HOOP markeert einde van een tijdperk

Het nieuwe Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan (HOOP) is zeker uitdagend en interessant, stelt Frans van Vught. Maar het HOOP draagt allerminst bewijzen aan dat het de eigen doelstellingen - minder studenten, kortere studies - kan bereiken....

FRANS VAN VUGHT

EEN compacter hoger onderwijssysteem, met name voor de universiteiten. Dat is de basisboodschap van het HOOP, het Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan dat op Prinsjesdag voor de vijfde maal in tien jaar verscheen. De groeifilosofie van 'hoger onderwijs voor velen' wordt verlaten. Wel is het de bedoeling dat er in de toekomst ongeveer evenveel diploma's worden uitgereikt als de afgelopen jaren. Maar studeren kan efficiënter, waardoor minder belastinggeld hoeft te worden verspild aan studenten die hun studie staken of te lang over hun studie doen.

De spil in de redenering die tot het idee van compacter hoger onderwijs leidt, is een nieuwe ministeriële 'beleidsrijke raming' van het aantal 'studentenjaren'. Volgens het HOOP zal in de komende tien jaar sprake zijn van een flinke vermindering van het jaarlijkse volume aan studenten, met name bij de universiteiten. Dit is een opmerkelijke voorspelling, vooral omdat het ministerie tot voor kort nog uitging van een lichte stijging van het aantal studenten. Volgens de nieuwe raming zal het aantal studentenjaren in 2000 zijn gedaald van 450 duizend nu naar 410 duizend.

De HOOP-voorspelling is gebaseerd op de aanname dat het aantal studentenjaren drastisch zal afnemen als resultaat van het beleid gericht op de verkorting van de verblijfsduur, vooral in het wetenschappelijk onderwijs. Het HOOP biedt echter weinig onderbouwing voor deze veronderstelling. De wens lijkt de vader van de gedachte, want die geraamde afname is hard nodig om de bezuinigingen in de rijksbijdrage van 200 miljoen per jaar vanaf 2004 te kunnen halen.

De invoering van de prestatiebeurs zou inderdaad het effect kunnen hebben dat studenten sneller gaan studeren en minder zullen willen 'stapelen'. Maar het kan ook zo zijn dat studenten, omdat zij een hoge studieschuld willen vermijden, er de voorkeur aan geven naast hun studie te gaan werken om in hun levensonderhoud te voorzien. Met als gevolg juist een langere gemiddelde verblijfsduur.

Snellere selectie en verwijzing, alsmede een betere studeerbaarheid, kunnen wellicht tot een verkorting van de verblijfsduur leiden. Maar het effect kan ook zijn dat de studenten die naar een andere opleiding moeten overstappen het nieuwe programma niet binnen de gestelde cursusduur kunnen afronden, waardoor er van een verkorting van de gemiddelde verblijfsduur geen sprake meer is.

Het instellen van driejarige hbo-opleidingen voor vwo-gediplomeerden kan ertoe leiden dat deze studenten sneller hun hbo-studie voltooien. Maar het gevolg kan ook zijn dat nagenoeg alle vwo-gediplomeerden allereerst voor het wo kiezen, met als gevolg een ontkrachting van de veronderstelling dat er in het wo een stabilisatie van de vwo-instroom zal optreden.

De toegankelijkheid van het hoger onderwijs blijft gewaarborgd, zo heet het in het HOOP. De bezuiniging wordt gezocht in een vergroting van de efficiëntie, vooral bij de universiteiten en daar dan weer met name in de juridische en sociale wetenschappen.

Het streven is dat degenen die vertraging oplopen snel naar elders worden verwezen, terwijl degenen die hun studie zouden kunnen staken zo snel mogelijk uit het hoger onderwijs moeten worden verwijderd. Studenten moeten meer zelfselectie toepassen. Universiteiten en hogescholen moeten beter en sneller 'door- en wegverwijzen'. In het propaedeuse-jaar mag al na drie maanden een bindend studieadvies worden gegeven.

Om reële doorverwijzingen mogelijk te maken, is een vergaande samenwerking tussen universiteiten en hogescholen nodig. Het HOOP biedt echter geen helpende hand om zo'n samenwerking te verwezenlijken. De opbouw ervan behoort niet tot de landelijke prioriteiten van het Studeerbaarheidsfonds. Zonder die samenwerking komt de toegankelijkheid ongetwijfeld onder druk te staan.

WAT de differentiatie in de cursusduur betreft is het HOOP duidelijk en concreet. Het is de bedoeling dat er naast de vierjarige opleidingen trajecten worden ontwikkeld die afwijken van de uniformiteit: het driejarige baccalaureaat en de tweejarige vervolgopleiding in het wo, de driejarige hbo-opleiding voor vwo- en mbo-gediplomeerden en de professionele masters-opleidingen als vervolg op de initiële hbo-trajecten.

Als het gaat om de nieuwe typen opleidingen wil de overheid veel overlaten aan de instellingen zelf. Toch ontstaat de indruk dat dezelfde overheid het niet kan laten regulerend op te treden, waardoor ontwikkelingen dreigen te worden gefrustreerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor de driejarige hbo-opleidingen. Menige opleiding is al korter dan vier jaar. De instellingen bieden al jarenlang op maat gesneden pakketten aan. Het is heel wel mogelijk dat het opleggen van een driejarige cursusduur deze praktijk eerder frustreert dan stimuleert.

De wo-instellingen wordt de mogelijkheid geboden naar eigen inzicht driejarige baccalaureaats- en tweejarige vervolgopleidingen in te stellen. Rechten en economie zouden bij uitstek geschikt zijn voor een dergelijke structuur. Maar tegelijkertijd wordt erop gewezen dat de driejarige opleidingen zowel een goede aansluiting moeten hebben op de arbeidsmarkt als van een voldoende wetenschappelijk gehalte moeten zijn. Valideringsmechanismen, kwaliteitsbewaking en een toetsingsprocedure worden in het vooruitzicht gesteld. Het effect daarvan zal waarschijnlijk zijn dat er in het wo weinig van de mogelijkheid tot cursusduurdifferentiatie gebruik zal worden gemaakt.

Tot nu toe werd een grote variëteit aan opleidingen als iets positiefs gezien. Maar volgens het HOOP is die variëteit te ver doorgeschoten en is het aanbod niet langer 'transparant' voor studenten en werkgevers. De overheid mag hier echter de hand in eigen boezem steken. Het valt de instellingen nauwelijks te verwijten dat zij gezocht hebben naar mogelijkheden om hun aanbod aantrekkelijker te maken - door nieuwe programma's te ontwikkelen. De bekostigingssystematiek en destijds de op handen zijnde invoering van de Wet op het Hoger Onderwijs en het Wetenschappelijk Onderzoek (met strengere goedkeuringsprocedures voor nieuwe programma's) hebben het instellingsgedrag uitgelokt.

Inperking van de variëteit aan opleidingen kan ook negatieve gevolgen hebben. Nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen kunnen slechts moeizaam worden omgezet in passende opleidingstrajecten. Een sterke beperking van de variëteit ontkent bovendien het interactieve karakter van de relatie tussen opleidingen en arbeidsmarkt.

OP het vlak van de bekostiging bevat het HOOP vergaande voorstellen. Het is de bedoeling dat in de toekomst wordt omgeschakeld naar een 'diplomabekostiging'. In plaats van op basis van het aantal studenten, zullen de instellingen worden gefinancierd aan de hand van de hoeveelheid 'getuigschriften'.

Het budget dient volgens het HOOP van te voren in onderhandelingen met het ministerie te worden vastgesteld. Een probleem van deze aanpak is dat 'de vraag' moeilijk is te schatten. Wat te doen indien zich meer klanten aandienen dan waarop gerekend was? Het is niet ondenkbaar dat er wachtlijsten ontstaan, waardoor private initiatieven van de grond kunnen komen.

De huidige aanpak van de bekostiging is gebaseerd op een groeimodel en zoals de 'beleidsrijke raming' van de studentjaren laat zien, is die groei er volgens het ministerie nu uit. De nieuwe bekostigingsfilosofie in het HOOP is zeker interessant en uitdagend. Het uitgangspunt lijkt te zijn dat de instellingen maximaal gestimuleerd moeten worden tot efficiënt gedrag, onder handhaving van een hoog niveau van kwaliteit en een maximale toegankelijkheid.

Binnen dit kader krijgen de instellingen een tamelijk grote beleidsvrijheid. Maar zij zijn ook verantwoordelijk voor het plannen van hun eigen capaciteit. De kosten van overtollig personeel komen voor rekening van de instellingen. De minister wenst niet op te draaien voor de wachtgelden. Er komt dus veel op het bordje van de instellingen te liggen. Zij zullen garanties van het ministerie moeten zien af te dwingen om zich in te kunnen dekken tegen calamiteiten.

Het nieuwe HOOP markeert het einde van een tijdperk. Volgens de bewindslieden is de groei in het hoger onderwijs definitief voorbij en dient het hoger onderwijsbeleid daaraan te worden aangepast. Het is de vraag of de betrokkenen en de samenleving het hiermee eens zullen zijn.

Frans van Vught is directeur van het Centrum voor Studies van het Hoger Onderwijsbeleid (CSHOB), gevestigd aan de Universiteit Twente.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden