Hoog prijzengeld is ook een goed doel

De discussie over de loterijen negeert de kopers van loten. Het kabinet wil de Staatsloterij ook verplichten tenminste 25 procent aan goede doelen af te staan....

Willem Velema

DE Staatsloterij moet van het kabinet een 'gewone' loterij worden. Dan hoeft zij ook niet meer minimaal 60 procent van de inleg als prijzengeld uit te keren. In 2000 ging 67 procent in de prijzenpot, waardoor het voor de deelnemers verreweg de gulste Nederlandse loterij is. Als de 'harmonisering' van de Nederlandse loterijen voltooid is, hoeft de Staatsloterij daarnaast niet langer 19 procent van de inleg aan de staat af te staan. In 2000 beliep deze afdracht 250 miljoen gulden. De schatkist vangt dan nog altijd aanzienlijk meer dan zelfs de allergelukkigste winnaar. Wie een prijs van duizend gulden of meer wint, moet namelijk 25 procent kansspelbelasting betalen. Dat beliep in 2000 bij de Staatsloterij 72 miljoen gulden. De Staatsloterij maakt relatief ook lagere kosten dan 'goededoelenloterijen' als de Postcode Loterij, die niets aan de overheid hoeven af te dragen. Als de afdracht aan de overheid vervalt, kan de Staatsloterij de andere loterijen dan ook met nog groter gemak aftroeven qua klantvriendelijkheid - door nóg meer prijzengeld aan de deelnemers uit te keren.

In de discussie over de toekomst van de loterijen gaat het over van alles, behalve over de belangen van de mensen die lootjes kopen. Toch is daar alle reden voor. Loterijen zijn namelijk vooral geliefd bij de 'lagere welstandsklassen'. Voor wie het niet breed heeft, geen mooie erfenis in het vooruitzicht heeft, en voor wie zelfverheffing dankzij een goede opleiding of uitzonderlijke talenten niet tot de mogelijkheden behoort, is een prijs uit de loterij immers een van de weinige mogelijkheden voor sociale stijging en bijbehorend levensgeluk.

Met name voor geboren losers zijn kansspelen de belangrijkste legale mogelijkheid om te scoren. Loterijen vervullen daarmee een belangrijke sociale functie in onze prestatiegerichte, meritocratische samenleving. Veel pechvogels hebben begrijpelijkerwijs dan ook geen boodschap aan (doorgaans beter gesitueerde) zedenprekers die beweren dat deelname aan loterijen weggegooid geld is, een 'belasting op onnozelheid'.

Juist omdat loterijen toch al een grotere kans bieden op verlies dan op winst, hoort regulering van loterijen de doorsnee deelnemer een minimale kwaliteit te garanderen. Dat wil zeggen: iedere loterij zou minimaal een vast en substantieel deel van de inleg als prijzen moeten uitkeren. Wat dat betreft presteert de Postcode Loterij, vergeleken met de Staatsloterij, ronduit beroerd. Een schamele 23 procent van de inleg gaat naar de prijzen. In het huidige bestel is daar voor de organisatoren ook geen ontkomen aan, omdat goededoelenloterijen wettelijk verplicht zijn tenminste 60 procent van de inleg aan de goede doelen af te staan. De deelnemers - ook bij de Postcode Loterij overwegend minder bedeelden - zijn daarvan de dupe. Uit onderzoek blijkt dat die helemaal niet primair geïnteresseerd zijn in de goede doelen. Deelnemers worden vooral gelokt door de hoop op een 'klapper'.

Het kabinet wil de verplichte afdracht van de Postcode Loterij verlagen tot minimaal 25 procent. Deelnemers zullen er daardoor in de toekomst mogelijk wat minder bekaaid afkomen. Maar omdat de kosten van de Postcode Loterij 16 procent van de inleg bedragen, kan dan nog altijd het prijzengeld met de beste wil van de wereld niet hoger worden dan wat de Staatsloterij nu al biedt. En als de Staatsloterij wordt verlost van haar verplichte afdracht aan de staat, en het vrijkomende geld voortaan aan de deelnemers ten goede laat komen, wordt het verschil voor de Postcode Loterij zelfs volstrekt onoverbrugbaar. Geen wonder dat de Staatsloterij in Nederland marktleider is, met circa 50 procent van de totale loterij-omzet. Kwaliteit wordt ook bij loterijen door de consument gewaardeerd.

Het had voor de hand gelegen dat het kabinet de vernieuwing van de regelgeving had aangegrepen om deelnemers aan álle loterijen een soortgelijke kwaliteitsgarantie te bieden als bij de Staatsloterij, door ze allemaal te verplichten een fatsoenlijk minimum aan prijzen uit te keren. Net zoals een chocoladereep een minimum aan cacao moet bevatten om die naam te mogen dragen. Door de Staatsloterij toe te staan eventueel nog meer prijzengeld uit te keren, worden bovendien de andere loterijen gestimuleerd om het niet bij het wettelijke minimum te laten - en bovendien hun kosten beter te beheersen.

Maar aan de deelnemers heeft het kabinet geen boodschap. Integendeel, het stelt voor dat ook de Staatsloterij geen gegarandeerd minimum aan prijzen meer hoeft uit te keren. En met een misplaatste, quasi-liberale verwijzing naar een level playing field, wil het de Staatsloterij bovendien verplichten ook tenminste 25 procent van de inleg aan goede doelen af te staan. Daardoor zal het prijzengeld vermoedelijk omlaag moeten gaan in plaats van omhoog.

Daarmee wordt eraan voorbijgegaan dat een hoog prijzengeld óók een goed doel is, waaraan bovendien verreweg de meeste deelnemers meer waarde hechten dan aan de goede doelen die de Postcode Loterij ondersteunt. Verplichte afdrachten door álle loterijen is in feite een verkapte belasting, die ook nog onevenredig zwaar op minder draagkrachtigen drukt.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden