Hopelijk is het fictie

Ola Mafaalani en Johan Doesburg ensceneren ieder Medea, de klassieke tragedie over kindermoord. Zij: ‘Wat Medea laat zien: een moeder, een mens.’ Hij: ‘Er is geen absolute moraal van het verhaal.’ Door Karin Veraart..

‘Het is de moederliefde zelf, die tot de moord leidt. Dat is wat me het meest verbaasde tijdens mijn research naar de ‘echte’ gevallen van kindermoord in Nederland. Het heeft niets te maken met wraak. Vaak willen de vrouwen zelf dood, en ze weten: de kinderen zijn op mij aangewezen. Vanuit die zorg besluiten ze de kinderen te doden. En dat is iets dat je niet wilt zien. Niet kunt zien, omdat het niet past in het beeld van liefde zoals dat ons is geleerd. Dus ik ben nu vooral bezig met die liefde – moederliefde, maar eigenlijk ook liefde überhaupt. Want er is nogal een relatiedrama aan voorafgegaan, hè Johan?’

Ja, zegt Johan Doesburg (1955) tegen Ola Mafaalani (1968). De twee regisseurs zitten samen aan een tafeltje van een café in een Amsterdamse buurt vol jonge gezinnen. Kinderen rennen af en aan, ouders redderen. Onbedoeld is het een gepaste ambiance voor een gesprek over Medea van Euripides dat zij – ieder op hun heel eigen wijze – ensceneren, dit seizoen. Doesburg heeft zaterdag première; voor Mafaalani is Medea de voorstelling waarmee ze in januari begint als artistiek leider bij het Noord Nederlands Toneel.

Twee heel verschillende theatermakers over een heftig stuk, dat ondanks zijn leeftijd (Medea van Euripides stamt uit 431 voor Christus) raakt aan thema’s die nog steeds actueel zijn: (echt-)scheiding, verraad, loyaliteit, moederliefde, kindermoord, de onmacht van de samenleving.

Het blijkt goed materiaal voor een gepassioneerde gedachtenwisseling.

Doesburg: ‘Jason dumpt Medea. Mijn stelling is: je kunt een gelijkwaardige niet dumpen. Daar maakt Jason een kapitale fout. En dat is zo goed aan Euripides: hij benadrukt de eigen verantwoordelijkheid van de mens. Dat maakt het stuk interessant en actueel. Mensen maken afspraken. Sluiten contracten. Zijn aansprakelijk. Zodra je daaraan gaat zitten morrelen, ontstaat er gedoe.’

Tegen Mafaalani: ‘Jij hebt het over een ander soort liefde – dat begrijp ik ook. Ik zie het abstracter. Medea is bereid, volgens een welhaast fundamentalistisch principe, om de liefdesproducten met zichzelf te offeren wanneer het ‘contract’ – ooit gesloten op basis van onvoorwaardelijke liefde – door Jason eenzijdig wordt beëindigd. Ze vernietigt zichzelf als ze die kinderen vernietigt.

‘Elke vorm van pragmatisme is haar vreemd, en dat dwingt ons tot nadenken. Waar gaan principes over, hoe diep gaan verbonden. Mijn standpunt is nu: wij, in onze liberaal-kapitalistische samenleving, we zijn superpragmatisch. Er zijn geen heilige verbonden meer. We gaan eerder bij elkaar weg, we melden ons bij een loket, zoeken steun van een of andere instantie.

‘Medea is radicaal; in haar isolement van dubbele banneling aanvaardt ze de consequentie. Wat je ziet anno nu – en dan trek ik het door natuurlijk, Medea voorbij – is dat wanneer mensen in een isolement terechtkomen, hun referentiekader vervaagt of oplost, dat je te maken krijgt met gevaarlijke energieën. Het ontbreken van partner, familie, vrienden, werk, een sociale context in een dorp, een stad – als dat er allemaal niet is, en er wel onvrede is , dan kan dat leiden tot criminaliteit, rampen – rampen!’

Hij haalt een krantenknipsel tevoorschijn. Het gaat over Grietje B. uit Staphorst. Ze verhing haar driejarig dochtertje aan de zoldertrap en was voornemens alle vier haar kinderen en zichzelf van het leven te beroven. Grietje (29) had het gevoel dat ze er helemaal alleen voor stond, schrijft de krant.

Mafaalani, met een voorzichtig lachje: ‘Ik ben eigenlijk voor het eerst in mijn leven niet zo maatschappelijk bezig.’

Doesburg: ‘Toch wel.’

Mafaalani: ‘Niet in die zin dat ik vragen stel over hoe de maatschappij in elkaar zit. Ik zit nu meer in dat kleine ding: moeder en kind – dat probeer ik tot op het bot uit te kienen. Wat is dat moedergevoel. Wat is dat toch. Wat is die onvoorwaardelijkheid.’

Doesburg: ‘Maar je springt nadrukkelijk in op de actualiteit.’

Mafaalani, in gedachten: ‘Ja. We hebben Ton Verheugt gesproken, auteur van Moordouders, proefschrift over kinderdoding. En geestelijk verzorgers in de gevangenis. Eerst wilde ik de vrouwen zelf benaderen – voor zover die er zijn, want het zijn er weinig die het zelf overleven. Maar inmiddels wil ik dat niet meer, want hoe meer je ervan weet, hoe onmenselijker het is zo’n wond weer open te maken. Aanvankelijk is het een schijnbaar emotieloze daad, keurig uitgestippeld, waarbij het van het grootste belang is dat de kinderen geen argwaan voelen. De vurige Medea-monoloog van vlak voor de moord heb ik nergens gehoord. Het is een stappenplan, met een innerlijke logica binnen een andere realiteit.

‘Na afloop zeggen ze oprecht en eerlijk hoe ze het hebben beleefd. Velen die zo’n ingrijpende daad hebben gepleegd, proberen iets te verbergen om er beter uit te komen; deze vrouwen niet. Ze zijn deels hun geheugen kwijt, vinden het deels niet te bevatten, maar ze verbergen niets. In hun werkelijkheid is er geen andere uitweg. Ze denken nooit: ik breng de kinderen naar m’n zus en ga even voor mezelf zorgen. Komt niet in ze op. De daad vervolgens, is een uitvloeisel van enorm mooie moedergevoelens als: wie zorgt er voor mijn kind als ik er niet meer ben?

‘Wanneer je met ze spreekt komen, in stapjes, de herinneringen terug. Tijdens de rechtszaak bijvoorbeeld. Op de terugweg naar de gevangenis hoor je: de officier heeft gezegd dat ík* zou het? Zou het? Zou ik in staat* Wat denkt u, kan ík? Ik? Dan storten ze in. Verschrikkelijk. Toen heb ik besloten niet rechtstreeks te gaan praten.’

Tegen Doesburg: ‘Het is een Griekse tragedie, joh! In het echie dan, hè!’

Het eindresultaat bij Mafaalani is een combinatie van de klassieker Medea en de ‘echte’ gevallen. De koorteksten zijn vervangen door gerelateerde nieuwsitems die worden gebracht door Noraly Beyer, met wie ze al eerder werkte. Koning Kreon wordt – in Groningen – neergezet door (euro)politicus Max van den Berg, nu commissaris van de koningin in Groningen. Maar de oorspronkelijke structuur van het stuk blijft intact. Al zal het publiek niet helemaal zeker zijn wanneer Medea spreekt, of een Nederlandse moeder.

Mafaalani: ‘Dat je denkt: hopelijk hoor ik hier Euripides. Ik wil die tekst doen en tegelijkertijd inzicht verschaffen in wat wij niet weten. Er zijn geen documentaires, het is als burger moeilijk achter de feiten te komen, je krijgt niet meer dan een snapshot. Wat zit daaronder. Waar schiet hulp tekort.’

Doesburg: ‘Ik wil vooreerst de klassieke tekst tot leven brengen. Dat is een literaire exercitie met een abstracte, maar ook een psychologische kant. Wat ik zo modern vind aan Euripides: er is geen absolute moraal van het verhaal. Het eindigt zonder deus ex machina, maar wel met een knal: hier staan twee mensen met lege handen. Dat is interessant. Dat is vrij actueel.

‘Ik wil ook dingen ontrafelen: abstractie kun je niet spelen. Maar binnen de beperking van die literaire tekst. Ik begon met de prachtige zinnen van Gerard Koolschijn, heb vervolgens alles gelezen, van Verheugt tot en met Christa Wolf. Maar ik ga vrijwillig de beperking aan van de lettertjes die Koolschijn mij levert. Degene die je vervolgens alle kleuren van de regenboog kan laten zien, is Medea. Aan de hand van de personages met wie ze interactie heeft, en ook het koor.

‘Het koor, ja. Wat heeft het koor voor functie, is het Gesundes Volksempfinden, zijn het vriendinnen? De vrouwen in de omgeving van Medea – je hebt er kennelijk ook niks aan. Als puntje bij paaltje komt, sta je in je eentje.’

Mafaalani: ‘Hartverscheurend, als zij zich aan het einde afvragen of ze eigenlijk niet zouden moeten ingrijpen – en dan niets ondernemen. Ik heb dat oprecht willen brengen, met Noraly. Een journalist mag niet ingrijpen, diens taak is het nemen van een foto, ons de werkelijkheid laten zien. Het publiek van nu weet niet meer dat dit inherent was aan het wezen van het koor: niet ingrijpen. Zelf word ik ook moe van die lange teksten, ik ben een ongeduldige regisseur, ik heb een korte spanningsboog*’

Doesburg: ‘Je kunt bij mij cursussen komen volgen, hè*’

Mafalaani: ‘Nee, van dat ouderwetse gelamenteer: ‘ach, arme Medea’ word ik zelfs boos!’

Doesburg: ‘Wat jou eraan ergert, is precies hetzelfde als wat mij stoort aan de huidige samenleving: die constateert van alles, maar doet niks.’

Mafaalani: ‘Alleen: dat staat er niet, Johan! Het siert jou dat jij dit er allemaal in ziet. In jouw kop is het prachtig. . .’

Doesburg, met veelzeggend handgebaar: ‘Hey! I know.’

Tijd voor een sigaret. Voor heel veel sigaretten. Het gesprek verplaatst zich naar de koude trappen voor het etablissement.

Doesburg, herpakkend: ‘Ik houd een verhaal en ik hoop dat alle bellen gaan rinkelen in de zaal. Maar: associatief. Ik ga niet het publiek iets per se actueels door de strot douwen, ik ga niet aan die tekst zitten morrelen, ik doe dat hele ritueel, dat gebed, die hele voorstelling. Wat betreft de actualiteit – ik deel je belangstelling. De samenleving dreigt hier en daar uit elkaar te vallen. Je bemoeit je niet met de buren – dat is niet beleefd. We zijn voldaan, zelfgenoegzaam; we zitten bovenop elkaars lip, maar we zien elkaar niet als er iets aan de hand is.’

Mafaalani: ‘En ik zeg: ieder kind is ons kind.’

Doesburg: ‘Ja. Die samenleving hebben we dus niet. Dat is voor mij ook soms onnavolgbaar, maar door een literair personage te pakken – een concreet, beproefd theaterpersonage – wil ik een universeel onderwerp handen en voeten geven.’

Mafaalani: ‘Juist in deze tijd, met alle rijkdom die we hebben in onze maatschappij, zouden we meer tijd moeten nemen om te kijken naar: wat is een mens. Dat is wat Medea laat zien, een moeder, een mens. En een mens kan veel. Een mens kan tegelijkertijd gelukkig en ellendig zijn. Wij denken: gaat het slecht, dan zuip je whisky en kun je niet eens meer boodschappen doen. Nou, die vrouwen gaan net voor de moord nog een jasje kopen. Om het kind nog even warm te houden. De hele winkel denkt: dit is een liefdevolle moeder. En weet je wat: het was een liefdevolle moeder.

‘En dat is mooi, met die ingang zo’n tragedie te vertellen – om even uit dat misverstand te geraken, het levenslange misverstand van: geluk is alleen maar: je fijn voelen, liefde is alleen maar geweldig. Hoe vaak het leven niet zelf, onverwacht, een steen op je pad brengt. Zo is het! Alles kan morgen als een kaartenhuisje instorten. Ik vind dat ook wel een taak, om dat te laten zien. Daarom misschien staan er dit seizoen wel drie Medea’s.’

Doesburg: ‘Of wij een educatieve taak hebben, dat vraag ik mij af. Of wij de samenleving kunnen beïnvloeden – dat is een heel interessant onderwerp, maar dat valt bijna buiten deze orde.

Mafaalani: ‘Alles beïnvloedt.’

Doesburg: ‘Dat hoop ik.’

Mafaalani: ‘Dat is zo. Waar ik in 2008 nog steeds in geloof, is de uitvinding van de catharsis in het theater. Waar je echt een mens ziet, die ineens ook zwak is. Letterlijk, misschien soms ook als acteur zich even laat kennen. Die catharsis, ook bij dit stuk met dit gegeven, waarvoor heel veel mensen – en niet alleen de kunstelite – huiveren en zich tegelijkertijd stiekem afvragen: zou het mij kunnen overkomen?’

Doesburg: ‘Mijn standpunt is: ja.’

Mafaalani: ‘Die soms schokkende details te zien zonder schade: dat is de deal. De twee jongetjes op toneel gaan applaus halen, dat weet iedereen. En binnen die afspraak, dat kader, kun je een beetje wijzer worden en ontroerd raken – wat heel leuk is, om een traantje te laten bij een verhaal, hè – en te lachen, ook. Het is mijn openingsvoorstelling, er wordt een groot feest gegeven – met Medea, omdat dat bij uitstek al de verschillende levensfacetten toont.

‘Dat zijn de Grieken, daarom heb ik juist nu een Griek gekozen. Om de reinigende catharsis, waarna je zonder akelig gevoel – zoals je dat bij het nieuws kunt hebben – een biertje gaat drinken. Dat kan na een voorstelling. En je hebt iets begrepen wat je om 20.15 uur nog niet wist. Daar gaat voor mij theater om.’

Doesburg: ‘Mijn steekwoord is: empathie. Empathie met het afwijkende, waarvoor geen plaats is in de samenleving. Ik heb niet zozeer de behoefte om de mensheid te beïnvloeden als wel om de wereld te ordenen via het theater. Dat is mijn persoonlijke drijfveer, één die ik wel kan delen. Maar ik heb geen zendingsdrang, als ik mij zou willen inzetten voor een zaak, zou ik niet het medium toneel gebruiken. Nee. Ik wil begrijpen. Begrijpen dat ik Medea zou kunnen zijn. Ben ik beter dan Medea?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden