij zetten al die gebouwen neer. Over de auto hebben we het voortdurend, maar de gebouwen eisen 50 procent van onze energieconsumptie op. Daarover praten wij nooit. Je moet, vind ik, belasting heffen op nieuwbouw en er moet een belastingreductie komen op verbouwen. Want het is veel interessanter en arbeidsintensiever als je al je materialen hergebruikt. Dat is toch logisch? Je wilt zo min mogelijk materialen gebruiken en zo veel mogelijk mensen aan het werk hebben. Als je dat op een goede manier doet, dan ben je met iets helemaal anders bezig, veel ecologischer, en dat kun je stimuleren door de belastingwetgeving.

'Ik herinner mij dat we een gebouw maakten in Afrika voor de white fathers, de witte paters. Je moet dan luisteren naar de logica van dat gebied, kijken of wij gebouwen kunnen vinden uit de tijd voor de uitvinding van de elektriciteit die gewoon handig in elkaar zitten zonder airconditioning. Die mensen moesten er wel goed over nadenken. Daarvan kun je nu veel leren. Dus ben ik gaan kijken naar oude bungalows. En ik opteerde voor een windtunnel. Ik had mijn verhaal, en zei: jullie zijn missionarissen, als jullie het niet doen, wie doet het dan wel? Dus, laten we gewoon een hele grote natuurlijke windmachine maken. En ze antwoordden: verrek, je hebt wel gelijk, laten we het zo maar doen, het is lekker koel. De globalisering leidt tot een onvoorstelbaar gebrek aan nuances. Daarover moet, vind ik, de museale we reld ook maar eens nadenken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden