Hoorn, dol

De weinig flexibele hoorn is eigenlijk totaal ongeschikt voor jazzmuziek. Toch bespeelt jazzmuzikant Morris Kliphuis hem en het klinkt nog goed ook.

'Ken je de vierde symfonie van Tsjaikovski niet?' Tering gast, dat moet ik je echt nog even laten horen.' Hij vouwt zijn laptop open en er schetteren vier hoorns uit de luidsprekers: tèèèèèn te-te-te-te-te tèèèèèn. De ogen van hoornist Morris Kliphuis - sweater, gympies, brilletje - groeien als hij de statige geluidsmuur van het klassieke orkest laat horen. Toch huist in diezelfde blik iets ondeugends: hij is dol op de overweldigende klank van klassieke hoorns, maar speelt jazz, de beweeglijkste muzieksoort, en dan met een a-dynamische hoorn.


Tsjaikovski klinkt in een studioruimte in Amsterdam-Oost. Dat was een dwingende vraag van Kliphuis: 'Ik heb een superkleine kamer met een abominabele akoestiek, misschien is het handiger om ergens anders af te spreken.' We moeten een goed geïsoleerde ruimte hebben, zonder gordijnen en een vloerkeed dat trillingen opslurpt, om de hoorn op zijn best te laten klinken. Beetje maf eigenlijk, zo'n vraag van een jazzmuzikant. Die speelt historisch gezien toch het liefst in rumoerige ruimtes waarin je met alle kracht op je toeter blaast om het publiek met ritmisch geweld stil te krijgen?


Maar Kliphuis bespeelt dus de hoorn. Een instrument dat je relatief weinig ziet in de geïmproviseerde muziek. Jazzinstrumenten moeten een expressiviteit bevatten, een directheid, bam op de tel, opboksen tegen de snelle tikken op de bekkens. De strakgespeelde maatsoorten vormen de basis met syncopes (accenten net voor of achter de puls) als verplichte versiersels. In klassieke muziek hoor je de hoorns achter in de tel, wat mooi en karakteristiek is aan het instrument, maar in ritmische muziek verre van effectief. Hoornisten luisteren vooral naar Mahler, Wagner en Strauss. Niet naar Miles Davis.


Kliphuis klapt fel in zijn handen: 'Het moet gelijk aanspreken, zeker in bebop en hardbop. Als ik Art Blakey (het drummonster van de hardbop) naast me zou hebben, zou ik daar niets mee kunnen.' Hij heeft gelijk. De breekbare, lijzige hoornklank zou totaal vervliegen bij Blakeys opgefokte jazzritmes.


Toch speelt hij met succes jazzmuziek. De band Kapok, het improrocktrio met gitarist Timon Koomen en percussionist Remco Menting, is een revelatie. Ze speelden het afgelopen jaar, na hun bejubelde debuutalbum Flatlands, een keer of vijftig. Kliphuis verliet het orkest van Kyteman, om zich volledig te kunnen storten op Kapok.


Juist die a-ritmische aspecten van Kliphuis' instrument vormen de uitdagende wrijving met jazzmuziek. Zoals het openingsnummer Intro op Flatlands: een golvende gitaarriedel mengt zich in speelse percussie totdat plotseling uitgerekte, klassieke hoornklanken alles overzien. Het contrast maakt nieuwsgierig en suggereert dat er meer is. Ook Kliphuis' ritmische en anticiperende techniek is indrukwekkend. Het lukt hem te funken met een traag instrument en hij woelt zich vinnig in een jolige Italiaanse dans.


Via de klassieke muziek maakte Kliphuis kennis met het instrument: 'Peter en de wolf van Prokofjev, waarin drie hoorns de wolf spelen. Daar hadden we thuis een plaat van, ik was 7 jaar oud. Mijn moeder nam me altijd mee naar klassieke concerten en toen zag ik die dingen, hoorde het geluid en dacht: dat wil ik ook doen.'


In de platenkast thuis lag bijna alleen maar klassieke muziek, zijn moeder was professioneel blokfluitiste. Tot Kliphuis op een plaat stuitte van saxofonist Ben Webster. 'Met Oscar Peterson, heel gave opname is dat. Ik ontdekte ook Chet Baker en ging hem naspelen. Ik wilde improviseren, eigenlijk deed ik dat altijd al.' Kliphuis was geen makkelijke leerling die netjes zijn huiswerk maakte en trouw oefende op klassieke partituren. Studeren deed hij weinig, maar spelen en het instrument ontdekken des te meer. Veel docenten wisten niet wat ze met hem aanmoesten.


Heel even heeft hij getwijfeld. 'Ik heb het wel eens gedacht hoor, die combinatie lukt niet. Kocht ik stiekem een trompet. Maar toen mijn docent daar achterkwam, was hij niet blij. Tja, hoorntechniek is heel kwetsbaar en lastig. Die combineren met een ander mondstuk is vragen om moeilijkheden. Toen ben ik mij volledig gaan richten op de hoorn en ging ik daarop improviseren.'


Hij wilde na de middelbare school doorgaan met de hoorn. 'Ik belde naar het conservatorium met de vraag: kan dat eigenlijk, jazzhoorn studeren bij jullie? Kom maar langs, zeiden ze. Ik heb wat voor ze gespeeld en ben aangenomen.' Tijdens zijn opleiding kreeg hij klassiek hoornles van Herman Jeurissen en tegelijkertijd improvisatie van saxofonisten Jasper Blom en Ferdinand Povel. Die combinatie was uitermate prettig. Zijn liefde voor klassieke muziek mengde op deze manier fijn met zijn improvisatiebehoefte.


Het onorthodoxe karakter vormt de spanning. Improviserende solohoornisten zijn er niet veel. En als ze opdoemen hebben ze een suffig imago. Dan is het vooral leuk omdat het een hoorn is, maar blijft het kwalitatief onder de maat.


Kliphuis probeert het hardop te verklaren. 'Het is een instrument met een indirecte, warme klank. Je blaast zelfs naar achteren.' De hoorn is een instrument met een edel geluid. Bovendien is het een van de langste instrumenten die er zijn, waardoor traag, nauwelijks flexibel en dus eigenlijk totaal ongeschikt voor jazzmuziek. De hoorn heeft reflecties nodig, waar de akoestiek van klassieke zalen op is gebouwd. Daarom is het voor hoornisten heel hard werken in een jazzcafé.


Kliphuis luisterde nauwelijks naar andere hoornisten, maar trok zich op aan jazzblazers Lester Young, Coleman Hawkins en trompettist Freddie Hubbard. Toeval of niet, Hubbard speelde toen hij jong was ook de hoorn, in een schoolband. 'Hij heeft een soort absolute autoriteit, een totale beheersing. Of mij dat ook gaat lukken op de hoorn? Tuurlijk, moet ik alleen wat harder studeren.'


In de band Kapok heeft hij alle vrijheid om de mogelijkheden van de hoorn uit te buiten. Het trio is druk bezig zich te verbeteren in vrije improvormen, zonder de liedvorm te verliezen. Zo volgde het drietal lessen van contrabassist Wilbert de Joode, een autoriteit in de Nederlandse vrije improvisatie. 'Wij kwamen als een soort boeren zijn verfijnde wereld binnen. Het waren heftige sessies, vier uur lang vrij improviseren.'


Het ultieme geluid: te klinken zoals een hoorn echt klinkt. Dat melancholische, misschien een beetje verdrietig zelfs. En tegelijkertijd experimenteren met de potentie van het instrument. Kliphuis zoekt de laatste tijd naar andere, onbekende klanken op de hoorn. Daarin is van alles te ontdekken. Zingen en spelen tegelijk, de ventielen half indrukken, allerlei freaky dingen. 'Zeg, hoe lang heb je deze studio gehuurd?', vraagt hij na afloop van het interview. 'Ga ik nog even pielen.'


Kapok is geselecteerd voor de YoungVIPs Tour 2013. 9/4 Jazz, Arnhem. Tournee: youngvips.nl, kapokmusic.com


Extra: Kyteman verlaten

Morris Kliphuis verliet onlangs het orkest van Kyteman om zich volledig op zijn eigen projecten te storten: 'Het is ontzettend gaaf hoor, Kyte, heel veel geleerd daar. Maar het kost veel energie als je zo vaak voor zo'n groot publiek speelt. De muziek is heftig en het vereist een totale overgave aan deze muziek en aan Colin zijn visie. De reden waarom het zo goed werkt, is dat het hele orkest dat doet. Op een gegeven moment wilde ik de ruimte in mijn hoofd hebben om verder te gaan.'


Extra: Wat voor hoorn?

Kliphuis bespeelt de beshoorn, met een relatief korte buis van circa drie meter. Niet de in orkesten veel vaker voorkomende dubbelhoorn. Zijn hoorn, uit eind jaren tachtig, is een van de laatste die is gebouwd met een beker uit één stuk. Hij is daarom heel dun, als je hard drukt heb je een deuk. Een hoorn heeft draaiventielen, in plaats van pistons op een trompet. Het mondstuk is heel smal en v-vormig, hiermee krijg je een geleidelijke compressie, anders dan het veel bredere en daardoor explosievere mondstuk van de trompet. Geluid uit de hoorn creeër je dankzij de trilling en kracht van je lippen. Belangrijk element is de hand, die in de beker gaat waardoor het geluid minder schel klinkt. Zonder de hand krijg je niet de edele sound die de hoorn zo karakteriseert. Overigens speelt Kliphuis ook de kornet, een instrument dat is geëvolueerd vanuit de posthoorn. Het lijkt op een trompet, maar heeft een iets zachtere klank.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden