Houd dat maar eens geheim

Eimert van Middelkoop is in moeilijke tijden binnengestapt bij Defensie. Er wordt gesproken over forse bezuinigingen, maar hij wil zich niet laten kennen....

De Bijbel ligt op zijn bureau, naast vertrouwelijke documenten over de almaar duurder worden missie in Uruzgan én de mogelijk nieuwe ingrepen in het defensieapparaat. Eimert van Middelkoop (58) is de eerste uit de ChristenUnie afkomstige minister aan het hoofd van de krijgsmacht, ‘de zwaardmacht, om het in termen van de apostel Paulus te formuleren’.

Het eerste gebod luidt: gij zult niet doden. Hoe verhoudt zich dat tot het feit dat er in uw naam Taliban worden neergeschoten? Heeft u daar als christen moeite mee?

‘De taliban vermoordt mensen. Nederland heeft het mandaat om, als het moet, te doden. We doen het niet wederrechtelijk, maar rechtens. We leveren als onderdeel van de internationale troepenmacht ISAF, en op verzoek van de VN en de Afghaanse regering, een bijdrage aan de opbouw van Afghanistan. Daartoe behoort dat je een garantie van veiligheid biedt. Dat is geen concessie aan je christelijke morele overtuiging, maar een gevolg daarvan. Het is een taak van de overheid om het kwaad te weren, dat is een bijbelse opvatting.’

Voor Van Middelkoop is Defensie ‘een van mijn persoonlijke voorkeuren’, hoewel het bij kabinetsformaties in de regel vaak de sluitpost is. Zijn godsdienstige achtergrond speelt daarbij een rol. ‘De oriëntatie op Christus geeft een enorme aanzet om op te komen voor gerechtigheid, om verantwoordelijkheid te dragen’.

Dat klinkt wellicht hoogdravend, maar de minister beroept zich juist op ‘christelijk realisme’, als er weer eens wordt gevraagd naar de geringe voortgang bij de (weder)opbouw van Uruzgan. In een ‘gebroken wereld’ – om nog maar eens een christelijke notie te gebruiken – is de werkelijkheid weerbarstig. ‘Dat besef heeft een dempende uitwerking op de idealistische traditie in de Nederlandse politiek. Het is normaal dat je stapjes vooruit doet, maar ook stappen achteruit. We moeten onze verwachtingen matigen over wat we kunnen uitrichten bij het verbeteren van de wereld’.

Het geweldsmonopolie van de krijgsmacht schept grote verplichtingen, voor de minister én zijn ondergeschikten: ‘Als een militair zich misdraagt, slaat dat terug op het hele apparaat. Wanneer een willekeurige werknemer zoiets doet, heeft dat nauwelijks effect op zijn bedrijf. Een politicus of een arts weet dat het verschil maakt of hij dronken achter het stuur zit, of een ander. Zo moet een militair beseffen dat hij – ook al is het verleidelijk in sommige situaties een klap uit te delen – dat moet nalaten.

Als de Eindhovense politie de hele dag meldt dat militairen een zwerver in elkaar hebben getrapt, voel ik mij verplicht die daad scherp te veroordelen. De daad, niet een of meer personen – daar gaan juridische instanties over.’

‘Mijn politieke peetvader, oud-Kamerlid Verbrugh (GPV), sprak over de ‘eer van het soldatenambt’. In moderne taal praat je over de mentaliteit van de soldaat. Het geweldsmonopolie vereist professionaliteit, zelfbeperking, zelfbeheersing.’

Hoe groot is de stap van een tweemansfractie in de Eerste Kamer naar dé topfunctie in een organisatie van 70 duizend mensen?

‘Ik ben natuurlijk een heel klein baasje geweest als parlementariër. Een soort solist. Nu ben ik opeens omringd door allerlei zeer gekwalificeerde lieden. Daar geniet ik van. Ik moet een omslag maken, een reflecterende en controlerende rol ondergeschikt maken aan het dragen van een intense verantwoordelijkheid. Bij alles wat je zegt, moet je je bewust zijn van de autoriteit van het ambt.’

Uw voorganger Henk Kamp was een troepenman. Hij maakte graag een praatje met soldaten op missies.

‘Ik heb gemerkt dat het voor militairen belangrijk is persoonlijke belangstelling te tonen. Ik vind dat, een beetje tot mijn eigen verbazing, leuk om te doen. Tot en met het opspelden van onderscheidingen. Omdat ik me realiseerde dat dat heel belangrijke momenten zijn voor mensen.

‘Het was toch wel nieuw voor mij, de ontmoeting met veel professionelere mensen dan ik voor ogen had. Misschien had ik nog te veel herinneringen aan het tijdperk van de dienstplicht. In Afghanistan en Bosnië ontmoette ik gemotiveerde no-nonsensefiguren. Na een praatje gingen ze snel weer aan het werk.

‘De term troepenman zegt me niks. Ik sta voor mijn mensen, naast hen, achter hen. Maar ik ben minister. Ik kan geen uniform aantrekken. Dat vind ik een verkeerde vorm van koketterie. Bij een van mijn eerste werkbezoeken maakte een generaal me subtiel duidelijk dat het niet op prijs werd gesteld als ik in uniform zou komen. Ik heb gezegd: u bent aan het verkeerde adres, als Kamerlid heb ik kritische vragen gesteld over het dragen van een uniform door de toenmalige minister, Relus ter Beek. Met alle respect voor hem: ik vond het iets te potsierlijk’.

U bent een kenner van het staatsrecht. Waar liggen uw grenzen als het gaat om ministeriële verantwoordelijkheid? Wanneer verbindt u consequenties en wanneer niet?

‘In de staatkunde is verantwoordelijkheid een lastig begrip. De minister is gehouden de Kamer te informeren. Daarbij is er geen verschil tussen zaken uit het heden of het verleden. Welk oordeel daaraan verbonden moet worden, is een zaak van de Kamer.’

Het kan zo maar gebeuren dat u, als de conclusies van de onderzoekscommissie-Van den Berg worden gepresenteerd, uw voorganger Henk Kamp moet afvallen.

‘Dat is toch volstrekt normaal? Elke minister staat in een bepaalde relatie tot zijn voorganger. Met dingen uit het hier en nu, daar staat mijn handtekening onder. Het is een kwestie van realisme te zeggen dat ik in zaken die in het verleden zijn gebeurd, een informerende verantwoordelijkheid heb en dat het daar meestal bij blijft.’

Vreest u dat er sprake is van een doofpotcultuur, als de onderzoekscommissie-Van den Berg op 18 juni met het rapport komt?

Lachend: ‘Als daar sprake van is, is het een lekkende doofpot!’ Van Middelkoop doelt op de vertrouwelijke Defensiedocumenten die in de media opduiken. Weer serieus: ‘Ik ben echt een groot voorstander van transparantie, dat breng ik ook mee als parlementariër. Er passeren mij veel zaken die evident zijn. Maar als ik twijfel, vraag ik me af: kan ik het verantwoorden als dit morgen in de krant zou staan? Die vraag stel ik me soms. Want ik wil tenslotte dat alles in de krant komt te staan, uiteindelijk. Omdat ik dat normaal vind als je voor de publieke dienst werkt. En omdat openbaarheid alleen maar goed is voor een verdere professionalisering van de organisatie.’

Uw hoogste militair Dick Berlijn zegt dat de doofpot verleden tijd is, dat er lessen zijn geleerd van Srebrenica.

‘Met de term doofpotcultuur werd ik geconfronteerd toen ik in 2002 de parlementaire Srebrenica-enquête voorbereidde. Na Srebrenica (de val van moslimenclave in 1995 die beschermd werd door Nederlanders en leidde tot de dood van zevenduizend moslims, red.) hebben we echt voor het besluit gestaan: aanvaarden we een doofpotcultuur, of gooien we de zaak open? We hebben gekozen voor transparantie. Wie de term doofpot nog gebruikt, miskent wat er allemaal is veranderd.

‘De krijgsmacht is zeker op onderdelen een betrekkelijk gesloten organisatie. Als je in het veld actief bent, kan niet iedereen daar doorheen lopen. We laten journalisten meereizen naar Afghanistan, men zit er bovenop. Maar het kan niet zo zijn dat je struikelt over journalisten als je met een operatie in Uruzgan bezig bent. Als er getraind moet worden om teamgeest op te bouwen, hoeft niet iedereen daar bij te zijn. ‘

De landmacht mag dan transparanter zijn geworden, bij de mariniers zijn ze nog niet zover.

‘Dat zijn uw woorden. Ik deel die mening niet. Er is niets op tegen dat er in krijgsmachtdelen een eigen cultuur heerst. Een esprit de corps zie je ook bij artsen, notarissen, de advocatuur. Het is functioneel.’

De afgelopen weken is er onrust ontstaan bij het defensiepersoneel: vertrouwelijke notities over bezuinigingen dwarrelen naar buiten. Op de nominatie staat de verkoop van een kwart van het arsenaal aan Leopardtanks, een squadron F-16’s (18 jachtvliegtuigen), eenderde van de zojuist aangeschafte pantserhouwitsers, en ook kan een van de twee mariniersbataljons op de Cariben terug worden getrokken. De Tomahawks, kruisraketten die zijn voorganger Kamp wilde kopen om mee te kunnen doen in de hoogste geweldsspectrum, worden afbesteld. Er is geld nodig, want de operatie in Uruzgan kost veel meer geld dan verwacht.’

Als uw inkomen niet stijgt en de lasten worden hoger, moet u de auto en de ijskast verkopen. Is dat niet de kern van uw probleem?

‘Nee, dat is het probleem niet. Een nieuwe minister is altijd een factor van onzekerheid voor een organisatie. Die zekerheid probeer ik zo snel mogelijk te geven.

‘Ik denk nu na over een nieuwe inrichting van de krijgsmacht voor de komende vier jaar. Daarover is mailverkeer met tientallen mensen. Houd dat maar eens geheim. Met de openbaarmaking heb ik eerlijk gezegd niet zo veel moeite, maar het is beter als dat gebeurt als er een besluit is gevallen. Het betekent wel dat ik enige tijd de regie kwijt ben over de presentatie van de voorstellen, dat geeft onrust onder het personeel.’

U had de wind mee, maar die is kennelijk gedraaid: nu moet u bezuinigen.

‘Dat is onzin. Vergeet niet dat ik er voor het eerst in vijftien jaar geld bij krijg, een half miljard euro. Het is een verschil of je gedwongen bent materieel en personeel af te stoten om pure bezuinigingsredenen, of dat je het doet op basis van gewijzigd inzicht.’

Er gaat een signaal van uit dat u de kruisraketten hebt afbesteld. Nederland hoeft kennelijk niet meer te acteren in de hoogste geweldsspiraal.

‘Ik kon me nauwelijks voorstellen dat er een situatie zou ontstaan waarbij we zouden verzuchten: hadden we die dingen maar gehad. Ik was niet overtuigd van de noodzaak dit wapen aan te schaffen, maar had ook geen principiële bezwaren. Er hangen vergelijkbare wapens onder de F-16’s.’

Het kabinet beslist deze zomer of, en zo ja op welke manier de Nederlandse missie in Afghanistan wordt voortgezet. Die formule hebben Van Middelkoop en de ministers Verhagen (Buitenlandse Zaken) en Koenders (Ontwikkelingssamenwerking) bedacht tijdens hun gezamenlijk reis naar Afghanistan; : ‘het Gulfstream-akkoord’. Daarmee begonnen ‘de goede maatjes’ – zoals de bewindsman de voormalige collega-Kamerleden noemt – hun ambtsperiode. Sindsdien praat Den Haag over het al dan niet verlengen van de missie na augustus 2008.

Zo niet de bewindslieden. Wel reageert Van Middelkoop op de waarschuwing van een van zijn voorgangers, Joris Voorhoeve. Die voorziet ‘een missie zonder einde’ als Den Haag niet klip en klaar zegt dat een ander land de Nederlandse rol moet overnemen.

‘Ik vind het niet zo netjes dat hij zich uitlaat over een van de belangrijkste beslissingen waarvoor het huidige kabinet staat. Ik heb altijd groot respect voor hem gehad, als minister, als Kamerlid, ik waardeer zijn kennis op het gebied van veiligheidspolitiek. Maar uitgerekend op dit punt had hij de hoffelijkheid moeten opbrengen het aan ons over te laten.’

Voorhoeve spreekt uit ervaring: hij zocht maandenlang tevergeefs voor een opvolger van Dutchbat in Bosnië.

‘Aflossing is een zaak van de NAVO. Die is een langjarige verplichting aangegaan jegens Afghanistan. Als Nederland zich zou terugtrekken, moeten we als NAVO-land wel meedenken over de vraag: wat dan wel?’

Momenteel zijn er meer dan 1600 Nederlandse militairen in Afghanistan en 38 in Afrika. Gaat dat laatste getal onder uw ministerschap fors omhoog?

‘Als er een concreet verzoek ligt van de VN, zijn we bereid daar serieus over na te denken. Maar dat is er niet. Ik lig weleens wakker van de vraag: waarom gaat het zo slecht in Afrika?

‘Met alleen ontwikkelingsgeld kunnen we niet de basis leggen voor stabiliteit. We moeten onze politieke inspanning voor Afrika verbreden naar militaire inspanning. We hebben bewezen dat te kunnen, met de VN-operatie in het grensgebied van Ethiopië en Eritrea. Ik denk nu niet aan grootscheepse operaties. Er wordt in de internationale wereld ook aan Nederland gevraagd of we bereid zijn eventueel iets te doen in Darfur. Daarvan heet dit kabinet gezegd: daar willen we naar kijken. Dan praat je over hele kleine aantallen.

‘Een van de problemen is dat veel landen slecht in staat zijn een eigen veiligheidscapaciteit op te bouwen. We moeten hen daarbij helpen. Dat zijn we zelf aan het leren in Uruzgan en Irak, waar we politiemensen en militairen opleiden. Militair is het een fluitje van een cent om in een Afrikaans land het gezag over te nemen. Maar slachtpartijen zoals in Rwanda hadden zeer waarschijnlijk kunnen worden voorkomen met deze bescheiden middelen. Een van de lessen van Afghanistan is: probeer een land zo veel mogelijk in staat te stellen voor de eigen veiligheid te zorgen.

Generaal Cammaert (oud VN-generaal) bepleitte in de Volkskrant onder meer westerse special forces, genie en medische troepen voor de vredesmacht in een andere brandhaard, Congo.

‘Cammaert is hier geweest, met een ijzersterk verhaal. Hij heeft gewerkt bij de VN, daar bepalen de grote landen de lijn. De VN moet mandatering voor militair ingrijpen in Afrika hoger op de agenda zetten. Ik ben bereid na te denken wat dat in militaire termen kan betekenen’.

Bent u te conflictmijdend om een generaal de les te lezen?

‘Generaals die ik nu ken zijn voor mij zeer gekwalificeerde en toegewijde functionarissen in uniform. Ik behoor niet tot het type politicus dat zich wil laten gelden ten koste van een generaal. Maar ik heb er geen enkele moeite mee een conflict aan te gaan. Het prettige is dat ik conflicten kan beslechten.’

Hoe voorkomt u dat bewindslieden van de ChristenUnie net zo verslaafd raken aan de macht als die van het CDA?

‘Dat is hetzelfde als aan een puber vragen of hij, nadat hij net zijn eerste sigaretje heeft gerookt, zich bewust is van het gevaar van drugsverslaving. In the long run heeft het misschien nooit met elkaar te maken. Wij zitten nog in de initiële fase van de weg vinden in de omgang met de macht. Pas zei ik in het bewindsliedenoverleg van de ChristenUnie: het gaat eigenlijk vrij normaal. Je wordt af en toe heen en weer geschud, het is echt een nieuwe ervaring: lering, gewenning, mediabeelden. Aan verslaving kom ik helemaal niet toe. Daarvoor is vier jaar wel heel kort.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden