Hoogbarokke Orfeo dient een doel

Orfeo ed Euridice, van Christoph Willibald Gluck. Nationale Reisopera met het eigen koor en de Amsterdamse Bach Solisten. Muzikale leiding Marc Minkowski....

De dichter J.W. Oerlemans heeft het ergens over 'muziek die tegen de dood op kan', en dat is vermoedelijk de meest compacte formulering die je voor het Orpheus-motief verzinnen kan. Hoever gaat de troost die de muziek, en bij een wat ruimere opvatting de kunst, je biedt oog in oog met de vergankelijkheid? Orpheus die met zijn zangen zijn gestorven geliefde uit het dodenrijk mag proberen terug te halen, het gebrek aan vertrouwen in schoonheid en liefde dat Euridice op haar beurt aan de dag legt, daar gaat het om, bij hen toen, bij ons nu - en om de manifestatie van schoonheid waar al die narigheid, getoonzet en berijmd, weer in uitmondt. Het verhaal van Orpheus in om het even welke artistieke verwerking, dat is altijd meteen een commentaar op zichzelf, niveau en metaniveau in een.

De eerste vraag die beantwoord moet worden wanneer je Glucks Orfeo ed Euridice gaat ensceneren is daarom of je als regisseur vindt dat we hier met een mythe, een parabel, een sprookje of een verhaal te maken hebben. Betreft het hier, anders gezegd, een individuele geschiedenis, een alleraardigst verzonnen verhaaltje of een universeel voorbeeld. De entourage verraadt de beslissing - sterker nog dan de feitelijke regie en choreografie onthullen decor en kostumering de gedachten van de regisseur.

Toen Peter Te Nuyl enkele jaren geleden bij de Nederlandse Opera Orfeo ed Euridice in een volkomen geabstraheerd decor plaatste, een onderwereld die tijdloos en plaatsloos was, was zijn intentie in een oogopslag duidelijk. De machteloosheid en de onlesbaarheid van de liefde, het wanhopige gebaar dat de kunst maakt tegen de dood, het waren wat hem betreft eeuwige thema's, onthecht van namen, plaatsen en data.

Waldemar Kamer maakt er bij de Nationale Reisopera een hoogbarok drama van, waarbij je je bij eerste aanblik afvraagt of het hier soms gaat om een benefiet-voorstelling voor het onlangs afgebrande achttiende-eeuwse Venetiaanse operahuis La Fenice. Ze is streng en gestileerd in haar bewegingen, overdadig rijk in haar aankleding: dames met van die Jacoba van Beieren-kapsels en heren die zo van Isings' wandplaten over het middeleeuwse hofleven afgestapt lijken voeren meticuleus hun deftige dansen uit. Het is soms bijna teveel van het mooie.

Maar het dient een doel. Kamers Orfeo is een achttiende-eeuws verhaal, met hier en daar sprookjesachtige elementen. Het is een opvatting waarin teruggegaan wordt naar wat die opera tweeëneenhalve eeuw geleden was, een uitgesponnen metafoor op muziek, met voor de hand liggende mogelijkheden tot moraliseren en getoond in een kijkdoos. De strenge wijze waarop de Amsterdamse Bach Solisten Glucks muziek uitvoeren versterkt die indruk: we krijgen Orfeo ed Euridice voorgezet zoals ons een museumstuk getoond wordt, zonder actualiseringen, verwerkingen of herinterpretaties.

Dat is aangenaam en charmant - en soms ronduit mooi. Zoals een oud beeld of schilderij, ook zonder dat je er een postmoderne bewerker op los laat, niet alleen een historische sensatie kan bewerkstelligen, maar ook een die gaat over, laat ik maar zeggen eeuwige waarden of inzichten, zo koestert deze Orfeo ook de oude, onaantastbare schoonheid van Glucks werk. Het is wat het is, zo achttiende-eeuws als het is.

En soms is het net iets meer dan dat, ook al is Linda Maguire's stem voor Orfeo wel erg jong en op het ijle af ondoorleefd. De drie lagen van het decor, die van de wereld die Orpheus verlaten moet, die van het dodenrijk waarin hij aankomt en die van het oerlandschap aan gene zijde van de doodsrivier waarin hij zijn geliefde toch moet achterlaten, ze vertellen je dat deze wereld niet de echte is - en dat de kunstenaar hooguit kan verbeelden hoe het er achter de schermen van de dood voorstaat. Als Orpheus dan zijn beroemde Che farò senza Euridice uitkrijt, met een schitterende, bijna smartelijk zingende viool eronder, tja, dan maakt het niet zoveel uit, de achttiende eeuw of de twintigste, Wenen of Enschede. Het oor wordt niet moede te horen en het oog wordt niet moede te zien.

Michaël Zeeman

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden