Hotels uit een vervlogen wereld OPKOMST EN VERVAL VAN HET GRAND HOTEL

EIND JAREN twintig schreef Klaus Mann een gedicht voor het tijdschrift Der Querschnitt waarin, vertelt Mann in zijn autobiografie Der Wendepunkt, 'ik vandaag nog de geest van die bijzondere periode en van mijn bijzondere kring het zuiverst en het meest intens bewaard vind'....

Waren het er werkelijk maar honderd? 'Mij staan ontelbare voor de geest', noteert Mann, 'over het hele continent verspreid, van Spitsbergen tot Sevilla, van Palermo tot Brugge en Scheveningen.' Thuis, dat betekende voor hem de gastvrijheid van zijn ouders, 'of ergens een kamer, in een armzalig logement of in een Palace met alle moderne comfort'. De ene keer in het Palais Djamaï in het Marokkaanse Fez, dan weer maandenlang in het Amsterdamse Américain als redacteur van het emigrantentijdschrift Die Sammlung, (waar hij, zegt Mann, 'veel oude genever dronk'), als habitué in het New Yorkse Bedford Hotel, in het Imperial Hotel in Tokio, op kamers in Milaan of in Hollywood, en ten slotte in het Hotel Le Pavillon de Madrid in Cannes, waar hij in 1949 zelfmoord pleegde.

Mann verbleef, meestal voor langere tijd, in tientallen Grand Hotels in Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk en in de Verenigde Staten. Hij was een kosmopoliet. Zijn dagboek geeft een beeld van het emigrantenbestaan en van de tientallen hotelkamers waar hij heeft 'gewoond'. Zodra hij ergens aankwam - in Praag, in Zürich, in Parijs, in Madrid, in Juan-les-Pins - 'werd meteen het schrijfmateriaal, de kleine handbibliotheek, uitgepakt en met nerveuze pedanterie geordend'. Hij hield ervan 'in wereldomvattende maatstaven te denken'.

Hotels waren vroeger eenvoudige logementen met stallingen voor de paarden en een plek voor de koetsen. Hoge gasten verbleven niet in zo'n logement, maar in de vorstelijke landhuizen van bevriende adellijke families. Hotels waren herbergen. Vanaf 1830 echter, met de komst van de trein, bouwden de compagnieën luxueuze hotels bij hun stations. Het Londense Great Western Royal was het prototype: een stijlvol monument, in neogotische stijl, een negentiende-eeuwse spoorweg-kathedraal. In enkele jaren tijd verrezen overal in Europa, en later in Amerika en in de kolonies, pompeuze hotels, het een nog weelderiger dan het ander.

Elaine Denby, consultant van een architectuurbureau, logeerde in zulke monumentale en opulente hotels. Grand Hotels is een architecturale geschiedenis van het hotel, van 1830 tot 1930. Ze verbleef in alle grote Europese hotels, reisde door Amerika en naar het Midden-Oosten. In haar boek beschrijft ze de opkomst van het Grand Hotel, de luxe en de finesse, maar ook het verval, honderd jaar later, de vergane glorie.

Het boek is een spiegel van de grandeur, de glamour en de glitter van het negentiende-eeuwse hotelwezen. Denby ontrafelt de geschiedenis van de hotels, met een opmerkelijke zin voor details, de bibelots en de snuisterijen, en portretteert de hoteleigenaars, de architecten en het personeel. Grand Hotels is een sociale architectuurgeschiedenis; het is geen kroniek van de gasten die er verbleven. Denby schildert het decor, de opsmuk van de lounge of het restaurant, maar niet de personages.

Nochtans, grands hotels, petites histoires: in de grote hotels keert de wereld van de beau monde zich binnenstebuiten. De hotellounge is het toneel van opera en operette, van drama en komedie. Een Grand Hotel is de biotoop bij uitstek voor de high society, het huiselijk onderkomen van opera-diva's, filmsterren, popartiesten, presidenten en beroemde schrijvers. Het is de bühne van la dolce vita en het zalig nietsdoen; het is er een gaan en komen van illustere types, zoals in het theater, een parade van beroemdheden, excentriekelingen en rijken.

Visconti toont in Death in Venice, de verfilming van Thomas Mann's beroemde novelle, het aristocratische Grand Hotel des Bains op het Venetiaanse Lido. Het zijn onvergetelijke beelden van een 'wereld van gisteren'. De film is een panorama van dat hotel-theater, van het pronkerige decor van een Grand Hotel rond 1900. In Grand Hotels passeren al die paleizen de revue: het Londense Savoy, de Ritz in Parijs (de pleisterplaats van Coco Chanel), het Grand Hotel in Cabourg ('Balbec' in Marcel Prousts A la recherche du temps perdu), het Eden Roc in het Franse Antibes (vroeger Grand Hotel du Cap), Brenner's Park Hotel in Baden-Baden (schuiloord van Louis-Ferdinand Céline), het Berlijnse Adlon, het beroemde Raffles in Singapore, en honderden andere hotels die allemaal, zonder uitzondering, bij de gasten hetzelfde aanzien genoten als een koninklijk paleis of een gotische kathedraal.

In Hotels littéraires, 'voyage autour de la terre' (Quai Voltaire, 1991) verzamelde de Franse journaliste Nathalie de Saint Phalle literaire hotel-anekdotes. Ze heeft het niet over de oude luister van het Grand Hotel, zoals Denby, maar over de schrijvers die er verbleven en op hun kamers boeken schreven. Over Paul Bowles en de beat-dichters in Tanger, Lawrence Durrell in het Cecil Hotel in Alexandrië, Agatha Christie in het mysterieuze Pera Palas in Istanbul. Over Julien Benda die alleen kon leven en werken in hotelletjes in de provincie, over de globetrotters Paul Morand, Ernest Hemingway, Victor Segalen en Pierre Loti, over de 'artiestenhotels' Chelsea in New York en het Monte Verità in het Zwitserse Ascona. Over de hypochonders die in een hotelkamer zelfmoord pleegden: Jacques Vaché in het Hotel de France in Nantes, Cesare Pavese in het Turijnse Hotel Roma en Raymond Roussel in het Grand Hotel et des Palmes in Palermo.

Een hotelkamer, vond Roussel, moet exclusief zijn. Toen hij eens een bad wilde nemen in een New Yorks hotel, schreef hij, maakte de gedachte dat drieduizend gasten op hetzelfde moment in drieduizend badkuipen dat konden, hem buitengewoon verdrietig. Dat was in zijn ogen de vervlakking en de teloorgang van het hotelwezen. Er zijn steeds meer beautiful peoples, die zich een nacht in een Grand Hotel kunnen permitteren, en daardoor zijn het reizen en het verblijf in een luxueus hotel een verschrikking.

Waarschijnlijk heeft niemand beter die 'oude glorie van de Grand Hotels' beschreven dan Thomas Mann. Hij portretteerde in Der Zauberberg de wereld van het Berg Hotel in het Zwitserse Davos - het land waar, volgens Elaine Denby, 'het concept Grand Hotel' is bedacht. Mann's vrouw Katia verbleef langere tijd in het Berg Hotel, om er te kuren. Haar belevenissen in Davos waren voor Mann inspirerende aanzetten voor zijn onvergetelijke en vuistdikke roman. Hans Castorp, de hoofdfiguur van het boek, bezoekt zijn neef in het sanatorium. Ook hij bespeurt een lichte longaandoening en hij blijft, zeven jaar lang, op de Toverberg, afgesneden van het leven 'daarbeneden'.

Ook Lotte in Weimar speelt zich af in zo'n gerenommeerd en eeuwenoud hotel: Zum Elephanten aan de Markt in het Duitse Weimar. Op een haast nog zomerse dag, schrijft Thomas Mann, 'al vrij laat in de septembermaand van het jaar 1816', had de kelner Mager 'een ontroerende, aangenaam verwarrende ervaring'. Hij dacht een tijdlang dat hij droomde. Die dag, las hij in het gastenboek, was met de geregelde postkoets uit Gotha de weduwe Charlotte Kestner gearriveerd, 'Lotte', de vrouw die ooit model stond voor de geliefde in Goethe's Die Leiden des jungen Werthers.

Mager kwam wel vaker in aanraking met beroemde personages, 'met het wereldgebeuren vervlochten personen', belangrijk door geboorte of verdienste. Hij was een ontwikkeld man, 'het factotum van dit hotel, de rechterhand, zoals men pleegt te zeggen'. Het nieuws van Lotte's komst verspreidde zich snel en het plein voor de Elephant wemelde een paar uur later al van mensen die in groepjes bijeenstonden en omhoog keken naar de ramen van het Grand Hotel.

Vele jaren later verzamelde zich weer een menigte voor de historische herberg Elephant, de ogen gericht op het balkon en op de ramen van de hotelsuite van Adolf Hitler. Lieber Führer, komm' heraus, aus deinem Elephantenhaus! Elk hotel kent zijn geschiedenissen, drama's en anekdotiek.

Voor Georges Perrec, groot liefhebber van lijstjes en inventarissen, zijn de kamers waar hij ooit heeft geslapen - 'het moeten er bijna tweehonderd zijn geweest' - zoiets als 'de madeleine van Proust'. Hij herinnert zich nog elke kamer, de stoffering en het uitzicht, tot in de kleinste details. Maar hij vernoemt maar één hotel in Espèces d'espaces: het Hotel du Lion d'Or in het Franse Saint-Chély-d'Apcher, dat door Perrec literatuur is geworden. Hotelgeschiedenis van een vervlogen 'wereld van gisteren'.

Paul Depondt

Elaine Denby: Grand Hotels - Reality & Illusion.

Waanders; 304 pagina's; * 85,-.

ISBN 90 400 9213 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden