Hongaren weten zich geen raad met hun vrijheid

De deelnemers aan een politieke debatavond praten nog na in de staatsiezaal van het prestigieuze Fasori Evangelikus Gymnazium wanneer ze de volgende vraag voorgeschoteld krijgen: ‘Wat is er fout aan Hongarije?’ Zelfs diegenen die het aangeboden glaasje wijn hebben afgewezen, kunnen hun lach niet inhouden....

Dat er is iets fout is aan Hongarije weten ze maar al te best. Van de voorbeeldfunctie die Hongarije onmiddellijk na de val van het communisme in het voormalige Oostblok vervulde, blijft zo goed als niets over. Terwijl de buurlanden er met rasse schreden op vooruitgaan, is de Hongaarse economie aan het slabakken. Vorig jaar haalde Hongarije een groei van amper 1 procent, waarmee het bleek afsteekt tegen Slovenië (5 procent), Roemenië (6) of Slowakije (14). Zelfs de buren die niet tot de Europese Unie behoren doen het veel beter.

Waarom het fout gaat, is minder gemakkelijk uit te leggen. De meeste aanwezigen beginnen over het begrotingstekort (het grootste in de EU) en de belastingen (alleen de Belgische fiscus eist meer), maar ze weten dat de Hongaarse crisis diepere oorzaken heeft.

‘Onder het communisme hadden we het beter dan onze buren’, probeert een student. ‘Het kapitalisme ligt hier slecht in de markt.’ Dat bleek wel toen de regering enkele maanden geleden met het voorstel kwam om studenten inschrijvingsgeld te laten betalen en om een kleine bijdrage te vragen voor doktersbezoeken. Premier Ferenc Gyurcsany had gehoopt op die manier wat te doen aan het enorme begrotingstekort. Maar de rechtse oppositie maakte van het voorstel een krachtmeting met de regering. In een referendum wees een verpletterende meerderheid van de Hongaren het voorstel af.

Niet dat de linkse regering vrij is van schuld. Toen de postcommunistische Hongaars Socialistische Partij in 2002 aan de macht kwam, gaven ze het overheidspersoneel een loonsverhoging van 50 procent. De begroting is die financiële aderlating tot op de dag van vandaag niet te boven gekomen. Weliswaar is het tekort teruggedrongen van 9 tot 5 procent, maar het is nog altijd dubbel zo groot als dat van Groot-Brittannië, de voorlaatste in de Europese Unie. Van een snelle toetreding tot euroland kan Boedapest alleen maar dromen.

De Hongaren zouden de Hongaren niet zijn als ze de toekomst niet somber zouden inzien, en de aanwezigen in het Evangelikus Gymnazium vormen geen uitzondering. ‘We weten onszelf geen raad met onze herwonnen vrijheid, treurt Gabor Talmacsi, een andere student, en hij begint aan een opsomming van de volkeren die het sinds de vijftiende eeuw in Hongarije voor het zeggen hadden: de Turken, de Oostenrijkers, de Duitsers, de Russen. Hij vindt, net als zijn collega, dat de Hongaren met hun hoofd in het verleden leven. ‘We willen dat anderen zich over ons ontfermen.’

Richard Szentpeteri Nagy van de Corvinus Universiteit van Boedapest zal hem niet tegenspreken. Sinds het begin van de jaren negentig is Hongarije in twee blokken verdeeld, legt de politicoloog uit. ‘Ben je een slachtoffer van het communisme, dan stem je voor de Fidesz-partij van ex-premier Orban. Had je onder het communisme niet te klagen, dan steun je de socialisten van premier Gyurcsany. Andere partijen komen er vrijwel niet aan te pas.’

Zo groot zou de kloof tussen links en rechts zijn, dat er gezinnen door uit elkaar vallen. Vrienden die niet meer met elkaar spreken omdat ze tot een verschillende politieke familie behoren, zijn geen uitzondering in Hongarije.

Sinds Gyurcsany na de parlementsverkiezingen van twee jaar geleden al vloekend toegaf gelogen te hebben over de toestand van de Hongaarse economie, zijn die tegenstellingen op de spits gedreven. Protestbetogingen tegen de eerste minister draaiden toen uit op zware rellen. Sindsdien dringt de rechtse oppositie aan op zijn aftreden.

Maar dat zit er niet aan te komen. Gyurcsany heeft laten weten dat hij er niet aan denkt om op te stappen. De Hongaarse economie zal daar niet beter van worden: willen de socialisten nog een kans maken in 2010 de verkiezingen te winnen, zullen ze pijnlijke hervormingen achterwege moeten laten.

Ook het aangekondigde vertrek van de liberalen (Alliantie van Vrije Democraten) uit de coalitie zal wellicht geen soelaas bieden. Gyurcsany verliest dan weliswaar zijn parlementaire meerderheid, maar omdat de kleine liberale partij bij de volgende verkiezingen uit het parlement dreigt te verdwijnen, ziet het er niet naar uit dat ze het de regering de volgende jaren lastig gaat maken.

Slechts een van de deelnemers aan de debatavond ziet licht in de duisternis. ‘Levente de Eerste’, zegt hij, wanneer gevraagd wordt naar een uitweg uit de malaise. Hij blijkt een brief naar het parlement te hebben gestuurd waarin hij zichzelf heeft uitgeroepen tot koning van Hongarije.

Waarop zijn aanspraken gebaseerd zijn, wil Levente Tozser, een jonge twintiger, niet zeggen, maar dat zijn land een koning nodig heeft, staat volgens hem als een paal boven water.

‘Kijk’, zegt hij, terwijl hij zich opmaakt voor een staatsieportret, ‘Nederland, België, Engeland, Zweden, Noorwegen, ze zijn allemaal rijk.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.