HOOG WONEN

Tijdens de Open Monumentendagen dit weekeinde is het gerenoveerde Justus van Effencomplex een must. Een fraai staaltje volkshuisvesting dat een glimp moest geven van een betere wereld.

Dit weekeinde zijn de Open Monumentendagen speciaal gewijd aan buitenplaatsen. Allerlei kastelen en landgoederen staan open voor publiek. Wie echt een groots, tot voor kort verborgen monument wil ontdekken, moet vooral de Rotterdamse volkswijk Spangen niet vergeten. Daar is met man en macht het Justus van Effencomplex voor de open monumentendagen klaargestoomd.

Terecht. Deze schepping van architect Michiel Brinkman uit 1922 is wel geen kasteel, maar heeft er veel van weg. Het is zowat het belangrijkste monument van de vooroorlogse Nederlandse volkshuisvesting. Decennialang stond het er treurig bij, volledig uitgewoond, verwaarloosd, witgeschilderd. Maar afgelopen donderdag werd een haast volmaakte renovatie afgerond en nu is het weer stralend. Bovendien hebben renovatiearchitecten Joris Molenaar en Arjan Hebly niet alleen de oorspronkelijke architectuur hersteld, maar ook de bezieling die er ooit aan ten grondslag lag nieuw leven ingeblazen.

In 1922 bewees Nederland met juist dit complex dat de overheid hier ver vooruit liep in het maken van fatsoenlijke arbeidershuizen. Nog steeds is tot in Japan de oude foto bekend van de melkboer die, met handkar en al, via een verhoogde straat zelfs bij de bewoners van de bovenhuizen kon langsgaan. Dat was onvoorstelbaar innovatief in een tijd dat de meeste arbeidersgezinnen in akelige, bedompte gebouwen woonden - per gezin één kamer met wat bedsteden, soms tien gezinnen aan één trap. In Spangen gaf architect Brinkman (1873-1923) elk gezin een volwaardige woning. Iedereen had een eigen keukentje, centrale verwarming en zelfs een eigen voordeur. Dat laatste was te danken aan de grootste vondst: die bovenstraat. Een meters brede galerij waaraan de woningen van twee- en driehoog hun eigen voordeur hadden. Daar kwamen, speciaal voor hen, dus ook de melkboer, bakker en de groenteboer langs, die de hoge straat bereikten via grote, elektrische liften.

Die verhoogde straat was trouwens veel interessanter nog dan de icoonfoto met melkboer toont. De echte kwaliteit ervan ervaar je pas ter plekke, namelijk dat die hoge straat langs alle blokken slingert en daar een verhoogde stad op zich vormt, met kromme straten, stegen en pleintjes.

Dat dit unieke complex kon ontstaan, wordt meestal toegeschreven aan de gemeentepolitiek. De gemeente Rotterdam begon zich net in die tijd de slechte huisvesting van haar arbeiders aan te trekken. Het was ook echt het idee van de eerste directeur van de Gemeentelijke Woningdienst, Auguste Plate, die daarom een nieuwe wijk buiten de stad wilde bouwen, Spangen dus. Hij besliste ook dat dit wel een echte stadswijk moest worden. Geen tuindorp dus, zoals tuindorp Vreewijk in Rotterdam-Zuid: een enclave van laagbouwwoningen met eigen tuintjes. Brinkman moest hier hoogbouw maken, 264 woningen op één hectare.

Geniale hof

Hier echter houdt de invloed van de overheid op. Plate was waarschijnlijk óók tevreden geweest als Brinkman de gebruikelijke vorm had gekozen van twee gesloten bouwblokken rond binnenterreinen. De architect kwam echter met zijn geniale alternatief van één grote hof waarvan de hoge randbebouwing die hele hectare omzoomt. Een hof die bovendien is onderverdeeld in kleinere hoven die door smalle, hoge gebouwen van elkaar gescheiden zijn, maar tegelijk door poorten onderling zijn verbonden. De bovenstraat deed iets vergelijkbaars in verticale richting: de galerij verdeelde het complex in een boven- en een benedenwereld die met elkaar in contact stonden. Belangrijk was ook dat het complex een heus centrum had: en hoog bad- en washuis in het midden van het complex, dat nog steeds boven alle woningen uittorent. Hier waren douches voor algemeen gebruik en zalen met tobbes en kamers om de was te drogen.

De bekende, politieke en sociale achtergronden zijn slechts een deel van het verhaal. Het belangrijkste ontbreekt. Brinkmans geniale plan kwam voornamelijk voort uit andere idealen. Het bijzondere van de jongste renovatie is dat Molenaar en Hebly juist die, tot nu nauwelijks belichte, ideeënwereld van Brinkman, als leidraad hebben gekozen.

Brinkman was rond 1920 een vooraanstaand lid van de internationale Theosofische Vereniging. Tegenwoordig kleeft theosofie aan dat het zweverig zou zijn, maar in die tijd lag dat anders. Het werd niet gezien als een religie, eerder als wetenschap; aanhangers zochten naar de universele kennis en wijsheid die in de verschillende culturen en religies verborgen zouden moeten zijn. In het begin van de 20ste eeuw hadden theosofen wel degelijk iets van gelovigen: ze deelden de overtuiging dat de mensheid op het punt stond een enorme sprong in haar ontwikkeling te maken.

Dit werd gevoed doordat enkele leiders in 1910 in India een kleine jongen hadden gevonden, Jiddu Krishnamurti, die mogelijk een nieuwe messias zou zijn. Dat bleek uiteindelijk niet het geval, althans, Krishnamurti verklaarde in 1929 openlijk (voor het oog van tienduizenden in het Nederlandse plaatsje Ommen) dat hij van die roeping af zag. Maar dat was vier jaar ná de plotselinge dood van Brinkman.

Als je dat eenmaal weet, kun je overal zien hoezeer het Justus van Effencomplex een uitdrukking is van deze hooggestemde verwachtingen. In alles wilde Brinkman tonen hoe zo'n betere wereld eruit kon zien. Zijn woningen doen méér dan enkel onderdak verschaffen. Hij groepeerde en detailleerde ze zodanig dat ze de arbeiders ook hogere waarden bijbrachten, zoals individuele waardigheid en gemeenschapszin. Voor Brinkman was dat de diepste reden om elk arbeidersgezin in Spangen zo'n mooi eigen huisje met een eigen voordeur aan de straat te geven - zelfs de bovenwoningen. Het was ook zijn reden om alle huizen te doordrenken met licht. De woningen die in donkere hoeken zaten, kregen glasrijke erkers en witgestuukte muren. De allerhoogste woningen kregen eigen balkons.

Dit bevorderde de 'waardigheid' van de bewoners. Even belangrijk was dat zij zich een gemeenschap zouden weten. Om die reden gaf Brinkman het Justus van Effencomplex de afwisselende indeling van hoven, onderling verbonden met poorten. Overal voelde je dat je deel was van een geheel, tegelijk was elke plek net anders. Ook dat kenmerkt het theosofische gedachtengoed waar in principe elk detail het geheel weerspiegelt en het grote geheel - in het geval van dit woningproject: de hovenstructuur met duidelijk centrum - vanuit elk onderdeel is te zien.

Houten kozijnen

Dat precies is wat je proeft, voelt en opsnuift als je nu door het vernieuwende Justus van Effencomplex wandelt. Geen moeite is Molenaar en Hebly te veel geweest om juist die diepere bedoelingen van Brinkman weer geheel tot uitdrukking te laten komen. Alle sporen van een eerdere goedkope restauratie zijn zorgvuldig weggehaald: de witte gevelverf, de plompe kunststof kozijnen, de plastic bloembakken. Ramen en deuren hebben weer houten kozijnen met ongeveer hun oorspronkelijke indeling. De prachtige vroegere (individuele!) balkonnetjes zijn in ere hersteld. Dat geldt ook voor de zogeheten 'melkmeisjes', de entrees waarbij deur met raam een eenheid vormt: de trotse deur van elk gezin. En het lijkt misschien onbeduidend dat in de vernieuwde bovenstraat zelfs de betonnen bloembakken zijn teruggebracht. Maar Molenaar en Hebly begrepen hoe essentieel deze voor Brinkman waren: de bovenbewoners werden hierdoor gelijkgesteld met hun benedenburen.

Met de grootst mogelijke zorg zijn ook alle vroegere baksteenmotieven precies teruggebracht, hoe lastig dat ook was met de kwetsbare ijsselsteentjes. Dat levert nu een prachtig beeld op, met subtiel verspringende gevels en kleurrijke patronen van glastegeltjes in het beton. Dat was op zich niet nodig om het complex weer bewoonbaar te maken, maar is toch gedaan. Puur omdat het vermoeden bestond dat Brinkman vanuit zijn theosofische overtuigingen met ingenieuze maatvoering en ordeningssystemen heeft gewerkt. Het effect liegt er niet om, want ook zonder dat je weet wat hij precies heeft bedoeld, is duidelijk dat juist dit het geheel zijn karakter geeft. Al die details versterken de eenheid, de schoonheid, de hoofdopzet van het geheel.

Het mooiste is nog wel dat Molenaar en Hebly er desondanks in zijn geslaagd moderne, energiezuinige en rijk gevarieerde woningen te maken - precies zoals hun opdrachtgever wenste. Dat stond de architectuur van Brinkman namelijk helemaal niet in de weg. Slechts daar waar het de oorspronkelijke architectuur niet aantastte, voegden Molenaar en Hebly iets toe, als dat het gebruik vergemakkelijkte. Mooi voorbeeld is de trap die in veel benedenwoningen is te vinden. Het onderstuk daarvan kan worden opgeklapt, waarmee een keldertrap bereikbaar wordt. De klaptrap was een uitvinding van Brinkman maar het was aanvankelijk een zwaar geval, waar vaders aan te pas moesten komen. Tegenwoordig heeft hij een contragewicht en is de bediening vederlicht. Een kind kan zelf de kelder in.

Je beseft pas echt waarom deze aanpak zo grandioos is, als je bedenkt dat het het ook anders had gekund. Mededingers van de prijsvraag waarmee Molenaar en Hebly in 2000 deze opdracht wonnen, kozen vooral voor het aanbrengen van meer wooncomfort, met dakopbouwen en parkeergarages. Dat had waarschijnlijk net zo funest uitgepakt als de renovatie uit 1985 waarbij 264 woningen zo goedkoop mogelijk werden samengevoegd tot 164 goedkope woningen - omdat de bewonerswensen tot het uitgangspunt waren geweest.

De gekozen aanpak maakt de dromen van Brinkman weer herkenbaar en laat zien dat die in wezen tijdloos zijn. Ze overstijgen korte modes. De woningen zijn nu weer ouderwets karaktervol, ook met hun nieuwe energievoorzieningen. De weidse bovenstraat past zich moeiteloos aan aan nieuw gebruik. Er hoeft geen melkboer meer overheen, maar het is nu een prima pleisterplek waar bewoners hun bankjes en bloemen zetten.

Ook het bad- en washuis hoeft echt geen mensen meer schoon te houden om zijn bestaansrecht te bewijzen. Het heeft op dit moment nog geen functie, maar dat kan de pret niet drukken. Enkel en alleen al dat het daar als middelpunt staat te pronken, is voor het scheppen van een gevoel van gemeenschappelijkheid genoeg.

De jaren twintig van de vorige eeuw staan bekend als de gouden tijd van de Nederlandse volkshuisvesting. Ons land wordt daarom wel de bakermat genoemd van de moderne woningbouw. Het Justus van Effencomplex kan, net als de uitbundige baksteenarchitectuur van de Amsterdamse School, worden gezien als een pril begin daarvan. Vooral de riante bovenstraat van het Justus van Effencomplex inspireerde veel moderne architecten tot navolging, zij het meestal in afgeslankte vorm. Nadat de gedachtenwereld erachter verloren was gegaan, zouden functionaliteit en zuinigheid de overhand krijgen. Uiteindelijk werd het bovenstraat-idee meestal beperkt tot smalle galerijen, liefst een heleboel boven elkaar.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden