Reportage Honderd jaar burgerluchtvaart

Honderd jaar burgerluchtvaart op het NDSM-terrein: een ode aan het vliegen als onbezoedeld avontuur

Met enige moeite krijgen de vliegeraars hun vliegers van eigen makelij – beduidend groter en vormrijker dan de vliegers die je in de hobbywinkel kunt kopen – de lucht in boven het voormalig NDSM-terrein. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Vliegeraars van de oude stempel vieren honderd jaar burgerluchtvaart op een winderig NDSM-terrein. ‘Opblaasbare vliegers? Die kun je ook bij Alibaba bestellen.’

Stormen doet het niet meer, deze zondagmiddag op het NDSM-terrein in Amsterdam-Noord. Maar voor de vliegeraars die hier hun creaties aan de elementen toevertrouwen, zijn de weersomstandigheden – in de woorden van een van hen – ‘uitdagend’. Het waait harder dan hun lief is, en de wind is ook nog eens vlagerig. Met enige moeite krijgen ze hun vliegers van eigen makelij – beduidend groter en vormrijker dan de vliegers die je in de hobbywinkel kunt kopen – de lucht in.

Peter Gaulhofer heeft meerdere vliegers in gereedheid gebracht, varianten van zijn uit 1995 stammende bijennest-ontwerp: twaalf zeskantige doosjes die door drie diagonale stokken strak werden getrokken. En Toon Hannink, door Gaulhofer aangemerkt als dé autoriteit van vliegerend Nederland, is in de weer met een ‘extended Cody’: een van de vele varianten op een ontwerp van vliegerpionier Samuel Franklin Cody – die in 1913 bij een crash met een zelf ontworpen watervliegtuig om het leven kwam.

De show brengt weliswaar niet het visuele spektakel waar organisator Hans Dijk op had gehoopt, maar kan toch als passende ode worden opgevat aan honderd jaar burgerluchtvaart. Want ook de eerste generatie verkeersvliegtuigen – creaties van hout en textiel – was in hoge mate gevoelig voor de elementen. Even verderop, achter de loodsen van de vroegere NDSM-werf, vond van 1 augustus tot 14 september 1919 de Eerste Luchtverkeer Tentoonstelling Amsterdam (ELTA) plaats. Met dit evenement, waarvan ook een zogenoemd lunapark deel uitmaakte, wilden initiatiefnemers Albert Plesman en Marinus Hofstee (beiden vliegers) het Nederlandse publiek de zegeningen van de luchtvaart tonen.

De ELTA - De Eerste Luchtvaart Tentoonstelling Amsterdam van 1 augustus tot 14 september 1919. Twee vliegtuigen geven een demonstratie boven het vliegterrein. Beeld Collectie Spaarnestad

Dit vereiste enig missiewerk. In orthodox-christelijke kringen leefden bezwaren tegen de luchtvaart in het algemeen omdat God de lucht zou hebben geschapen voor de vogels, maar niet voor de mensen. En zeker niet voor overmoedige mensen: ‘Gij vermetele zult gestraft worden met hel en verdoemenis.’ Veel andere Nederlanders associeerden de luchtvaart, een jaar ná de Eerste Wereldoorlog, vooral met de militaire toepassing daarvan. Plesman en Hofstee propageerden met de ELTA het civiele gebruik van het vliegtuig – ook als vorm van Seelenmassage voor de oprichting van de KLM, enkele maanden later. Met ongelukken en luchtacrobatiek zou het in vredestijd reuze meevallen, bezwoer Hofstee in zijn brochure Het reizen per vliegtuig in de toekomst. En hij hield serieus rekening met de mogelijkheid dat een luchtreis naar toenmalig Nederlands-Indië ooit in vier dágen zou kunnen worden afgelegd – tegen vier weken per boot.

Heel veel mensen wilden deelgenoot worden van de toekomst die Hofstee zo verwachtingsvol had beschreven. Gedurende zes weken trok de ELTA ruim een half miljoen bezoekers. Ruim drieduizend mensen maakten een rondvlucht boven Amsterdam – tegen betaling van 40 gulden, bijna driemaal het weekloon van een ‘geschoolde arbeider’. Certificaten waarmee deelnemers aan deze attractie konden aantonen dat zij écht hadden gevlogen, waren verkrijgbaar voor één gulden.

Niet vlekkeloos

Helemaal vlekkeloos verliep de ELTA overigens niet. Vlak voor de opening, op 1 augustus, crashte een tweedekker op het IJ – waarbij een van de twee inzittenden om het leven kwam. De Handley Page – met 41 zitplaatsen toentertijd het grootste verkeersvliegtuig ter wereld – kwam bij zijn landing op drassige grond terecht, als gevolg waarvan – volgens een verslag in de krant – ‘het ganse toestel voorover boog’ en bijna loodrecht tot stilstand kwam. En dan was daar nog het bijna-ongeluk dat werd veroorzaakt door de Belgische parachutist Alfred Morescant Kessner: hij raakte op grote hoogte bevangen door angst en greep zich vast aan een van de stabilisatievlakken van zijn Fokker-vliegtuig. Om te voorkomen dat het toestel op de toekijkende menigte zou storten, moest Kessner overboord worden gegooid. ‘Pas na 150 meter opende parachute zich.’

1919: de Handley Page blijft bij de daling op het terrein van de ELTA luchtvaarttentoonstelling in de slappe grond steken. Beeld Collectie Spaarnestad

Ook waren er klachten over de hoge toegangsprijzen – die schielijk werden verlaagd – en over de woekerprijzen die (sommige) exploitanten van de 76 uitspanningen op het terrein zouden berekenen. Desondanks werd de ELTA een groot commercieel succes. Compleet met een ‘ELTA vlieglied’: ‘Wij gaan vliegen, vliegen, vliegen over ’t Tolhuis en het IJ. Laat je wiegen, wiegen, wiegen met je meisje aan je zij.’

‘De ELTA was een evenement voor het volk, voor jan met de pet’, zegt Hans Dijk. ‘Ondanks de hoge prijzen waar velen zich over beklaagden. Maar wat deed de KLM toen ze in maart honderd jaar luchtvaart vierde? Ze maakte er een elitefeestje van in Eye. Als onderdeel daarvan vlogen een Boeing 777 en vier F-16’s vlak boven de binnenstad van Amsterdam. Pr-technisch was dat helemaal verkeerd: de mensen schrokken zich kapot.’

Dijk, zelf maritiem historicus met een fascinatie voor luchtvaart, besloot hetzelfde lustrum op een passender manier te vieren: met een kleine fototentoonstelling over de ELTA op het NDSM-terrein (die op 1 augustus werd geopend door Ron Wunderink, auteur van een boek over 100 jaar KLM). En hij nodigde vliegeraars uit voor een ode aan de vliegtuigen die honderd jaar geleden nog zo sterk op vliegers leken. ‘Ik wilde er een vreedzaam evenement van maken, en dan moet je geen militaire vliegtuigen laten overvliegen.’

Een handjevol grijze mannen gaf aan Dijks uitnodiging gehoor. ‘Jongeren worden geen lid meer van een vliegerclub’, geeft Peter Gaulhofer toe. ‘De secretaris van mijn vliegerclub is 85-plus, en ik ben – met 63 – bij wijze van spreken jeugdlid.’ Dit zit ’m in de taakopvatting van de klassieke vliegeraar: die bouwt zijn eigen vlieger, en in die vlieger moeten stokken zitten. ‘Wij zijn dus niet van de opblaasbare vlieger. Die kun je zo bestellen bij Alibaba, en ze gaan heel simpel de lucht in.’ De klassieke vliegeraar daarentegen, is bereid om dagen – soms weken – achter de naaimachine te zitten om een eigen ontwerp luchtwaardig te maken. ‘Toon Hannink gebruikt rustig een hele winter om een vlieger te bouwen. En een andere vliegeraar die ik ken, heeft uitsluitend Russisch geleerd om een instructieboek in die taal te kunnen lezen.’

Vliegers boven het voormalig NDSM-terrein. Door de harde en onvoorspelbare wind was de inzetbaarheid van deze kunstwerkjes beperkt. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Einzelgängers

Tot die inspanningen zijn jongere vliegeraars kennelijk niet meer bereid. Feitelijk bestaat de vliegerclub van Gaulhofer dus niet meer. Maar ach: vliegeraars zijn per definitie einzelgänger. Eigenlijk hebben ze helemaal geen club nodig. Hijzelf construeerde zijn eerste vlieger in 1978: een constructie van vuilniszakken en aluminium buizen die hij bij de Gamma had gekocht. Zijn tweede vlieger had een doorsnee van wel drie meter. ‘Ik werd erdoor gelanceerd en moest hem loslaten. Maar de fascinatie voor het vliegeren ben ik sindsdien niet meer kwijtgeraakt.’

Het hoogtepunt van zijn leven als vliegeraar was het moment waarop zijn eerste bijennest-vlieger – een variant op een ontwerp van Joseph Lecornu – zich in 1995 zich majestueus een weg naar boven baande. Sindsdien is hij op het bijenraadmodel blijven variëren. Vandaag, op het NDSM-terrein, toont hij zijn solar explorer: een ‘hybride vlieger’ waarvoor hij warmtefolie heeft gebruikt. Het gaat niet optimaal, want de weersomstandigheden zijn uitdagend, zoals gezegd. Maar lang zal Gaulhofer niet op een herkansing hoeven wachten. ‘Bijna elk weekend kun je wel naar een vliegerfeest’.

Vliegeraars op het NDSM-terrein. Achter de loodsen van de vroegere NDSM-werf, vond van 1 augustus tot 14 september 1919 de Eerste Luchtverkeer Tentoonstelling Amsterdam (ELTA) plaats. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Voor de documentatie van de passages over de ELTA is gebruik gemaakt van de digitale publicatie ‘ELTA’ van Wim Huissen en van het boek ‘Vlucht KL-50' (dat verscheen bij het 50-jarig bestaan van de KLM in 1969).

Zakenreiziger krijgt het ‘plebs’ als buren in de businessclass

Terwijl de first class uitsterft, proppen luchtvaartmaatschappijen meer stoelen in hun businessclass. ‘We zien ook gezinnen businessclass reizen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden